|
Naam:
|
Akert |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
loco
dicto die akart [Hs-4 (+/- 1380)]
ad
locum dictum op Akert in loco dicto die snelvenne [Hs-4
(+/- 1390)]
twee
streepen land int akart [BP 1190-182v (1417)]
akart [GVEIIE2-39 (+/- 1500)]
twee
stucken in d’akert aent Snelven [GVE15-45 (1624)
lant
de steen int aeckert [GVE2-120 (1702)]
‘t
boekstuk bij akart [GVE13 (1792)]
de
akert [kad. (1832)], [V.]; D 311-339 (bo: 15.29.70; wa:
25.60)
het
akert [N (1839)]; D 339 (bo: 3.51.50)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Waarschijnlijk is akart en aeckert een samenvatting van
aa-akkers
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
In ‘Akert’ is het bekende t-suffix herkenbaar als
verzamelnaam van akker. De oudste vermelding van ‘akker’
komt voor in het Fragmentum Bladiniense uit de 9e eeuw.
Akker wordt geïnterpreteerd als: bouwland behorend bij
de dorpsgemeenschap. Deze omschrijving slaat op de
bekende dorpsakkers c.q. gehuchtakkers. Ook is gedacht
aan de betekenis van ‘het omheinde veld’. Er wordt een
verband verondersteld tussen frequentie van akkernamen
en bevolkingsdichtheid in het oude Toxandrië. Volgens
Molemans zouden akkernamen het meest voorkomen op de
oevers van de Weerijs met de zijbeken en langs de
Dommel. In de zuidelijke Belgische Kempen ontbreken ze,
maar ze worden wel aangetroffen in Belgisch Limburg. Het
dichtstbevolkte deel van Toxandrië zou het
noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen en het
aansluitend Nederlands territorium omvat hebben.
In de Baronie schijnen dorpsakkers en daarmee ook
nederzettingen frequent te liggen langs Weerijs en Mark.
Akker, kouter en es dekken aanvankelijk hetzelfde
begrip, nl. het gemeenschappelijk ingesloten bouwland
van een bevolkingsgroep.
In het oosten van Nederland kunnen twee hoofdgroepen in
de bebouwingswijze onderscheiden worden, nl. grote
aaneengesloten akkercomplexen en kleine met bomen en
akkermaalshout omgeven stukken akkerland in de vorm van
‘kampen’. Binnen de dorpsakkers waren geen heggen of
wallen. De scheiding tussen de percelen moest met
ploegvoren, scheikeien of bomen worden aangegeven. In
Belgische toponymische studies over het zuiden van het
oude hertogdom Brabant wordt regelmatig gesteld dat rond
het gebruik van de dorpsakkers in de zgn.
dorpskeurboeken regels waren opgesteld.
Akkernamen komen in de cijnskring Helmond frequent
voor, zowel met voor- als achtervoegsels, met persoons-,
flora- en faunanamen [redactie].
(Helsen 1952:127; Lindemans 1940-1954 dl.3;
Gijsseling 1978, Buiks 1990:47; Helsen & Helsen 1978; De
Vries 1958; Molemans 1977; Slicher van Bath 1944:2;
Buiks 1983 dl.2:28)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-5, 7, 9-11 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Armenlant |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen vermeld geen specifieke locaties voor deze
veldnaam. |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Samenstellingen met armen - wijzen op goederen die
eigendom waren of zijn van de COO, vroeger Tafel van de
H. Geest genoemd.
In
de 19e - 20e eeuw zijn de H. Geest - door de
armentoponiemen verdrongen (Molemans, 1976a, blz. 75).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1b |
|
Opmerkingen:
|
Bezit van de Armen, ofwel de Tafel van de Heilige Geest
van Veghel, totdat Antonij Lambers van Hoof dit perceel
op 24 juli 1749 kocht.
