|
Naam:
|
Berckhoeff |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nr. 9 |
|
Ligging:
|
Grenst aan perceel nr. 9 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar Berkebomen |
|
Naam:
|
Berckcampen |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 1 en 2 |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 2. Perceel nr. 1 grenst aan de Berckcamp
|
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar Berkebomen |
|
Naam:
|
Brenstert, Beemstardt |
|
Vermeldingen:
|
in de uitgiftebrief van Jekschot van 12 januari 1311
worden als grenspunten van de heerlijkheid onder andere
genoemd:
“van de Vogel hutte op dende van Brestert op de side te
Lieshout waart,
ende van dien eende van Brenstert op den eerste grave Jans van
Zontvelt agter sijn huijs regt jegens onsen bosch van
Lint”
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
In het dialekt bestaat er geen verschil tussen een
bramenwei en een bremwei. Waarschijnlijk gaat het om
weiland omgeven door een heg met bramen. De braamstruik,
in dialektische vorm ‘braom’ en ‘brummel’, komt ook voor
met het verzamelsuffix -t, bv. in Braamt, Brament en
Bremt. De bremstruik (Genista) kan een afleiding zijn
van het mnl. ‘bremme’ of ‘brimme’. Jellinghaus denkt aan
met brem begroeide plekken die als vergaderplaats werden
gebruikt. Brem is een typisch Kempisch heidegewas, een
heestersoort, die zowel op heide- als op zandgrond
voorkomt en voor het boerenbedrijf een economische
waarde had. Na rooiing is de naam vaak op het perceel
overgegaan. Brem werd o.a. gebruikt voor het
vervaardigen van bezems. Bremakker is een akker met een
aantal bremstruiken er omheen, maar het kan ook een
akker zijn waarop brem geteeld werd, zoals op arme
zandgronden wel gebeurde. In de cijnskring dient men
tevens rekening te houden met een afleiding van de FN
Braams / Braems / Bremmen.
Buiks 1990:72; Moerman 1956:41; Jellinghaus :35; Helsen
1978:60 en 108; Buiks 1983:21; Beijers 1992:98; Beijers
& Koolen 1988; v.Berkel & Samplonius 1989:37.
Varianten zijn ‘start’ en ‘stert’. Het duidt op een
puntig uitstekend stuk land. Het element komt in de
cijnskring frequent voor. Het is een vormaanduiding. De
combinatie van staart / steert + hoven verwijst meestal
naar een perifere ligging binnen een nederzetting, het
einde van het gecultiveerde gedeelte. Steerthoven onder
Brecht werd verbasterd tot Sterrenhoven.
Moerman 1956:218; Schönfeld 1949; Buiks & Leenders 1993
dl.2:100.
|
|
Ligging:
|
In 1644 werd
de zwerfkei die de grens van Sint-Oedenrode, Lieshout en
Jekschot vormde de Beemstardt genoemd.
De grensbeschrijving uit 1311 doet vermoeden dat de naam
oorspronkelijk betrekking had op de wal aan de zuidgrens
van de heerlijkheid bij de Heihoef.
|
|
Opmerkingen:
|
Naam voor de zuidelijke grenswal van de heerlijkheid
Jekschot. Het element “bren-“ is mogerijk een variant
van “brem-“ en wijst dan op begroeiing met brem of
braamstruiken. Het element “-start” naar de lange strook
gevormd door de wal. In dat geval moet de wal er op 12
januari 1311 al enige jaren gelegen hebben, wat
twijfelachtig is.
|
|
Naam:
|
Donte |
|
Vermeldingen:
|
Kaart de Weijer 1753 |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. |
|
Opmerkingen:
|
De Donte was een laagte in de wildernis. |
|
Naam:
|
Gasthuijscamp |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 11 en 12 |
|
Ligging:
|
perceel nr, 12. Perceel nr. 11 grensde aan de
Gasthuijscamp. |
|
Opmerkingen:
|
Perceel nr. 12 was in handen van het Bossche Groot
Gasthuijs |
|
Naam:
|
Groote Weyhoeve |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 2, 6-9 |
|
Ligging:
|
Deel van perceel nrs. 6-8. Perceel nrs. 2 en 9 grensden
aan de Groote Weyhoeve. Te lokaliseren als perceel nr. 6
|
|
Opmerkingen:
|
Het element “wey-“ wijst op vergrasde heide. De Groote
Weyhoeve (40 bunder) en Cleyne Weyhoeve (30 bunder)
lagen naast elkaar.
