|
Naam:
|
aan Driehuizen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Huis
hof op't Ven aen de drije huijse [RAV99-215v (1732)]
aan
de buunders na de driehuizen [GVEII13 (1792)]
een
perceel bouwland gelegen te Veghel aan de driehuizen [N
(1844)]; B 291 (b: 21.30); de driehuis [N (1873)]; B
257, 264-270 (b: 82.30; hu: 07.50; tu: 08.00; og:
20.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Buurtschap liggende ten noord-oosten van het Ven in het
gebied de Heiakker. Benoeming
naar
de bebouwing.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 18, 26 |
|
Opmerkingen:
|
Zie
het stuk over de drie huizen van Driehuizen.
|
|
Naam:
|
aen de Heide |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dat
gelden Aert Claeus kynder aan die heij [GVIE2 (1437)]
huis
in loco dicto aen die heye den langen ecker in loco
dicto henneberch [Hs- (1519-1538)]
aen
den hertgang de hey [GVE12-1 (1778)]
landt over 't heyke, 't campke [GVE12-30 (1778)]
de
heide [kad. (1832)]; D 361 (b: 10.50) (St.Oed.). de hei,
de heide, het heike [N (1886, 1891, V.]; B 171 (he:
9.46.20), C 5, 6 (w: 59), 399 (he: 19.72.30), E 638-640
(w: 55.40; hu: 57.00; de: 1.70.00), 692 (he: 14.72.50),
694 (he: 15.61.40), 1532, 1533 (he: 3.45.20), F 465
(he:
20.63.51).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Hei, heide werd meestal gebruikt ter
aanduiding van het tegenwoordige Mariaheide, maar ook
voor het heidegebied (vroeger van St.Oedenrode)
zuidelijk van Eerde, en evenals "heike" voor percelen
ontgonnen heide. Anno 1832 kende Veghel nog uitgestrekte
onontgonnen heidegebieden: Hogerduinen, Beukelaarsbroek,
het Reibroek onder Zijtaart, het Dubbele tussen Eerde en
Veghel, het Wuiten en het Vensbroekje nabij Vorstenbosch
en nog verscheidene kleinere gebieden. De Veghelse
heiden zullen meestal laaggelegen geweest zijn. Zoals
elders in de Kempen, is heide de gangbare benaming
geworden ter aanduiding van de, meestal met heide
begroeide, gemeentelijke gronden, die zeer uitgestrekt
waren. Andere namen ter aanduiding van deze gemene
gronden zijn Aard (zie Eerde), Gemeente en Vroente.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Achter elk gehucht lag destijds een uitgestrekte gemene
vroente, aard of veld, die in Brabant meestal wordt
aangeduid met ‘gemeynt’. Later werd ‘heide’ de gangbare
benaming voor deze omvangrijke gemeenschappelijke
velden, begroeid met droge heide [Erica] of met dop- of
hommelheide, de natte of platte heide. De heidevelden
hadden een economische betekenis voor de locale
agrarische bedrijfsvoering. Ze dienden als weideplaats
voor koeien en schapen geleid door een door een
buurtschap aangestelde herder of scheper. De ingezetenen
mochten op de heide turf steken, plaggen maaien en leem
uitgraven voor de huizenbouw. De talrijke vennen deden
dienst als rootputten of als visvijver. Er werd honing
gewonnen door het plaatsen van bijenkorven. Regelmatig
werden stukken van de gemeynt aan particulieren
verkocht.
De heidevelden, de onontgonnen gemeenschappelijke grond,
was begroeid met heidestruiken en andere lage vegetatie.
In Brabant was het de naam voor de gronden met een
typische flora en fauna: struikheide op de droge
gronden, dopheide op de wat nattere heidegronden samen
met gagel, jeneverbes en brem. Na ontginning kon heide
ook een perceel bouwland aanduiden dat door middel van
een omheining van levend hout uit de zgn. ‘gemene heide’
werd geïsoleerd.