|
|
Naam:
|
Buntacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Den
bundteeker [GVEI5-20 (1624)]
landt de schoer en buntaeker op Ham [GVEI2-163 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op het Ham. Onbekende ligging op het
Ham. Benoeming naar rietachtige grassoort (W.N.T.).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Bent of bunt is een harde grassoort (Molinia en
Corynephorus). Moerman verklaart ‘bunt’ in de richting
van ingesloten of omtuind stuk grond. Bun of bunne is
afgeleid van het mnl. buun, bune = gevlochten heg; of
moet de herkomst gezocht worden bij het germ. * bunjô =
verhoging of hoogte? In onze streken is bentgras of
buntgras de volkse benaming van Pijpestrootje, een
grassoort met lange stengels en in ruige pollen
groeiend. Het verdringt op veel heidevelden de
struikheide. De plant groeit zowel op vochtige als droge
plekken. Buntgras is een zodevormende grassoort (familie
Graminae) met borstelige, grijsgroene bladeren en
zilvergrijze, vaak roodachtig aangelopen pluimen,
waarvan de takken tijdens de bloei uitgespreid staan. In
Nederland en België komt deze soort voor op dorre open
zandgrond en stuifzanden. Bunsland moet misschien ook
tot deze categorie gerekend worden [redactie].
Moerman 1956:35, 44; Buiks 1983 dl.4:83;v.Berkel &
Samplonius 1989:28; WP 1975 dl.dl.4:696.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 26 |
|
Opmerkingen:
|
|
|
Naam:
|
Boeckt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Sita
in prochia de Vechel ad locum dictum op die boect [GVIE2
(1438)]
de
boekt [Hs(1682)]
lant
en venneke op de boekt [GVE12 (1778)]
de
boekt [N. (1874, 1884, 1892)]; D 57 (b: 37.90), 211 (b:
27.10), 222 (b: 78.20).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Een
groot deel van het huidige Veghel-Zuid, oostelijk van de
Aa droeg van oudsher deze
naam.
Het winkelcentrum ter plaatse is ernaar genoemd.
Plaats waar beuken groeien. Boek = beuk. De -t- duidt op
de kollektieve suffix (Hs-).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Varianten met een verzamelsuffix zijn o.a. Boekt en Bokt
en met een tot de lo-formatie behorende uitgang, nl. -el
in bv. Beukel.
Beuken groeien het beste op leemhoudende vochtige
gronden. Het element kan zijn afgeleid van het germ. *
boko mnl. boeke, boucke = beuk (Fagus silvatica). De
beuk komt zo\wel in het wild als aangeplant voor. De
vormen met een verzamelsuffix -t herinneren ons aan
middeleeuwse ontginningsactiviteiten, waarbij de
ontbossing van het gemengde eiken- en beukenbosarsenaal
ter hand werd genomen om meer cultuurgrond voor de
akkerbouw te creëren. Deze vorm van ontbossing is al in
de vroege middeleeuwen ingezet en naarmate de bevolking
toenam werd die intensiever [redactie].
(Buiks 1990:56; Helsen 1978:126.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Havelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Uuyt
erffenissen aen dat havelt gelegen [GVIE2 (1443)]
in
die nederboect aent havelt Hs- (1519-1538)]
zijnen hoff ende lant aen't havelt [GVE15-33 (1624)]
uytten aabempt aen't havent [HH163-2 (1714-1783)]
hertgang 't havelt [GVE12-107 (1778)]
het
haveld [kad. (1832)]; D 1131-1256
het
haveld [N. (1883)]; D 1231 (b: 45.10)
In
't goet te hanvelt [BP1184-182v (1405)]
die
hoeve te hanevelt en die hoeve te hanenvelt [BP1208-229v
(1439)]
huis
die hovel aent haenvelt [Hs- (± 1495)]
sitis in prochia de Vechel ad locum dictum aent haenvelt
[GVIDI-3 (1532)]
't
goed van Haneveldt [Mrv1325-4 (1633)]
't
goed van Hanevelt, Vechel, genaemt de Lankveltse hoeve
[Mr92-72 (1780)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Buurtschap en gebied aan de oostzijde van de dorpskom,
zuidelijk van de weg naar Erp. Misschien een nevenvorm
van of ontstaan uit het toponiem Davelaar (zie Davelaar).