|
|
Naam:
|
Hamsche Hoeve,
Hamelsche Hoeve |
|
Vermeldingen:
|
Zie de
stukken betreffende
het conflict in de zeventiende eeuw. |
|
Ligging:
|
Het Cijnsveld
werd door de inwoners van Rode zo genoemd, omdat de naam
Cijnsveld de door hen betwiste rechten van de vrouwe van
Jekschot op dit gebied zou bevestigen.
|
|
Opmerkingen:
|
Mogelijk
genoemd naar
Jan Willems soone van Hanevelt die in 1311 de
aangrenzende percelen Jekschot Sint-Oedenrode nr. 1-2
bezat.
|
|
Naam:
|
Heijcampen |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nr. 2 |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 2 |
|
Opmerkingen:
|
Kampen gelegen in de Heij.
|
|
Naam:
|
Hoendercampken |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nr. 12 |
|
Ligging:
|
Deel van perceel nr. 12 |
|
Opmerkingen:
|
Belast met hoenderen aan de heer van Jekschot. |
|
Naam:
|
Hoeve Leijenborch |
|
Vermeldingen:
|
Zie de
geografie van Jekschot. |
|
Ligging:
|
Grenst aan perceel nr 11. Te lokaliseren als perceel nr.
8. |
|
Opmerkingen:
|
Borch of huis aan de Leij. De Leij was de naam voor de
loop aan de westzijde van Jekschot.
|
|
Naam:
|
Hoeve Ten Blixembossche |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nr. 2 |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Beijers en Van Bussel vonden deze veldnaam in Son en
Breugel. Ze schrijven daarover: Vooralsnog
onverklaarbaar, tenzij de naam afgeleid is van het woord
‘blik’. Het betreffende terrein tussen Son en Eindhoven
is een laaggelegen zandvlakte met daarin een brede in
noordoostelijke richting verlopende dekzandrug. Ten
westen van die zandrug ligt het dal van de Grote Beek.
In een groot deel van dit gebied is de heide pas
omstreeks 1900 ontgonnen en vervangen voor akkers en
weilanden. Op verschillende plaatsen aan de rand van dit
deel van de dekzandrug is volgens omwonenden tot het
begin van deze eeuw veen gestoken om te dienen als
brandstof. Volgens hen is het uiteinde van de zandrug
gedurende de winter door natte omstandigheden in de
omgeving moeilijk toegankelijk geweest. Het bleek
archeologisch een boeiend gebied te zijn, waarvan de
vondsten wijzen op een continuïteit van bewoning vanaf
de Romeinse periode.
Roymans & Theuws 1993:106
|
|
Ligging:
|
Grensde aan perceel nr 2. De latere Heijhoef, gelegen
ten oosten van perceel nr. 2. |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Huyben Camp, Huype Camp |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 15-19 |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 17-19, perceel nrs. 15 en 16 grenzen aan de
Huyben Camp. |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar.
|
|
Naam:
|
Jekscot |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Et a
doernken usque jexschot et de jexschot pro ut limites
[GVI1 (1310)];
de
groote weghoeve by jecschot [Hs- (1564)];
een
hoeve in jecschot [GSO-262 (1617)];
de
heerlykheyt jeckschot [Mrv92-73 (1768)];
jekschot [kad. (1832)]; E 1422-1456;
heerlijkheid jekschot, bestaande is zes bouwhoeven,
weiland, mast en schaarhoutbossen, bosgrond en heide [N
(1893)]; E 1408-1416 (b: 7.90.40; w: 12.20; hu: 07.00;
bakhu: 00.32; tu: 03.36), 1417-1420, 1422-1439,
1441-1456 (b: 48.70; hu: 11.70; tu: 08.80); jeksend (jekschot)
[V.-]; E 1422-1439, 1441-1456.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggende ten zuiden van het Zondveld onder
Zijtaart, in vroeger tijden de Heerlijkheid Jekschot.