Enklaar 1941; de Bont 1993:93; Molemans 1976:338;
Spierings 1984:31,32,225,226. ; Berkel & Samplonius
1989:106; Mennen 1992:53; Buiks 1990:103; Helsen
1978:119.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2, 4, 6, 8, 12, 13, 16, 17, 25 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen de Hintelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Goederen gelegen in Veghel ter plaatse gezegd in die
hinckelt [GZG-160 (1383)]
in
loco dicto inden hinttelt [Hs- (± 1385)]
bij
die hintelt [BP1188-346 (1414)]
aen
die heye in die hyntelt [Hs- (1519-1538)]
hintelt, hey [Hs- (1600)]; het eerste euselvelt op de
hintelt [RAV160-196v (1781)]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend noord-oostelijk van het Ven. Mogelijk is
dit een afleiding van de stam
"hint'. Ekwall s. v. hints zegt: "Welsh hynt means road"
(Dial. Kempenland, -163).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Vooralsnog onduidelijk, of er moet samenhang bestaan met
‘hinder’ = slecht, verdorven. Het zou dan een
kwaliteitsaanduiding inhouden. De hindert zou dan ‘de
slechte aard’, een slecht stuk woeste grond, zijn. Wat
‘hint’ betreft moeten we misschien denken aan een
‘plaatse’, zoals in de kern van Eersel waar het Hint een
voormalige brink was die is uitgegroeid tot een
ovaalachtig marktplein door verbreding van de uitvalsweg
naar het zuiden. Langs die oude ‘plaatse’ lag een
onregelmatige blokverkaveling en overheersten de
agrarische bedrijven, terwijl langs het nieuwe
pleingedeelte, de eigenlijke Markt, sprake is van een
regelmatig opstrekkende verkaveling voor bedrijven die
afhankelijk waren van handel en verkeer. Op de grens van
beide pleinhelften staat sinds 1464 een kapel. Is Hintel
dan misschien eem dimunitiefvorm ?
Helsen 1978:100; Molemans 1976:153; Mandos & Kakebeeke
1971: 363.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 3 |
|
Opmerkingen:
|
Zie de stukken over
de Beersmanshoeve en
de Kleine Hintelt.
|
|
Naam:
|
aen de Hoge Heyde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Het campke, hoge heyde [Hs- (1662)]
uyt huijs en hoff gelegen aan de hooge heyde off
brederse heyde [HH163-9 (1714-1783)]
de hooge heide [kad. (1832)]; B 303-350.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging onder Mariaheide aan de oostzijde van de Lage
Heide. Benoeming naar de
ligging te opzichte van de Lage Heide.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 3, 10 |
|
Opmerkingen:
|
Voor een bespreking van de ligging van de Hoge en Lage
Heide,
klik hier. |
|
Naam:
|
in de Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op meerdere
plaatsen in Veghel |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Kamp, lat. campus, is oorspronkelijk een synoniem van
veld in de betekenis van "open, onbebouwd veld". Hier
heeft kamp de secundaire betekenis van: een individueel
uit het veld gewonnen en door een heg of een houtkant
besloten perceel (M. Top. Valk., -160).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Kamp-namen komen veelvuldig voor in het oostelijk deel
van Brabant en vormen de tegenhanger van de
Westbrabantse ‘heiningen’. Het woord is afgeleid van het
lat. * campus en lijkt oorspronkelijk dezelfde betekenis
gehad te hebben als ‘veld’, nl. de open, woeste, soms
hoger gelegen vlakte en in een latere fase als
aanduiding voor omheinde of afgesloten ruimte of een
door tuinen of hagen omgeven perceel. Het Brabantse
cultuurlandschap wordt omschreven als een typisch
landschap van kampontginningen.
Volgens Vervloet zouden individuele kampontginningen
zich op deze zandgronden in optima forma ontwikkeld
hebben, omdat het systeem van de ‘gemeynten’ bestond,
die aanvankelijk door de bewoners gemeenschappelijk
werden gebruikt, maar waaraan men op gezette tijden
percelen kon onttrekken door verkoop aan individuele
ontginners. Andere benamingen die hetzelfde begrip
benaderen zijn look of gelookt, hof, goed en erf. Ze
worden veelal vermeld in combinatie met een persoonsnaam
of familienaam . Volgens Jansen gaat het vnl. om kleine
akkertjes ontgonnen uit hei of bos, waaromheen een haag
van de oorspronkelijke begroeiing is blijven staan. Dit
type ontginning zou m.n. in West-Frankrijk op een
uitgebreidere schaal voorkomen; daar spreekt men van
‘boccage’ en ook deze dankt die naam aan individuele
ontginningen. Hendrikx spreekt over een ontwikkeling,
die zich ongeveer vanaf de 10de eeuw inzette,
van oorspronkelijke eenmansvestigingen of los
gegroepeerde boerderijenzwermen, bestaande uit
boerderijen met huiskampen en veebochten waaromheen zich
langrepelakkers en aangelagen bevonden. Deze werden
omringd door bos, dat voor beweiding werd gebruikt. Door
afsplitsing groeiden hier bepaalde gehuchtkernen uit.