Op grond van bovenstaande opgave zou men gelijkenis
verwachten met Hamveld. Maar 't Havelt en 't Ham zijn
twee onderscheiden stukken grond. De namen zijn nog
algemeen bekend. Misschien is een etymologie oorspr.
hovevelt aanvaardbaar. Bij contractie (korte -e- staat
tussen gelijke consonanten) ontstaat hovelt. In
dialectische uitspraak misschien vervormd tot Havelt.
Bij deze constructie zou eveneens een naam "Hoffelt" of
"haffelt" mogelijk zijn. Een tweede mogelijkheid is
wellicht een vorm: ho-veld, een hoog veld.
Haanveld is vermoedelijk
identiek met het Hamvelt. Het eerste lid kan ook een
persoonsnaam zijn vgl. Henrick Willem die Haan 1431 (Kl.V.P.
-103v).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Hanvelt (Leenboeken 1312)
Soms staan haantoponiemen in verband met de cijns die op
het betreffende perceel rustte, een haan. Meestal echter
moest de cijnsplichtige kapoenen, ganzen of hoenders
leveren aan de cijnsheffer.
Ook kan het afleiding van een familienaam zijn, nl. de
familie Hanen, die verspreid voorkwam in de cijnskring.
Haannamen kunnen ook refereren aan plaatsen waar
hanengevechten werden gehouden of aan plaatsen waar
korhanen of patrijshanen voor kwamen. Het baltsen van
korhanen in het voorjaar gebeurde op speciale plekken op
de heide. Dit spectaculaire gebeuren in de vroege
ochtend zal niet onopgemerkt zijn gebleven. Korhoenders
komen voor in de overgangsgebieden tussen open
heidevelden en bossen en op de randen van de akkers,
moerasgebieden en broekgronden. De aanwezigheid van
bomen, bij voorkeur in verspreide lage bosjes grenzend
aan open plekken, ontstaan door afbranding, was
essentieel voor hun biotoop. De vogels fourageerden
daarbij op de (kleinschalige) akkers en broedden op de
heide. Benamingen naar vogelnamen komen in de toponymie
frequent voor.
De Vlierdense Haanakker is waarschijnlijk een
verbasterde vorm van de Hagenakker. Zo kan Handelaar
onder Kalmthout gevormd zijn vanuit Haanlaar.
Knippenberg 1954:106; Buiks 1990:99; Trommelen 1994:236;
Buiks & Leenders 1993 dl.3:313; Beijers 1992:146.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 12-16, 19, 23-25 |
|
Opmerkingen:
|
Een iets oudere vermelding dan die gesignaleerd door
Beijers en Van Bussel is de persoonsnaam Willem van
Hanevelt vermeld in de uitgiftebrief van Jekschot in
1311. Havelt is waarschijnlijk een evolutie uit Hanevelt.
De verklaringen gegeven door Cornelissen zijn niet
overtuigend. Beijers en Van Bussel wijzen op de
mogelijkheid van een “cijnshaan”. Daarvoor bestaan geen
aanwijzingen. Blijven over: verwijzing naar een vogel,
of een persoonsnaam (of een onbekende andere
verklaring). Vernoeming van een gebied of perceel naar
een vogel was zeldzaam en vernoeming naar een persoon
gebruikelijk, zodat de verklaring “vernoeming naar een
persoon” de voorkeur verdient.
|
|
Naam:
|
Heuvelacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Den
grooten heuvelecker [GVEI5-35 (1624)].
Den
cleijnen heuvelecker [GVEI5-35 (1624)].
Heuvelakker, leege boekt [GVIIE13 (1792)]; een perceel
bouwland gelegen te Veghel op het havelt genaamd den
heuvelakker [N (1824)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op het Havelt, waarschijnlijk nabij de
Heuvel. Benoeming naar de
ligging
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Heuvel
komt voor als benaming voor een verhoging in het
landschap met als nevenvormen hovel, huffel, huvel en
hoevel. Vaak liggen de heuvel-toponiemen in het centrale
gedeelte van een nederzetting of bij oude grenspunten.
Het kan ook een benaming zijn voor afzonderlijke
percelen. Men vermoedt dat het afkomstig is van het germ.