Het eerste lid is mogelijk ontstaan uit laak, lacob (M.Top.Overpelt,
-182, de laak). Het tweede lid: scho(o)t, beboste hoek
zandgrond, uitspringend in een moerassig terrein (M.Top.
Valk. -110). lekschot behoort tot de hoogst gelegen
gebieden van Veghel en ligt niet ver van lage terreinen
als het Laars op het aangrenzende grondgebied van
St.Oedenrode.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2, 6-21, 23, 25-27, 29, 30
|
|
Opmerkingen:
|
Het eerste lid Jek- is mogelijk een vorm van Eik.
|
|
Naam:
|
de Camp |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nr. 21
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Kamp-namen komen veelvuldig voor in het oostelijk deel
van Brabant en vormen de tegenhanger van de
Westbrabantse ‘heiningen’. Het woord is afgeleid van het
lat. * campus en lijkt oorspronkelijk dezelfde betekenis
gehad te hebben als ‘veld’, nl. de open, woeste, soms
hoger gelegen vlakte en in een latere fase als
aanduiding voor omheinde of afgesloten ruimte of een
door tuinen of hagen omgeven perceel. Het Brabantse
cultuurlandschap wordt omschreven als een typisch
landschap van kampontginningen.
Volgens Vervloet zouden individuele kampontginningen
zich op deze zandgronden in optima forma ontwikkeld
hebben, omdat het systeem van de ‘gemeynten’ bestond,
die aanvankelijk door de bewoners gemeenschappelijk
werden gebruikt, maar waaraan men op gezette tijden
percelen kon onttrekken door verkoop aan individuele
ontginners. Andere benamingen die hetzelfde begrip
benaderen zijn look of gelookt, hof, goed en erf. Ze
worden veelal vermeld in combinatie met een persoonsnaam
of familienaam. Volgens Jansen gaat het vnl. om kleine
akkertjes ontgonnen uit hei of bos, waaromheen een haag
van de oorspronkelijke begroeiing is blijven staan. Dit
type ontginning zou m.n. in West-Frankrijk op een
uitgebreidere schaal voorkomen; daar spreekt men van
‘boccage’ en ook deze dankt die naam aan individuele
ontginningen. Hendrikx spreekt over een ontwikkeling,
die zich ongeveer vanaf de 10de eeuw inzette,
van oorspronkelijke eenmansvestigingen of los
gegroepeerde boerderijenzwermen, bestaande uit
boerderijen met huiskampen en veebochten waaromheen zich
langrepelakkers en aangelagen bevonden. Deze werden
omringd door bos, dat voor beweiding werd gebruikt. Door
afsplitsing groeiden hier bepaalde gehuchtkernen uit.
Vervloet 1984:54; Claes 1987:67; de Vries 1962:90;
v.Berkel & Samplonius 1989:94; Jansen 1978:242; Hendrikx
1989:56.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 21 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Cleyne Weyhoeve |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 6-8 en 11 |
|
Ligging:
|
Deel van perceel nrs. 6-8, grenst aan nr. 11. Te
lokaliseren als perceel nr. 7
|
|
Opmerkingen:
|
Het element “wey-“ wijst op vergrasde heide. De Groote
Weyhoeve (40 bunder) en Cleyne Weyhoeve (30 bunder)
lagen naast elkaar.
|
|
Naam:
|
Koeweyde |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 6-8
|
|
Ligging:
|
Deel van perceel nrs. 6-8 |
|
Opmerkingen:
|
Benoeming naar het grebruik als veeweide.
|
|
Naam:
|
Cranenmortel |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 9-11 en 13 |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 10. perceel nrs, 9, 11 en 13 grenzen aan de
Cranenmortel |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar. vergelijk met perceel nr. 2.
