Zuid-Willemsvaart - toponiemen

  

Naam:

 

De Dubbele

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De Dubbele [kad. (1832)]; F 367-471

 

nagras wassende te Veghel in het Dubbele [N (1862)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Groot voormalig heidegebied tussen Veghel en Eerde, tegenwoordig industrieterrein, mogelijk ontstond deze naam, nadat de Zuid-Willemsvaart die het gebied doorsneed, aangelegd was. Het grote aaneengesloten heidegebied werd daardoor in twee, van elkaar geïsoleerde delen gesplitst.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Beijers en Van Bussel vermelde "dubbelen in eerde" (1370) en "eirde in dubbelen" (1408). Afgeleid van het ww. dobben, dubben = onderdompelen of uitdiepen. In combinatie met het suffix -el wordt het als waternaam gebruikt. Dobbe in plaatsnamen kan betrekking hebben op leem- en kleigroeven, maar ook op kolken of drinkplaatsen. Verwant met ‘dub’ is ‘diever’, in verkorte vorm ‘dief’, wat waterrijke lage streek betekent. De verlenging van dobbe tot dobbel en dubbe tot dubbel kan vergeleken worden met die van tomme naar tommel. Later kan een volksetymolgische associatie met het adjectief dubbel/dobbel in de betekenis van ‘tweemaal zo groot’ hebben plaats gehad. In dit geval zou ‘den dubbelen’ op substantivering kunnen wijzen. Dobbelaar zou dan verklaard kunnen worden als een laar in de buurt van een waterijke en laaggelegen streek. Moerman 1956:57; Molemans 1976:265.

 

Ligging:

 

De Dubbelen was gemeentegrond tussen het Dorshout en Eerde. In het kadaster 1832 gebruikt als klampnaam voor een strook percelen langs de Zuid-Willemsvaart, perceel nrs. 10-20.

 

Opmerkingen:

 

De door Cornelissen voorgestelde verklaring voldoet niet omdat de naam al in de veertiende eeuw vermeld wordt..

 

 

 

 

Naam:

 

Eertse voetpad

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Den eerdschen padt het vorste en achterste dorhout met de hoogeinden [Me-4/103-104]

 

de eerdse pad in de Putten [N (1871)]; A 1514-1516 (w en hh: 73.90)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Percelen gelegen aan de voetpad naar Eerde (Eerdse pad) in het gedeelte in het gebied de Putten, waar zich nu de Bloemenwijk bevindt. De percelen lagen ingeklemd tussen de weg naar Eerde en een voetpad, die iets meer noordelijk parallel daaraan eveneens naar Eerde liep. Van deze zeer oude pad resteert nog het meest westelijke deel bij Eerde, dat nog altijd de naam Boterpad draagt.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1-8 grenzden “aan den Eerdsen pad”.

Opmerkingen:

 

Het Eertse Voetpat wordt ook genoemd in deel Heikopen.

 

 

 

Naam:

 

De Strooken

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De strooken [kad (1832)]; A876-902

 

een perceel bouw- en weiland gelegen te Veghel in de strooken van het dorshouts dubbelen [N (1840, 1842)]; A 895, 896 (b en w: 54.60)

 

de stroken [N (1871, 1884, 1891), V.-]; A 864-865 (he: 22.96.80; w: 22.47.90), 867-869 (he: 32.87.00; w: 22.59.00), 877 (w. 60.10), F 455 (ged.) w: 21.49.30)

 

de stroke [V.-]; A 840 (ho: 84.00)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggend aan de oostzijde van de Zuid-Willemsvaart grenzend aan het Oost-Dubbele, incidenteel ook voor percelen aan de andere zijde van de Zuid-Willemsvaart in ‘t Dubbele onder Eerde. Benoeming baar de vorm: een lange reeks percelen, liggend in een “strook” langs de Zuid-Willemsvaart.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 21-28. In het kadaster 1832 gebruikt als klampnaam voor een strook percelen langs de Zuid-Willemsvaart.

 

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

De Putten

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Eenen acker bouwland genaemd de putten te veghel aen het broek [N (1660)]

 

landt ‘t heufke en ½ van 2 heyvelde in de putten [GVE12-290 (1778)

 

de putten [kad. (1832)]; A 1331-1370, 1372-1484, 1486-1552, F 472-516

 

de putten [N (1835, 1836, 1871) V.-]; A 1355 (tu: 02.72) 1534 (w: 37.90), 1539-1540 (b en w: 1,05.60), E 1296-1297 (w: 68.30); b: 25.80); de putte [V.-}; E 1288-1290 (mo: 33.40)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied oostelijk van de Hoogeinden, aan weerszijden van de Schijndelsedijk, nu N.C.B. laan. Het is niet duidelijk om welk soort “putten” hier sprake kan zijn geweest; het gebied is tegenwoordig vrijwel geheel bebouwd; misschien ging het om “leemputten”, leem wordt in de Veghelse boden wel aangetroffen. Of bestond het hele gebied uit weinig bruikbare grond?

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Putten zijn over het algemeen door moerafgravingen ontstaan. Molemans verklaart Bonen­put als een pejoratief voor een [niet noodzakelijk laag gelegen] perceel slecht bouwland. Volgens Buiks kan men bij ‘put’ in principe aan drie betekenissen denken, nl. (1) waterput op het erf; (2) grensteken in de vorm van een kuil, soms in de vorm van twee elkaar kruisende greppels; (3) een kuil ontstaan door delfstofwinning in de zin van turfgraverij, zand-, leem- en kleiwinning. (Buiks 1990:169; Molemans 1976:181; Buiks & Leenders 1993 dl.2:141; Buiks 1986 dl.2:118; v.Berkel & Samplonius 1989:149.)

 

Ligging:

 

In het kadaster van 1832 gebruikt als klampnaam. De oorspronkelijke Putten lagen in Deel Putten, perceel nr. 71 en 72.

 

Opmerkingen:

 

Putten is een ander woord voor vennen.

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     Zuid-Willemsvaart