Vervloet 1984:54; Claes 1987:67; de Vries 1962:90;
v.Berkel & Samplonius 1989:94; Jansen 1978:242; Hendrikx
1989:56.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 8, 14, 15 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Klokgietersveld |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
perceel groesland met houtwas gelegen te Veghel op het
Ven genaamd klokgietersveld [N (1824)]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging nabij het Ven.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 14, 15 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een voormalige eigenaar. Deze percelen
kwamen tussen 1722 en 1736 in handen van Jan Tonis
Clockgieters, en waren hierna van diens zoon Jan.
|
|
Naam:
|
Corshoef |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
2 l.
Groes genaamd de corshoeff aen de leege hey [GVE12-32v
(1778)]
de
corsthoeff aan de hey [GVEII12 (1792)]
de
korsehoef [N (1840, 1889)]; B 234-236 (w: 1.06.20), 325
(b en w: 29.40)
de
korschehoeven [kad. (1832)]; B 217-248
de
korsehoeven [N (1868)]; B 229-231 (w: 1.15.90); korse
hoeve [V.-]; B 249-251,259 (w: 1.00.60; b: 76.70),269271
(b: 1.25.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied noord-oostelijk van het Ven. Het eerste lid kan
een afleiding zijn van de mansnaam
Corst, Corstiaan, Christiaan of van de persoonsnaam Kors:
vgl. Johannes Kors
1799; Christiaan Korsten 1902 (Kl.Bev. V.).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 19-24
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Korten Hurk |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
1 l.
Hoyvelt aen Hintelt genaamd cortenhurk [GVEI2-89v
(1778)]
kortenhurk [N (1838, 1883, 1889); B 217,218 (b:
89.40),219 (w: 67.20), 226 (b: 1.30.80); korte hurk
[V.-]; B 220 (b: 1.07.50; w: 2.52.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging in de Korsehoeven.
Hurk:
ook de variant Horrik of Hornik komen voor. Betekent: “hoek”,
hoek van een straat; land gelegen in een hoek. Er komen
veel vormen van dit woord voor: hornick, hornyck,
hoornic, hoirnic etc. Beekman ziet verband met horn en
hoorn, welke woorden dan de betekenis kunnen hebben van
landstreek, land, kwartier en ook van hoek.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-3, 5, 6, 8, 12
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen de Leege Heyde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Leege hey [Hs- (1664)]
de
leegh hey bestaet in 23 huyssen ende begint in den
buender genaemt den junger aen muylengraeff is
toegemeten yder 4 roeden [GVIIB28 (± 1700)]
van
eenen acker aen de leeg heyde [HH163-4 (1714-1783)]
lege
hei [Mh- (1954)]
de
lage heide [kad. (1832)]; B 351-393; [N (1843)]; B
409-415 (hu: 09.10; mo: 03.42; w:
89.60; b: 1.64.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied onder Mariaheide aan de noordzijde van de weg
naar Uden, ongeveer vanaf de kerk oostwaarts tot aan de
Beekgraaf vlakbij het gedenkteken. Benoeming naar de
ligging. Ten oosten van dit gebied begint het niveau van
de bodem te stijgen. (Uden ligt aanmerkelijk hoger dan
Veghel)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 5, 19-24 |
|
Opmerkingen:
|
Voor een bespreking van de ligging van de Hoge en Lage
Heide,
klik hier. |
|
Naam:
|
den Nieuwenhoff |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
nieuwe hoff aan de hey [Hs- (1562)]
de
nieuwe hoff aan de hey [RAV160-34v (1763)]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging waarschijnlijk onder Mariaheide.