* hugila = heuvel, welving van lokale omvang. De heuvel
is niet per definitie het centrale dorpsplein, niet
altijd driehoekig van vorm en helemaal niet Frankisch
van oorsprong, zoals in het verleden gedacht werd. De
mening van Trommelen als zou ‘heuvel’ wijzen op een
verzameling van enkele boerderijen die dicht opeen
stonden, lijkt ons twijfelachtig [redactie].
Buiks 1992:102; Trommelen 1994:282; Buiks & Leenders
1993 dl.2:140; Moerman 1956:98; Schönfeld 1949:37; de
Bont 1969:59.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 24 was de Lange (of Grote) Heuvelacker en
nr. 25 de Korte (of Kleine) Heuvelacker |
|
Opmerkingen:
|
|
|
Naam:
|
Hontstart |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
hontstae(r)t, nederboekt [Hs- (1532)]
hondstertje of hondstaet, leege boekt naast gijsenakker
bij hendriek geert roef [Hs- (1590)]
van
heilige geest lant den honstart int akert [GVE15-34
(1624)]
lant
den hontstaert op de boekt [GVE12-117 (1778)]
de
hondstaart [N (1841, 1885, 1920, V.-]; A 1014 (b:
47.70), 1044 (ho: 1.28.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging in het Dorshout, tevens onbekende ligging op de
lage boekt. Benoeming naar de
vorm. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1a, 8-11 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar de vorm (de lang smalle strook van perceel
nr. 2) |
|
Naam:
|
Hurkmans Acker, Harckmans Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Hurkmansakker, akert [GVIIE13 (1792)]
hurkmansakker in het Akert [N (1871)]; D 331 (b: 50.80).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Het
eerste lid is een in de streek nog algemeen voorkomende
persoonsnaam.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2, 3a |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1722. |
|
Naam:
|
Jan Aert Faesse Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 18 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1702. |
|
Naam:
|
Creugestraet |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Groes aen de creugestraet [GVEI2-33 (1778)]
creugherstraat, havelt [GVIIE13 (1792)]
de
kruigestraat [kad. (1832)]; D 340-369
de
kreugestraat [N (1839)]; D 362-371 (hu.,schu., erf, b en
w: 3.64.00)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied nabij het Havelt. Het eerste lid is wellicht 'kruigen"
dialect voor "kruiwagen".
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 18 en 19b lagen in de Creugestraet,
perceel nrs. 12-15 en 17 grensden aan de Kreugestraat.
|
|
Opmerkingen:
|
De verklaring van Cornelissen overtuigt niet. Het is
moeilijk om een kruiwagen met deze weg in verband te
brengen. De weg lijkt niet zo smal dat die alleen met
een kruiwagen begaanbaar was.
|
|
Naam:
|
Lankveldse Hoeve, Hoeve Lankveld |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Die hoeve te lancvelt
en die hoeve te hanenvelt [BP1208-229v (1439)]
het langvelt op het
havelt [Ms-]
't goed te lanckvelt in
erpe en vechel op ham [Mr1325-67 (1633)]
eeusel aent lankvelt
[GVE12-102v (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 15, 19a. Perceel nr. 16 grensde aan de
Lankveldse Hoeve |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar de vorm van een bepaald veld. Later
overgegaan op een groter gebied. Vermoedelijk was het
oorspronkelijke uitgegeven Lange Velt perceel 2, 4 t/m
13 en een groot deel van 't aangelegen gebied De Eeusels.
Zie
de
toelichting bij deel
Eeusels.
|
|
Naam:
|
Nelis Wouters Streep |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 8, 9 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1722. |
|
Naam:
|
Schoot |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
schoot (scoet) havelt in lankvelt [Hs- (1531)]
hooywas int achoot, land int schoot ('t goet 't haenvelt)
[Mr1322-65 (± 1608)]
de
schoot agter ham [RAV158-85 (1730)]
teulland en kanten houtwas gelegen op het ham genaamd de
schut [N (1816)]
de
schoot [N (1876, 1891, 1895)]; D 952 (b: 96.70), 954 (b:
91.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Scho(o)t beboste hoek zandgrond, uitspringend in een
moerassig terrein. Diverse
nuanceringen zijn mogelijk (M. Top. Valk. -110).