Dir perceel was rond 1520 in handen van Jan Craen.
|
|
Naam:
|
De Langhe Buenders |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 10 en 13-16 |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 13, 15 en 16. Ook perceel nr, 14. perceel
nr, 10 grensde aan de Langhe Buenders |
|
Opmerkingen:
|
Oorspronkelijk waarschijnlijk 6 naast elkaar gelegen
langwerpige percelen van 1 bunder groot.
|
|
Naam:
|
Lathouwers Camp |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 9 en 10 |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 9. Perceel nr. 10 grenst aan de Lathouwers
Camp |
|
Opmerkingen:
|
Rond 1520 in handen van Wouter Lathouwers.
|
|
Naam:
|
Lieshoutschen Pael |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Eenen halven bunder heyvelts gelegen in der proehien van
Vechel after lijnt aen den
lieshoutsen pael [RAE25 (1551)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Grenspaal |
|
Ligging:
|
Perceel nr 1 grensde aan de Lieshoutschen Pael. De paal
stond op het punt waar de gemeintes van Sint-Oedenrode,
Veghel en Lieshout elkaar raakten.
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Loop, Loopgraeff, Scheijtsloop, Binnenloop van Jecxscot |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nr. 13 en de
kaart van Jan de Weijer van 1753
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Een algemene benaming in de cijnskring voor stromend
water, een waterloop of een klein beekje. De benaming
schijnt jong te zijn.
|
|
Ligging:
|
Grensde aan perceel nr. 13 |
|
Opmerkingen:
|
De variant loopgraeff wijst er op dat een natuurlijke
kronkelende loop recht enigszins getrokken was.
Vergelijk met de Beekgraaf op het ven en in Mariaheide.
De variant Scheijtsloop verwijst naar het feit dat de
loop de grens vormde tussen Veghel en Sint-Oedenrode.
|
|
Naam:
|
Paardkamp |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 6-8 |
|
Ligging:
|
Deel van perceel nrs. 6-8 |
|
Opmerkingen:
|
Kamp waar een paard gehouden werd of geweid werd.
|
|
Naam:
|
Roukensveld |
|
Vermeldingen:
|
Veghel Oud Archief, II-B-45 (28-10-1745): Roukensvelt,
Rouvelt
|
|
Ligging:
|
(Deel van) perceel nr. 6 |
|
Opmerkingen:
|
Veghel Oud Archief, II-B-45 (28-10-1745): langs dese
loop legt een groot velt op Jexschot, nu genaamt
Roukensvelt welcke men vooronderstelt Rudebroek,
Roubroek, nu Rouvelt genaemt is. Dit is na alle
waarschijnelyckheit Rudebroek, om dat het is een
Rouvelt, gelijck een gemeente of broek sonder teulant,
wilt en rou velt alwaer bij voorheen veele hout gestaan
heeft.
In deze verklaring wordt geprobeerd om aan te tonen dat
Zondveld niet binnen de grenzen van de heerlijkheid
Jekschot lag. Dat kon alleen aannemelijk gemaakt worden
als het Ridebroek, of Reibroek, de heide tussen Zondveld
en Zijtaart ten zuiden van Zondveld geplaatst kon
worden. Daarvoor werd het Roukensveld naar voren
gebracht. Ik neem aan dat de veldnaam echt bestaan
heeft, en ook met de verklaring “een wild of rouw veld”
lijke me niets mis. Alleen had het Roukensveld niets te
maken met het Ridebroek. Zie
het stuk over de grenzen.
|
|
Naam:
|
Schade Coop |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nr. 9 |
|
Ligging:
|
Lag aan de noordkant van perceel nr. 9. vermoedelijk
identiek met de Brandscamp aan de overzijde van de loop.
|
|
Opmerkingen:
|
Spotnaam, verwijzend naar de slechte kwaliteit van de
grond.
|
|
Naam:
|
Smollerscamp |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nrs. 11 en 15 |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 11. Perceel nr. 15 grensde aan de
Smollerscamp |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar.
|
|
Naam:
|
Steeghde genaamt het Sneppegadt |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nr. 12 |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
In een naam als Sneppel is de vogelnaam te zien, vgl.
het mnl. snippe of sneppe + lo, de houtsnip. In
Snepscheuten kan snep duiden op de vorm, nl. een perceel
met een grillige vorm met enkele uitspringende punten.
Molemans geeft voor snep de betekenis van valhek.
Volgens hem is een snepstaak een paal waaraan een
valhek hangt.
