|
Naam:
|
Boschweg, Bosstraat |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
bolcken, bosstraat onder de molen heeselaar [Hs- (1539)]
coolencamp (veltje) hantfoirtse tiende hey by de
boschstraat [Hs- (1616)]
hoy
in de boschstraet [GVEI2-83 (1778)]
boschstraat waaronder Beugs brugje en oude huisplaats
[GVB26 (1783)].
De
voetpat vant geerbos aff op de Watersteeg tot op den
Boschweg (brug, de bosweg op)
[GVB26 (1789)]
den
dintherschen akker, het een einde den boschweg het ander
einde de armen van dinther [N. (1826)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Dit
is de oorspronkelijke benaming voor de aloude verbinding
met 's-Hertogenbosch nu vaak de dorpenweg genoemd. De
huidige Middegaal, Gasthuisstraat, Stationsstraat,
Molenstraat en Deken van Miertstraat werden alle zo
genoemd. Bos is hier dus een verkorting van
's-Hertogenbosch.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 29 grensde aan de Boschweg ofwel Bosstraat |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Eeussel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
veldnaam “Eeussels” kwam in Veghel op verschillende
plaatsen voor.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Eeusel, afgeleid van eeuwen “voeren” is gangbare
Kempische benaming voor weiland meestal van
minderwaardige kwaliteit (M. Top. St. Huibr.Lille,
-133). |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Eeuwsel wordt verklaard als een droge zomerweide,
veelal in particulier bezit en omheind, een schrale
weide of een weide in de bossen. Dit toponiem komt in
het zuiden van de Baronie geregeld voor, maar in het
oostelijk gedeelte van Brabant is het al even frequent
[redactie].
Te Overpelt was een ‘eusel’ een kunstmatige weide i.c.
ontgonnen heide of woeste grond met buntgrassoorten
begroeid en in gebruik als veeweide, primair voor
schaapskudden. Volgens Lindemans zijn de eeuwsels in de
Belgische Kempen het eerste stadium bij de ontginning
van heide tot cultuurland. Het is niet precies te
achterhalen tot wanneer de eeuwsels als veeweiden hebben
dienst gedaan, maar zeker niet langer dan de 16de
eeuw.
Dat de eeuwsels goede hooilanden waren is
onwaarschijnlijk vanwege de bodemgesteldheid, nl. matig
natte zandgronden. Veel eeuwsels zijn thans als weiland
in gebruik omdat de grond voor hooiland niet vochtig
genoeg is en voor bouwland te nat.
(Lindemans 1946:2; Pijnenburg 1976:1; Buiks 1984
dl.9:32; Mennen 1992:217; Buiks & Leenders 1993
dl.4:383; Molemans 1976:314; Lindemans 1952; Helsen
1978:116.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 7, 16, 20 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aent, op Heselaer |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In loco dicto hezellaar [Hs- (± 1390)]
tgoet te hezellaer [Hs- (1390-1395)]
hezelaer [GVE2-39 (± 1500)]
lant aent heeselaer off bunders gat 't rontveltje
[GVEI2-52 (1778)]
hezelaar [kad. (1832)]; B 1105-1138
hezelaar [N (1893)], [V.-]; B 1143 (w: 15.70 ), 1148 (b:
84.70).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Hees
is een frekwent voorkomende naam ter aanduiding van
kreupelbos en van (vaak uitgestrekte) kompleksen land (gerooid
bos of door hees kreupelbos omheind land) (M. Top. v.
Bochholt -44).
Van
het toponiem laar werd nog geen algemeen bevredigende
etymologische verklaring gegeven. Enkele naar voren
gebrachte betekenissen zijn: 1) open plaats in een bos;
2) plaats waar men hout kan lezen; 3) moerassig bos.
Volgens Van Passen blijkt een laar in de Kempen over het
algemeen de betekenis te hebben gehad van onbebouwde (gemeenschaps)grond,
waarop men het vee liet grazen. (M. Top. Neerpelt,
-143-144)
Hezelaar: Gebied liggende tussen Zeven Eikenlaan,
Lindelaan, Hezelaarstraat en Iepenlaan, vroeger de
Watersteeg. Voor 1832 moet de benaming op een groter
gebied betrekking gehad hebben. Was hier oudtijds een
open (ontgonnen) gebied, omgeven door kreupelhout?
