Zondveld Laag - toelichting op de uitgiften

1.
Perceel nr. 37

Op onderstaande kaart is de tiendkaart van Veghel geprojecteerd op de kadasterkaart van 1832. Midden op Zondveld (Zondveld Laag, perceel nr. 37) maakt de grens van de tienden een flinke instulping
naar het zuiden of beneden. Volgens de tiendkaart hoorde dit perceel niet bij de oude tienden, maar bij de novale ofwel nieuwe tienden.



Fragment van de tiendkaart van Veghel geprojecteerd op de kadasterkaart van 1832

Dit betekent dat dit perceel pas later uitgegeven is. We hebben deze uitgifte niet kunnen vinden in de administratie van de cijnzen van de hertog van Brabant, of in het rechterlijk archief van Veghel. De uitgifte zal na de uitgifte van de heerlijkheid Jekschot op 12 januari 1311 dateren. Dit perceel werd toen genoemd als het grenspunt Rudebroek. Rudebroek was de naam voor de wildernis tussen Zijtaart en Zondveld gelegen. De vermelding van Rudebroek als grenspunt bevestigt dat dit perceel in 1311 nog niet uitgegeven was. Het grootste deel van dit perceel was al uitgegeven toen in 1510 het noordelijke deel van perceel nr. 37 van de gemeente gekocht werd. Op basis van deze overwegingen dateren we de uitgifte van het zuidelijke deel van perceel nr. 37 op 1311-1510.

Het is de vraag waarom dit perceel langer wildernis is gebleven dan de aangrenzende percelen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat dit perceel drassiger of minder bruikbaar geweest zou zijn. Een plausibele verklaring is dat men tussen Hoog en Laag Zondveld een doorgang wilde houden om de wildernis gelegen tussen de uitgegeven percelen en de Jekschotse loop te bereiken, bijvoorbeeld om er schapen te laten grazen. In 1311 werd die wildernis door de hertog van Brabant met de heerlijke rechten te Jekschot aan Willem de Cruudener geschonken. Willem gaf die percelen vervolgens als leen- en cijnsgoed uit. Daarmee verviel de behoefte aan die doorgang.

Zondveld viel voor 1311 uiteen in twee geografisch gescheiden delen, het linkse of westelijke deel werd in de bronnen Laag Zondveld genoemd en het rechtse of oostelijke deel Hoog Zondveld. Voor de tienden was Hoog Zondveld weer verdeeld in twee tiendklampen, respectievelijk Midden Zondveld en Hoog Zondveld. Zie de tiendkaart hierboven voor de indeling in de drie tiendklampen.

In de eerste helft van de zestiende eeuw was Laag Zondveld in handen van slechts enkele families. perceel nrs. 3 en 9-25 was bijna helemaal in handen van Philip de Lew, en perceel nrs. 7 en 8 waren van Dirck de Lew. De Zondveldse Hoef (perceel nr. 6) was van de familie Zuermont en de Kerkcenbeemd (perceel nr. 26) van Henrick Heijmans, wiens zoon Peter dit perceel aan de Veghelse kerk zou schenken.
 


2.
In 1484 werd een perceel van 100 roeden uitgegeven van de gemeint. In de zeventiende eeuw rustte deze cijns op Zondveld Laag nr. 14.  Bij de uitgifte werd het goed omschreven als "gelegen op Ricartsfoert bij Creytenborch'. Die omschrijving maakt aannemelijk dat de cijns oorspronkelijk op perceel nr. 3 rustte. Rond 1554-1558 waren zowel perceel nr, 3 als 14 in handen van Philip de Lew. Mogelijk is de cijns van perceel nr. 3 naar perceel nr. 14 verhuisd bij de verdeling van diens goed.


3.
Vanaf 1190 betaalden lieden die een perceel van de gemeenschappelijke grond voor eigen gebruik kochten daarvoor een jaarlijkse cijns aan de landsheer. In 1314 gaf de hertog van Brabant deze cijnzen (met uitzondering van de hoendercijnzen) aan de Heer van Helmond. Cijnzen voor nieuwe uitgiften na 1314 inde de hertog hierna weer zelf. Cijnzen aan Helmond werden dus betaald voor in de periode 1190-1314 uitgegeven percelen.

Op op perceel nr. 6 rustte een cijns aan de heer van Helmond van 12 nieuwe penningen. Omgerekend volgens de gebruikelijke norm was het oorspronkelijk uitgegeven perceel 1 bunder groot. In de administratie van de heer van Helmond heeft deze cijns in de vijftiende eeuw nummer Hm-5 (oud) en vanaf de zestiende eeuw Hm-119 (nieuw). Er zijn geen aanwijzingen dat deze cijns na 1406 ooit gesplitst of verplaatst is geweest.


4.