Buiks 1988 dl.23:153; Helsen 1978:123; Molemans 1975:30.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 12 grensde aan een steeghde genaamt het
Sneppegadt |
|
Opmerkingen:
|
Het Sneppegadt was een steeg. Het element “-gat” wijst
op een doorgang. Voor snep geef ik de voorkeur aan de
door Molemans gegeven betekenis van valhek.
|
|
Naam:
|
de Weycamp |
|
Vermeldingen:
|
Zie bij perceel nr. 20 |
|
Ligging:
|
Deel van perceel nr. 20 |
|
Opmerkingen:
|
Weiland. |
|
Naam:
|
Witte Bleek |
|
Vermeldingen:
|
Beschrijving op de kaart van de Weijer 1753 |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
De bleek was de plaats waar linnen gebleekt werd. Deze
bleek was eertijds gemeenschappelijk bezit. Bleek kan
verwant zijn aan blek of blekke. Ook komt de FN Blekers
voor.
Molemans 1976:155; Mennen 1992:54; Cornelissen e.a.
1987:73.
Wit kan verband houden met de turfwinning. Witte turf is
turf van mindere kwaliteit omdat die veel zand bevat.
Een Witpoel of Witven kan een poel zijn waar men witte
turf uit de grond haalde. Witven kan ook een nadere
aanduiding inhouden van het veen, maar dan verwijzend
naar de witlok of veenpluis dat op verdrogend veen
voorkwam. Het kan ook een vervorming zijn van ‘wide’ =
teenwilg. In Withaag meent men een bosje te zien van
laag wilgenhout. Wit of witte kan bovendien een
afleiding zijn van het mnl. weit = tarwe met name de
zachte of witte tarwe, spelt, gewone tarwe ofwel van
boekweit. De boekweit werd ook wel beukentarwe genoemd
vanwege de beukenootachtige vorm van het zaad.Een
bloemrijke verklaring is die van Mandos die in
Wittenakker een verband wil leggen met rondwarende
‘witte wiven’, dit op grond van het feit dat het
volksgeloof ze steeds in verband bracht met
prehistorische plaatsen. Tenslotte geeft Mennen nog een
voorbeeld van een Wittedreef verwijzend naar de
wegverharding in de vorm van witte kiezelstenen.
Buiks 1992:29; Buiks 1984 dl.8:74; Verdam 1932;
Trommelen 1994:174; Mandos 1988; Buiks & Leenders 1993
dl.2: 156; Mennen 1992:333.
|
|
Ligging:
|
De Weijer (1753): “De
Donte synde een laage streeke hey en weyde omvangen met
een hoogte alwaar sig aan A een kleijn loopje heft uijt
een laagte en loopt verder tot aan ‘t bruggetje in den
sijk van Lieshout naar St. Oeden Roode, ‘t bruggetje wyt
4 voeten en den loop dusver niet geveegt. Van ‘t
bruggetje den ouden loop gevolgt tot aan B, en van B tot
C door een kleyne hoogte gegraven ter lengte van 25
roeden, en plagt eertyds te loopen van B door de laagte
aan D tot in C alwaar den ouden loop is en vervolgt tot
in E aldaar genaamt den Witten Bleek. Den loop van ‘t
bruggetje tot in E breet en 5, 6 tot 7 voeten en diep
dat ‘t water gevoegleijk kan afloopen.
Aan F heft sig wederom een loopje in de Donte en loopt
door de laagtens tot in G aan een bruggetje in den dijk
en van F tot G niet geveegt. En loopt dan verder door
eenige laagtens tot in E alwaar desen loop sig vereenigt
met den eerst genoemden loop. Van G tot E breet 3, 4 à 5
voeten, en diep na vereijsch dat ‘t water gevoegleijk
can loopen.
Dese 2 loopen vereenigt sijnde loopen door een streek
groes oft weij genaamt De Witte Bleek tot aan H en
bevonden dat op verscheyde plaatsen van E tot H niet was
geveegt oft opgegraven, en bevonden plaatsen daar die
was geveegt breet 1 ½ voet, diep een halve voet onder
den ordinaire gront.”
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|