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
‘Hees’ is over het algemeen laagstammig hout,
struikgewas of jonge bomen, afgeleid van het germ. *
haisi > hasi > hesi > hees. Het komt frequent voor,
zowel in plaats-, gehucht- als veldnamen. Veldnamen zijn
deels afgeleid van de gehuchtnaam ‘Hees’ zodat niet
altijd sprake is van verwijzing naar de oorspronkelijke
begroeiing.
Hezemans meldt dat ‘hees’ aanvankelijk zowel in
Nederland, België, Duitsland als Engeland voorkomt als
jong beukenbos en later struikgewas van allerlei
loofhout.
Het kan ook de benaming zijn voor een open plek in een
bos waar de Keltische god Hesus of Esus werd vereerd. Op
de Hees onder Erp stond een heilige eik. In 1761 werd
daar ter plaatse het ‘land aan de H.Eik op Heesch’
vermeld. Langs de oude handelsroute Aken-Gulik-Nijmegen
moet in de buurtschap Hees bij Weeze een heiligdom met
offeraltaar voor Hesus opgericht zijn geweest.
Afleidingen van ‘hees’ zijn heester en heister met als
oude betekenis jonge loofboom, speciaal jonge beuk, maar
ook jonge eik. Het element ‘hees’ komt in Brabant al
vroeg voor. Het oorkondenboek meldt o.a. Hezia (784),
een gehucht onder Eersel, Hese (1203), Hesebenne (1225),
Heseuuic (1233).
Moerman 1956; Molemans 1976:477; Helsen 1978:56;
Molemans 1975:44; Mennen 1992:46; Hezemans 1970:68;
Meuwese 1955:125; vd Schaar 1969:118; Gijsseling 1960;
Smulders 1962; Beijers & Koolen 1988; Beijers 1992:
148,149, 239.
Laar kan vele betekenissen hebben. Helsen interpreteert
het als woeste, onbebouwde gemeenschapsgrond of heide en
minderwaardig grasland, waar men de dieren liet grazen
en russen kon steken. Ook verstaat men er een intensief
benut bos onder.
De Bont prefereert de betekenis van omheind terrein,
anderen die van een open plek in het bos waar hout
gestapeld en gehaald kan worden. Roelants wijst erop dat
er van de 14de tot de 16de eeuw
verschillende plaatsnamen op -laar zijn ontstaan.
Dittmaier neemt als betekenis ‘omheining’ over, maar
voegt eraan toe dat het geen gewone omheining is van bv.
een groene haag, maar een van planken en balken, die
vooral berekend was op kweekdieren.
Smulders vestigt de aandacht op ‘laar’ door diverse
voorbeelden te geven van oorspronkelijke laar-namen die
evolueerden naar andere schrijfwijzen, bv. Herlaer >
Halder, Swelaer > Sweelders, Vellaer > Velder, Geerlaer
> Geelders, Hollaer > Holder etc. De FN ‘van Elderen’
verklaart hij als afgeleid van Ellaer > Elder(en). Hij
wijst er op dat toponiemen eindigend op -lder in
oorsprong laar-namen geweest kunnen zijn.
Tavenier propageert een systematisch onderzoek naar de
landschappelijke aard van alle laar-vermeldingen.
Volgens Theuws komt het element -laar in
nederzettingsnamen vooral voor buiten de
bevolkingsconcentraties die hij voor het
Maas-Demer-Scheldegebied heeft uitgekarteerd. De
laarnamen zouden volgens hem in verband gebracht kunnen
worden met vochtige, natuurlijke omstandigheden. De
macroregionale spreiding lijkt hier op te wijzen. Dat
laar-namen niet voorkomen in bv. de valleien van Maas en
Schelde zou erop duiden dat een groot deel van deze
gebieden al bewoond was toen deze namen werden gevormd
en dat ze een latere fase van verdere of interne
kolonisatie aangeven. Volgens hem vertegenwoordigen de
laar-namen een jongere namenlaag en derhalve jongere
bewoning.
De Bo geeft voorbeelden afgeleid van boom-namen zoals
Mispelaar, Kerselaar, Pruimelaar, Appelaar, Notelaar
e.a. Laar werd soms voorafgegaan door een ‘-h’ en werd
dan ‘hlar’. Het gaat dan om een verwijzing naar een oude
door de mens beïnvloede landschappelijke situatie.