Benoeming naar (recent) tijdstip van ingebruikname/ontginning.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 25; perceel nr. 26 lag “aen de Nieuwe Hof” |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Rouwenkamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
rouwen camp (onder eerde) [GSO-262 (1617)]
de
rouwencamp, de hey, hoge heyde [Hs- (1664)]
den
rouwencamp [GVE2-106 (1702)]
de
raauwen kamp [N (1838)]; B 223 (w: 38.60)
den
rouwenkamp [N (1873, 1880, 1883, 1891)]; B 224 (w:
41.90), F 380-382 (w: 82.10),455 ged. (w: 1.70.32); de
rouwe kamp [V.-]; F 377-379 (w: 75.00)
de
rauwe kamp [V.-] .
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging in het Dubbele onder Eerde en in de Korsehoeven.
"Rouw" hier wellicht in de betekenis "ruw", "ruig",
mogelijk duidend op de toestand van het betreffende
gebied, voo de ontginning.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 6-11, 16. Waarschijnlijk ook 14 en 15. |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
opt Ven |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Zijn
twee cortte loopkens met een lang stuck in den
d'avel(laer) de braeck genaemt aent 't
ven
[GVE15-127 (1624)]
de
dicke stukken op 't ven [RAV159-178v (1754)]
het
ven [kad. (1832)]; B 620-679, 681-700, 702-704
het
venneke [N (1838, 1854, 1871, 1876, 1880, 1883)]; B 685
(w: 25.70), 686 (w: 26.80), D 219 (b en w: 40.70), 220
(b en w: 45.70), 237-239 (b en w: 1.16.40), 304 (b:
37.80); het ven [kado (1832)]; B 641 (b: 35.60).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benaming voor een grote waterplas aan de oostzijde van
de weg Veghel-Vorstenbosch.
Het
omliggende gebied (het Ven) en een zandweggetje ter
plaatse (zie Venssteegje); tevens verscheidene verspreid
liggende percelen ('t venneke). "Ven" een ven is een
natuurlijke waterplas in de heide (M. Top. Valk. -251).
Ven(neke) als benaming voor waterplas ging dan
gewoonlijk over op omliggende percelen (gebied); bij de
percelen, 't venneke is steeds sprake van de
aanwezigheid van een dergelijke (kleine) waterplas;
vooral in de omgeving van de Aa waren deze vennetjes
talrijk; ze zijn vrijwel zonder uitzondering verdwenen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Een ven is een natuurplas in de heide die zeer geschikt
was voor de klot- of turfwinning of moernering. De
vennen konden tevens dienst doen als drinkplaats voor
het vee dat op de heide gehoed werd of als vlasroot. Ook
voor de aanleg van een schans of landweer zouden vennen
ideaal geweest zijn, omdat men altijd in de omwallingen
over water beschikte. Nadat een ven was drooggelegd,
vgl. het dodeven, kon de naam overgaan op het omliggende
land. Vennen werden eveneens regelmatig gebruikt als
visvijvers. Buiks vermoedt dat veel vennen al vroeg
ontgonnen zijn, speciaal die vennen waar geen oerbank
onder zat. De Brabantse vennen vinden hun ontstaan door
depressievorming in de jongste ijstijd, maar is geen
gevolg van de landijsbedekking. Oorspronkelijk waren er
meer vennen maar ten gevolge van ontwatering, die reeds
in de middeleeuwen begon, zijn er veel drooggevallen en
deels als cultuurgrond in gebruik genomen. De waterstand
in de vennen zal in het algemeen dezelfde zijn als die
van het grondwater in de omgeving. Als vlak onder de
bodem van het ven een leemlaag voorkomt of als op de
bodem van het ven een nagenoeg ondoorlatende humeuze
laag of veenlaag ligt, zal de waterstand hoger zijn dan
het grondwater in de omgeving. Men spreekt dan van een
schijnspiegel. Vennen die veen bevatten werden door de
plaatselijke bevolking verveend. De zandruggen rondom
die oude vennen vormden een aantrekkelijke
verblijfplaats voor de prehistorische bevolking.
Gijsseling 1954:106; Buiks 1984 dl.10:77; Bisschops
1973; vd Toorn 1967.
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|