Ligging op het Ham. "Schootakker"; afgeperkte akker, mnl.
schoot, schot "het schutten
van
vee"
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Een ‘schoot’ is in het algemeen een beboste hoek
zandgrond uitspringend in een moerassig terrein of een
afgesloten stuk grond, een omheinde ruimte voor vee of
een ‘zoom’ of afgedamde waterplas. Bij de laatste
verklaring gaat het vnl. om het woord ‘schut’. In het
Angelsaksische taalgebied wordt een deel van de
schootnamen gevormd met plant- of boomnamen, terwijl in
onze streken combinaties met diernamen frequent
voorkomen. Een combinatie met een persoonsnaam wordt
zelden aangetroffen.
Sommige ‘schoten’ vindt men in nederzettings- en
gehuchtnamen terug. Men vermoedt hierin een afleiding
van het germ. * skauta. De schoot-namen zijn bijzonder
talrijk in de Belgische provincies Antwerpen en Kempen.
Het mnl. schot of schut kan een plaats zijn waar men
iets bergt of in veiligheid brengt, zoals een
varkenschot of een schutskooi, waarin het buiten het
weidegebied rondlopende vee werd ‘opgeborgen’.
Soms komen ‘schoot’-namen voor, die een andere
oorsprong hebben. Smulders geeft het voorbeeld van
Enschot, wat in de 14de eeuw ‘Enschit’ of
‘Enscyt’ heet en waarbij gedacht moet worden aan een
samenstelling van einde + scheiding, een grensgebied. De
grens tussen Oost- en West-Tilburg zou midden door
Enschot gelopen kunnen hebben.
Theuws wijst erop dat nederzettingsnamen die eindigen op
-donk of -schoot zich vnl. bevinden in de diffuus
bewoonde gebieden, bewoonbare plekken van beperkte
omvang met een perifere ligging. Het element ‘schut’ kan
ook staan voor grondeigendommen van het plaatselijke
schuttersgilde wat in de volksmond vaak werd aangeduid
met ‘de schut’. Denk bv. aan namen als de Schutsakker en
de Schutsboom.
de Bont 1969; Helsen 1978; Molemans 1977; Buiks
1990:178; Ekwall 1974:407; Buiks 1992:47,49; Gijsseling
1960; Moerman 1956:205; Smulders 1955:126; Theuws
1988:179.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 26 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Somerloect, Somerlaet, Somerland |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
loco dicto in dat sonderlake [Hs- (± 1390)]
ad
locum dictum dat zonderlaer [Hs(1390-1395)]
int
sonderlaer [BPI201-191 (1430)]; sonderlaet havelt [Hs-
(1542)]
land
over die strate in sonderlair [Mr1322-65 (± 1608)]
het
sommerlaet vechel, gespleten van de hoeve genaemt
lanckvelt [MrI325-148 (1645)]
het
soomerlaat, havelt [GVE2-147 (1702)]
't
somerland [Mr1333-84 (1726)]; het zomerland [Mrv92-92v
(1770)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het gebied Havelt/Ham. Dit toponiem
komt in zeer veel varianten
aan:
de oudste spellingen zijn Sonderlake en Sonderlaer,
zodat het redelijk lijkt deze als
grondvormen aan te nemen; de vele latere varianten
zullen het gevolg zijn van een
verdwijnen van het begrip van de oorspronkelijke
benaming.
"Zonder"
kan de betekenis hebbenvan "afgeperkt" (vgl. afzonderen).
Het zal wel niet mogelijk zijn om dit "zonder" uit te
leggen als een verouderde vorm van "zuid", zoals
Schönfeld vermeldt voor de plaatsnamen Zonderwijk en
Zonderveld (Hs-225). Het laatste veronderstelling is
mogelijk toch de juiste: het gebied Havelt/Ham ligt min
of meer zuidelijk van de dorpskom.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Zonder duidt op een gereserveerd, afgesloten,
afgezonderd gebied dat aan de vrije bebouwing onttrokken
werd en diende voor de jacht, houtkap of ontginning.