Waar Gijsseling spreekt over ‘bosachtig moerassig
terrein’ voor dit element, meent Blok een verfijning te
moeten aanbrengen en spreekt van ‘...een deel van een al
of niet moerassig bos, dat door mensen speciaal gebruikt
werd om te kappen of om vee in te weiden en dat daardoor
een open plek in het bos werd.’ In deze definitie wordt
niet een oorspronkelijke natuurlijke gesteldheid
aangegeven, maar juist een oude vorm van menselijke
ingreep in de natuur. Als zodanig moet ‘laar’ als veen-
en moerasindicator terughoudend worden gebruikt. De Bont
veronderstelt dat het kappen van bos voor het aanleggen
van akkertjes vanaf de vroege middeleeuwen geleidelijk
is verlopen. Soms zullen aanwezige open plekken, de
‘laren’, als uitgangspunt hebben gediend. Door het
kappen en plat branden van delen van het bos werd een
geschikt gebied langzaam maar zeker van zijn
bosbegroeiing beroofd.
Helsen 1978; Molemans 1977; Dittmaier 1963; de Bont 1969
dl.3; Gijsseling 1956; Helsen 1944; Buiks 1992:45;
Roelandts 1946:41; Smulders 1952:59; Tavenier 1968:442;
de Bo 1881:193; de Bont 1993:72; Blok 1991:24; Theuws
1988:181.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-2, 5, 6, 12, 17, 24-27 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Calverloect |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Terre dictum dat calverloect [GVIDI (1468)]; dat
calverloect [GVIDI (1537)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. Benoeming naar de veeteelt.
Gelookt is afgeleid van mnl. geluken = (om)sluiten.
Geleekt ontwikkelt verder tot gelukt (palatalisering) en
(mogelijk met volksetymologische reïnterpretatie) tot
geluk. Het is een specifieke benaming voor een
individueel, uit de heide ontgonnen en rondom geheind
perceel bouwland. In deze betekenis komen ook bocht en
kamp voor, dit laatste in mindere mate. De vorm gelookt
(geluk) is typisch Noord-Brabants in de Belgische Kempen
komen eerder look en blo(o)k voor (Top. Valkenswaard,
-117).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Dit element is afgeleid van het mnl. luken of loken met
als betekenis (1) afsluiten of omheinen en (2) omheinde
ruimte i.c. een door een gracht of houtkanten omsloten
perceel. Verwant hieraan lijkt ‘blok’ en in andere
samenstellingen het element ‘kamp’. De looknamen
verwijzen naar uit heide ontgonnen percelen in
particulier bezit. In de cijnskring lijkt het een
algemene aanduiding voor iemands grondeigendom, m.n.
toegespitst op huis, schuur, erf en aanliggende
percelen. De meeste samenstellingen bestaan uit een vorm
van ‘loken’ in combinatie met een FN of PN [redactie].
Het mnl. lochtuun, wat later lochten en lochting werd,
is bekend in de betekenis van moestuin of hof. De
grondvorm van lochten is ‘looktuin’, waarin het mnl.
loke, loicke = omheinde ruimte en het mnl. tuun =
omheining van vlechtwerk van teenwilgen doorklinkt.
In dialekten zou ‘locht’ ook voorkomen in de betekenis
van ‘licht’, een onvruchtbaar en zanderig stuk grond.
Een lochtenberg zou een zandige hoogte, misschien kaal
en onbegroeid, zijn. Lochte grond is slechte,
onvruchtbare zandgrond. In sommige plaatsen van de
cijnskring bestaat de uitdrukking ‘het is maar lochte
timmer’, verwijzend naar de slechte staat van iets,
mindere kwaliteit [redactie].