Ook op perceel nr. 14 rustte een cijns aan de heer van Jekschot van 12 nieuwe penningen voor een in 1190-1314 uitgegeven perceel van 1 bunder. De cijns heeft nummer Hm-4 (oud) en Hm-143 (nieuw). Deze cijns is na 1406 nooit gesplitst geweest. In deze reconstructie wordt verondersteld dat deze cijns oorspronkelijk op perceel nr. 3 rustte. perceel nr. 3 en mr. 14 waren in de eerste helft van de zestiende eeuw in een hand. De oudst bekende cijnsbetalers zijn:
 

 

Cijnsbetalers:

 

Transactie en datum:

Hm-4 (oud) (1406): 12 nieuwe penningen uit het erfgoed van Denekinus van Ricoutsvoert

 

Hm-143 (nieuw)

De weduwe en 6 kinderen van Arnoldus, zoon van Welhelmus van Riocoutsvoert

 

Vermeld in 1406 en 1421

Petrus, zoon van Arnoldus Welehemusz van Ricoutsvoert

 

Verwerving in 1421-1447, vermeld in 1447

De 6 kinderen van Petrus, zoon van Arnoldus Welehemusz van Ricoutsvoert

 

Vererving in 1447-1465

 

Lambertus, zoon van Petrus, zoon van Arnoldus Wilhelmusz van Ryconsvoert

 

Vermeld in 1498

De weduwe van Lambertus, zoon van Petrus, zoon van Arnoldus Wilhelmusz van Ryconsvoert

 

Vererving in 1498-1507

 

Petrus, zoon van Lambertus

 

Verwerving ná 1507

 

 

 

Het is mogelijk dat het Hm-4 (oud) (perceel nr, 3) em Hm-5 (oud) (perceel nr. 6) eertijds een cijnsgoed gevormd hebben, gezien de vermoedelijk identieke eigenaar in 1406. (Denekinus is de Latijnse vorm van Deenken. Deenken is een verkleinwoord van Daniel). Op de kaart zijn deze twee cijnsgoederen als een blok getekend.
 

 

Het erfgoed van Denekinus van Ricoutsvoert, belast met een grondcijns van 12 nieuwe penningen aan de heer van Helmond

 
Hm-4 (oud) (1406)
Het erfgoed van Daniel, belast met een grondcijns aan Helmond van 12 nieuwe penningen (omgerekend: 0-1-14)

 

Hm-5 (oud) (1406)
 


5.
In 1340 werd een cijns aan de hertog van Brabant betaald van 1 hoen voor een in 1190-1340 uitgegeven perceel van 4 lopens groot. In 1340 was de cijns al in 2 delen gesplitst. In de bewerking van de cijnsboeken van de hertog hebben deze delen nrs. Hg-15 en Hg-16, die op een gegeven moment weer in een hand waren. Later werd de cijns opnieuw gesplitst. In de 17-de eeuw rustte een helft van deze cijns op perceel Zondveld Laag nr. 6 en een helft op goed aan de Hei (Mariaheide). In deze reconstructie nemen we aan dat het oorspronkelijk uitgegeven perceel aan de hei lag, omdat de oudste cijnsbetalers van Hg-15 en Hg-16 afwijken van de cijnsbetalers van andere cijnzen die aan perceel nr. 6 verbonden waren.

 

6.
Op perceel nr. 14 rustten verder de volgende cijnzen aan de hertog van Brabant:

Hg-100: 223 roeden uitgegeven in 1485

Hg-101: 153 roeden uitgegeven in 1485

Hg-161: 23 roeden + 7 voeten uitgegeven in 1625


Perceel nr. 14 is kleiner dan dit oppervlak. In deze reconstructie nemen we aan dat de oorspronkelijk uitgegeven grond perceel nr. 14 en een deel van nr. 16 is.


7.
Het cijnsgoed van de heer van Jekschot
 

Het cijnsboek van de heer van Jekschot van 1745-1768 geeft waarschijnlijk de meest nauwkeurige beschrijving van de Jekschotse cijnsgoederen. In het oudste cijnsboek van rond 1520 wordt het cijnsgoed vaak omschreven als het hele huiserf.
 

a.
Uit een deel van perceel nr. 7 en 8 werd een cijns betaald aan de heer van Jekschot. Vanaf het cijnsboek van 1745-1768 is ook geldcijns nr. 31 op dit goed overgegaan. Van 1734 tot 1803 zijn perceel nrs. 7 en 8 in een hand. Na de deling in 1803 wordt de cijns aan de heer van Jekschot alleennog door de eigenaar van eprceel nr. 7 betaald.

 

b.

Een andere cijns aan jekschot rustte in 1745 op perceel nrs. 32 en 33. Gezien de grootte van dit cijnsgoed, 4 bunders, nemen we aan dat deze cijns eerder ook betrekking had op perceel nr. 31.

 

c.

Geldcijns 19 en 20 en ganscijns 5, rustten op hetzelfde perceel. Het gaat om 2 bunder beemd. De reeks cijnsbetalers komen overeen met de eigenaren van perceel nr. 37. Een beschrijving uit 1604 van perceel nr,.37 noemt cijnzen aan Jekschot. Ook de omschrijving van het cijnsgoed in het cijnsboek van Jekschot van 1662-1675 lijkt naar perceel nr. 37 te wijzen. De omschrijving in het cijnsboek van Jekschot van 1745-1768 wijst echter naar perceel nr. 35. Zowel perceel nr. 35 als nr. 37 waren rond 1650 in handen van Anthonis Jan Gerarts. In deze reconstructie nemen we aan dat de cijnzen oorspronkelijk op perceel nr. 35 rustten en al voor 1604 verhuisden naar perceel nr. 37. Perceel nr. 35 was inderdaad 2 bunder groot. Bij de omschrijvingen van de cijnzen in 1745 is kennelijk gebruik gemaakt van oudere gegevens uit het archief van Jekschot.

 

Kaart van Veghel     Zondveld Laag