Hetzelfde begrip wordt uitgedrukt in een naam als
Zondereigen, wat een afgezonderd eigen allodium was. Ook
in duitstalige publikaties treft men het regelmatig aan
in de betekenis van: van de markegrond afgescheiden
delen, meestal bos.
Buiks 1986 dl.20:68; Trommelen 1994:429; Prims 1964:120.
Look: Dit element is afgeleid van het mnl. luken of
loken met als betekenis (1) afsluiten of omheinen en (2)
omheinde ruimte i.c. een door een gracht of houtkanten
omsloten perceel. Verwant hieraan lijkt ‘blok’ en in
andere samenstellingen het element ‘kamp’. De looknamen
verwijzen naar uit heide ontgonnen percelen in
particulier bezit. In de cijnskring lijkt het een
algemene aanduiding voor iemands grondeigendom, m.n.
toegespitst op huis, schuur, erf en aanliggende
percelen. De meeste samenstellingen bestaan uit een vorm
van ‘loken’ in combinatie met een FN of PN [redactie].
Het mnl. lochtuun, wat later lochten en lochting werd,
is bekend in de betekenis van moestuin of hof. De
grondvorm van lochten is ‘looktuin’, waarin het mnl.
loke, loicke = omheinde ruimte en het mnl. tuun =
omheining van vlechtwerk van teenwilgen doorklinkt.
In dialekten zou ‘locht’ ook voorkomen in de betekenis
van ‘licht’, een onvruchtbaar en zanderig stuk grond.
Een lochtenberg zou een zandige hoogte, misschien kaal
en onbegroeid, zijn. Lochte grond is slechte,
onvruchtbare zandgrond. In sommige plaatsen van de
cijnskring bestaat de uitdrukking ‘het is maar lochte
timmer’, verwijzend naar de slechte staat van iets,
mindere kwaliteit [redactie].
Helsen 1978; Molemans 1976:209,1067; Buiks 1984 dl.8:52;
Molemans 1970:13; v.Berkel & Samplonius 1989:112.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 19a |
|
Opmerkingen:
|
De oudste vorm was Sonderlookt. Beide elementen “Sonder-“
en “-lookt” hebben een verwante betekenis van een
afgezonderd en omsloten perceel. Het werd vermoedelijk
omheind bij de uitgifte in 1190-1314, om te voorkomen
dat passanten over het perceel liepen.
|
|
Naam:
|
Streep |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een
langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een
vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in
de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een
deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door
Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element
‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen
beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in
kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een
groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk,
vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen. (Buiks
1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman 1956:223;
Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius 1989:174.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 5, 10, 11 |
|
Opmerkingen:
|
|
|
Naam:
|
Suermonts Hoeve |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Suermonts hoeve [GVEI2-155 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 12, 13 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1603. |
|
Naam:
|
Velgt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Lant
op die gheen verchten [Hs- (385)]
lant
op gheen verchten [Hs- )+/- 1500)]
noch
uuyt een kempken lants geheyten dat groet kempken
gelegen in die prochie van vechel in gheen akert d’een
syde een stuck lants geheyten die vercht [GVIDI (1512)]
de
vellicht in d’akert [GVE15-35 (1624)
lant
de velligt [GVE12-151 (1778)]
een
perceel bouwland gelegen te veghel op het akert genaamd
de velgt [N (1824)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het Akert. Cornelissen geeft geen
verklaring voor deze veldnaam. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 5, 6. De velnaam kwam ook aan de overkant
van de weg voor. Zie de
toponiemen van deel
Schijfelaar.
|
|
Opmerkingen:
|
De
evolutie van de naam was Vercht => Velgt. De suffix –t
kan op een collectief duiden met als eerste lif “verg-“.
De betekenis van Verg- of Vergt is onduidelijk.
Perceel nr. 6 wordt in het verpondingsboek van 1777
Veldje genoemd. Vermoedelijk is dat hier een
verschrijving van Velgt.
|
|