Helsen 1978; Molemans 1976:209,1067; Buiks 1984 dl.8:52;
Molemans 1970:13; v.Berkel & Samplonius 1989:112.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 28, aanvankelijk vermoedelijk met enkele
aangrenzende percelen |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
bij, aan, in de Colencamp, Koolenkampen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In loco dicto die Coolecampen (BP1178-402 (+/- 1390)
De coolecampen [Mrv91-14 (1698)]; een part in colencamp
[GVE12-62 (1778)]
de koole kampen [kad. (1832)]; A519-610
de koole kampen [N 91835)]; A519, 563-565 (w: 1.11.40)
kaalkamp [kad. (1843)]; A 586 (b: 41.00)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend dichtbij de kom van Veghel omsloten door
de Stationstraat, Gasthuisstraat (voorheen Bosstraat),
Zeven Eikenlaan (voorheen Molenstraat);
Iepenlaan-Populierenlaan (voorheen Watersteeg) en
Geerbos (voorheen parallelweg-Noord). Benoeming naar de
teelt. percelen waarop kolen werden verbouwd (M. Top.
Valk. -171, koolhof), ook ruimer in de in van
groententuin. Hier wellicht moestuin. De ligging van het
gebied bij het dorpscentrum maakt het voorkomen van vele
groenten-/moestuinen ter plaatse wel aannemelijk.
De naam is ook nog bekend voor het stuk grond waarde
nieuwe Ambachtsschool staat, het lijkt niet mogelijk om
te denken aan kol = hoogte, omdat dit stuk grond juist
vrij laag ligt. Misschien verdient de voorkeur een
verklaring die de bereiding van houtskool recht doet
wedervaren. In de toponymie zijn namen bekend, die
herinneren aan dit thans verdwenen bedrijf (koolster,
kools, koolshoek).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Het element "kool" komt voor in de vele Koolhofnamen,
vergelijkbaar met een moestuin. Bij de omschrijving van
boerderijen wordt naast koolhof ook de term lentehof,
kruidenhof of soms (wer)moeshof gebruikt. Koolsooryen
vormden het grootste deel van de groenten in de
middeleeuwse periode. Koolzaad leverde een betere soort
olie dan bv. raapzaad. De koolraap of knolraap is een
van de oudste gewassen die om de wortel werden gekweekt.
Men heeft hiervan in uit het Neolithicum stammende
paalwoningen sporen gevonden. Onderscheiden werden
raapzaad [Brassica campestris] en koolzaad [Brassica
oleracea]. De olie werd in speciale molens, de zgn.
slagmolens, uit het zaad geperst of geslagen. Het
restant werd in de vorm van koeken aan het vee gegeven.
Het in de zomer gezaaide koolzaad heette ‘sloren’. Een
zeer oliehoudend gewas is ‘huttenhut’ of, zoals het in
de Baronie werd genoemd, ‘karmil’. Uit de zaden van dit
vanaf 1000 v.Chr. bekende gewas werd olie gewonnen,
terwijl de stengels verwerkt werden in bezems, samen met
berkerijs.
(v.Zeist 1968:141; Debuigne 1979:137,138; Buiks 1986
dl.19:48.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 9, 10, 20-22, 29. Perceel mr. 9 lag tegen de
Lange Koolenkampen |
|
Opmerkingen:
|
De Colencamp was een aangrenzend perceel (aan de
overkant van de weg) tegen het terrein van het
kasteeltje op het Middegaal gelegen. Het ligt meer voor
de hand dat de veldnaam naar een eigennaam verwijst. De
naam Nicolaes, ofwel Coel, kwam in Veghel voor. Dus
Coolencampen = kampen van Coel, of Nicolaes. In Veghel
zijn veel percelen naar bezitters vernoemd. In 1551
waren perceel nrs. 2-7 nog in een hand.
|
|
Naam:
|
in de Hantvoertse thiende |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Land
den mostart in die hantvoertse thiende [Hs- (1519-1538)]
bij
die middegaelsche hoeve in de hantfoertsche thiende
[Mrv25-13 (1551)]
dinterse akker, hamfoortse tiende [RAV159-44v (1744)];
hanfoortse tienden of tienden v.h. middegaal [Mh-
(1954)].
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Onbekende ligging, wellicht grotendeels samenvallend met
de Hansvoort. Benoeming naar
de
ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 26. Deze tiendklamp strekte zich uit over
het Middegaal vanaf de grens met Dinther tot aan de
Bolken. Zie de
toelichting op de tiendkaart.
|
|
Opmerkingen:
|
Voor de verklaring van de naam Hantvoert, zie de
verklaring van toponiemen bij
Hamsvoorts Brugje
|
|
Naam:
|
aent Middegael |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Middegaal: Wellicht te interpreteren als midden-gaal,
vgl. middenbroek, een tussen twee andere broeken gelegen
laagland (Verwijs en Verdam -1534 middenbroec-gaal). Het
W.N.T. vermeldt: onvruchtbare plaats in akker en weiland,
natte en modderige plaats. Eng. galls en gauls en hoog
duits Wassergalle. Mansion zegt: galle = onvruchtbare
plek in een akker. Hij verwijst naar het Bremer dialekt
dat Gühl kent als “niedriger Grund, durch ein Wasserlaub
geht”. Veel voorkomende vormen met Unlaut zijn gel, gehl,
gole, göhle en gal, steeds met de “keel” als bijvorm.
(..) (Hs-146). Inderdaad is het Middegaal een
laaggelegen gebied.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
In 1189 wordt in Noord Brabant een ‘gala’ vermeld.
Ofschoon er een Brabantse plantenaam ‘hete gaal’ is, zal
eerder aan een lo-naam gedacht moeten worden. Het eerste
deel blijft dan onduidelijk.
Of is het een samenstelling van ‘a’ en het germ. *gal =
zingen, razen, het zingende of razende water. Aangezien
vogelnamen dit suffix vaker vertonen is te overwegen er
een aanduiding voor vogel in te zien. In dat geval zou
‘gaal’ vogelwater betekenen.
Een relatie met de PN Gale of Galo, een vleinaam bij
Galbrecht en Galfrid, is ook niet uitgesloten. In
Galder lijkt het element ‘gal’ afgeleid van *gald - haru
= onvruchtbare hoogterug, vgl. het mnl. gelde of het ohd.
galt = onvruchtbaar. Bij de Peesgal of Pesegal onder
Lieshout lagen de Lieshoutse beemden. Dit gebied werd in
1246 definitief eigendom van de monniken van Floreffe,
later Postel. De ‘piscaria de Dunouwen et Pesegal’
duidt op oude visrechten. (v.Berkel & Samplonius
1989:62; de Vries 1962:61; Buiks 1988 dl.21:8; Knoop &
Merkelbach 1987:56.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 19 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen, op Middegaels Broekje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
groesvelt aent middegaelsbroekje de hoef [GVEI2-14
(1778)]
middegaalsbroek [GVIIEI3 (1792)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging, wellicht is het middegaalsbrugje
bedoeld (zie middegaalsbrugje);
benoeming naar de ligging; vermoedelijk gaat het om een
verschrijving voor middegaalsbrugje.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Broek: algemeen wordt aangenomen dat het een afleiding
is van het germ. * brôka, wat staat voor moerassig en
laaggelegen land. Het komt in de cijnskring frequent
voor zowel als element in diverse samenstellingen als in
de namen van enkele hoeven die ‘ten Broeke’ worden
genoemd. Door geschikte afwateringsmethoden zijn veel
broeken vanaf de middeleeuwen tot hooilanden omgevormd,
vandaar de secundaire betekenis van laaggelegen
hooilanden i.c. een ontwaterd moeras. De vroegere natte
veengronden waren geschikt voor de klot- of turfwinning.
Onder ‘broek’ verstaat men nu de moerassige oevers van
een riviertje met rijke onkruidvegetatie, vooral in het
najaar, maar ook gedurende de winter en het voorjaar
deels bedekt met water. Niet zelden groeiden er wilgen
waarvan de tenen voor het maken van allerlei vlechtwerk
werden gebruikt. De broekgronden hadden een economische
waarde.
Gijsseling 1954; Molemans 1976:214; Buiks 1986 DL.19:14;
Trommelen 1994:150.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 18, 19 |
|
Opmerkingen:
|
Er is geen sprake van een verschrijving voor Middegaals
Brugje. Het Middegaals Broekje heeft echt bestaan.
|
|
Naam:
|
Middelste Eeusel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
't
Middelste eeusel en merrie grevenbemt [GVEI2-110
(1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op meerdere plaatsen. Benoeming naar de ligging
tussen andere percelen. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 14 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Mostervelt, Mostaert |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Land
den mostart in die hantfoert [Hs- (1519-1538)]
de
mostaart, watersteegt, hantfoortse tiende in heselaar
[Hs- (1600)]
de
mostaart, watersteegt, hantfoortse tiende in heselaar
[RAV159-72v (1744)]; de mosterd [N (1862)]; A 584 (b:
64.20).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op de Koolekampen en mogelijk op andere plaatsen.
Benoeming naar de teelt.
Brassica, nigra, mosterd of zwarte mosterd. Het twaalfde
geslacht onzer inlandse
Crueijeren heet Sinapis (mosterd). Thlasp: Arvense,
gemeene Boerekers ..... wilde
mosterd (wilde mosterd ook als volksnaam voor
mierikswortel en voor zandkool)
(W.N.T.
-1169). Mogelijk ook benoeming naar persoonsnaam vgl.
Gerit Mostart, 1411,
hoeve Sweenslake (lijstfam. Veghel).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 5. perceel nr. 2 en 6 lagen aan het
Mostertvelt |
|
Opmerkingen:
|
Op zijtaart (zie deel Baecxhoeve) was de Mostert Acker
in 1406 in handen van een persoon genaamd Mostaert. Ik
neem aan dat ook hier de veldnaam is afgeleid van een
persoonsnaam.
|
|
Naam:
|
aan Mullestraat (Molenstraat) |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
huis aen de moelenstraet [Mrv25-13 (1548)]
gelegen te veghel in de molestraet [N (1823)]
molenstraat tot 1914, daarna stationsstraat, 1936 weer
gedeeltelijk molenstraat [V.-]; tegenwoordige
molenwieken en molenstraat [Mh- (1954)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Straat in het dorpscentrum. Benoeming naar de ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 28 |
|
Opmerkingen:
|
Straat die naar de molen leidde. |
|
Naam:
|
Rokersveltje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 4 grensde aan het Rokersveltje |
|
Opmerkingen:
|
Mogelijk afgeleid van een persoonsnaam.
|
|
Naam:
|
St. Peters stock, het Stocxken |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
hoijbemdeken tot vechel teijnen het lant aen st. peters
stoxken gelegen [N (1659)]
huis
aen St. Pieters stock [RAV95-13 (1709)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Een
stock is een veldkapelleke met offerblok. Onbekende
ligging. Benoeming naar Sint Peter, Sint Petrus; een
Sint Petrusgilde is in Veghel niet meer bekend. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 28 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Streep |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een
langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een
vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in
de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een
deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door
Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element
‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen
beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in
kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een
groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk,
vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen. (Buiks
1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman 1956:223;
Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius 1989:174.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 23
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
De Vier Uitersten |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
huis bestaande in vier woningen met het bijgeleege land,
hooven en geregtigheden
geleegen te veghel aan het heselaar genaamd de vier
uiterste [N (1820)]
de
vier uitersten in de koolekampen [N (1864)]; A 588-594 (hu
etc: 76.80).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benaming voor een huis, bestaande uit vier woningen in
de Kolenkampen. "De vier
uitersten", de vier uitersten van den mensch zijn: de
dood, het oordeel, de hel en de
hemelsche glorie (W.N.T. -576). Blijkbaar gaat het hier
om een uiting van volkshumor.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 23 |
|
Opmerkingen:
|
De oudst gevonden vermelding dateert uit 1820. Naam
gegeven door een toenmalige eigenaar, mogelijk
geïnspireerd door de vier woningen.
|
|
Naam:
|
bij, op de Watersteegt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Geerbuenders op watersteeg [Hs- (1542)]
het
eusselvelt gelegen op de watersteegt [Hs(1697)]
een
seeckere buender hoijvelts gelegen op de watersteegt [N
(1711)]
de
watersteeg [kad. (1832)]; B 951-1020 (w: 24.86.26; b:
1.99.50; og: 44.10)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend aan de oostzijde van de weg naar
Vorstenbosch, vanaf de voormalige
Hemelsteeg (nu fietsroute vanaf de populierlaan de wijk
de Bunders in) tot aan het
vroegere Venssteegje (nu zandweg genaamd het Ven).
Benoeming naar de lage ligging;
het
gebied zal drassig geweest zijn. Tevens de oude benaming
voor Populierlaan en de
Vorstenbossche weg (onder Vorstenbosch, gemeente
Nistelrode, is de naam Watersteeg
nog
in gebruik voor de weg van Vorstenbosch naar Veghel).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 4-18 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|