|
Naam:
|
Binnenvelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze naam op meerdere plaatsen in
Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Een
binnenveld is een door omliggende akkers of aangelagen
ingesloten stuk grond en enkel over deze te bereiken.
(M. Top. Valk.) |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Meestal zal het gaan om een ligging direkt bij een
hoeve. Men kan denken aan een stuk grond dat besloten
ligt tussen andere percelen en dat via het recht van
overpad voor buren bereikbaar was. In dit verband kan
ook in aanmerking komen de veldnaam ‘bijn’. Grondvorm
hiervan is bi-wunda in de betekenis van ‘omheind land’;
meer specifiek een (door koop verworven) stuk uit de
gemene gronden, vgl. d’n Bijnbeemd. Wegnamen met het
element ‘binnen’ duiden verbindingen aan die binnen of
midden in een bepaald gebied lopen. Ze zijn veelal de
kortste verbindingen tussen twee punten. Mogelijk
correspondeert ‘binnen’ ook met ‘benne’ (Buiks
1990:58; Molemans 1976:151; Molemans 1975:67; Mennen
1992:322.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 7
|
|
Opmerkingen:
|
De
verklaring van Cornelissen overtuigt niet. Bij mijn
vaders huis (Pastoor Clercxstraat 22, Zijtaart) was het
Binnenveld de akker en weilanden bij het huis gelegen,
en dat is ook bij het hier besproken Binnenveld en bij
de andere Veghelse Binnenvelden die ik op de kaart
plaatste het geval. Dit sluit aan bij de verklaring van
Beijers en Van Bussel.
|
|
Naam:
|
Dicke Stucken |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
dicke stukken, op't ven [RAV159-178v (1754)]
erf
opt Ven en tlandt genaemt de dicke stueken [GVEI2-17
(1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op het Ven. Wellicht benoeming naar de
vonn van de percelen.
|
|
Ligging:
|
Deel van perceel nrs. 6b, 9-12 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen de Heijde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dat
gelden Aert Glaeus kynder aan die heij [GVIE2 (1437)]
huis
in loco dicto aen die heye den langen ecker in loco
dicto henneberch [Hs- (1519-1538)]
aen
den hertgang de hey [GVE12-1 (1778)]
landt over 't heyke, 't campke [GVE12-30 (1778)]
de
heide [kad. (1832)]; D 361 (b: 10.50) (St.Oed.). de hei,
de heide, het heike [N (1886, 1891, V.]; B 171 (he:
9.46.20), C 5, 6 (w: 59), 399 (he: 19.72.30), E 638-640
(w: 55.40; hu: 57.00; de: 1.70.00), 692 (he: 14.72.50),
694 (he: 15.61.40), 1532, 1533 (he: 3.45.20), F 465
(he:
20.63.51).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Hei, heide werd meestal gebruikt ter
aanduiding van het tegenwoordige
Mariaheide, maar ook voor het heidegebied (vroeger van
St.Oedenrode) zuidelijk van
Eerde, en evenals "heike" voor percelen ontgonnen heide.
Anno 1832 kende Veghel nog
uitgestrekte onontgonnen heidegebieden: Hogerduinen,
Beukelaarsbroek, het Reibroek
onder Zijtaart, het Dubbele tussen Eerde en Veghel, het
Wuiten en het Vensbroekje nabij
Vorstenbosch en nog verscheidene kleinere gebieden. De
Veghelse heiden zullen meestal
laaggelegen geweest zijn. Zoals elders in de Kempen, is
heide de gangbare benaming
geworden ter aanduiding van de, meestal met heide
begroeide, gemeentelijke gronden, die
zeer
uitgestrekt waren. Andere namen ter aanduiding van deze
gemene gronden zijn Aard
(zie
Eerde), Gemeente en Vroente.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Achter elk gehucht lag destijds een uitgestrekte gemene
vroente, aard of veld, die in Brabant meestal wordt
aangeduid met ‘gemeynt’. Later werd ‘heide’ de gangbare
benaming voor deze omvangrijke gemeenschappelijke
velden, begroeid met droge heide [Erica] of met dop- of
hommelheide, de natte of platte heide. De heidevelden
hadden een economische betekenis voor de locale
agrarische bedrijfsvoering. Ze dienden als weideplaats
voor koeien en schapen geleid door een door een
buurtschap aangestelde herder of scheper. De ingezetenen
mochten op de heide turf steken, plaggen maaien en leem
uitgraven voor de huizenbouw. De talrijke vennen deden
dienst als rootputten of als visvijver. Er werd honing
gewonnen door het plaatsen van bijenkorven. Regelmatig
werden stukken van de gemeynt aan particulieren
verkocht.
De heidevelden, de onontgonnen gemeenschappelijke grond,
was begroeid met heidestruiken en andere lage vegetatie.
In Brabant was het de naam voor de gronden met een
typische flora en fauna: struikheide op de droge
gronden, dopheide op de wat nattere heidegronden samen
met gagel, jeneverbes en brem. Na ontginning kon heide
ook een perceel bouwland aanduiden dat door middel van
een omheining van levend hout uit de zgn. ‘gemene heide’
werd geïsoleerd.
Enklaar 1941; de Bont 1993:93; Molemans 1976:338;
Spierings 1984:31,32,225,226. ; Berkel & Samplonius
1989:106; Mennen 1992:53; Buiks 1990:103; Helsen
1978:119.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 7, 9-12, 16, 17, 19 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Joorden Mortel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Mortel mndl. mortele, moortel "steengruispuin,
beslagen kalk" enz. In de toponymie heeft mortel de
betekenis gekregen van wat op de eigenlijke mortel lijkt
nl. slijk, modder. Het betreft percelen die bij regenval
drassig zijn, vermoedelijk te wijten aan steensubstraat
(M. Top. van Bocholt, -170).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Mortel, mnl. morter, komt van het lat. * mortarium =
metselspecie, gruis of pulver. Als toponiem heeft het
betrekking op laaggelegen moerassige gronden.
In het westen van Brabant zouden volgens Weynen de
vormen martel, marter en mertel overheersen, terwijl
meer naar het oosten ‘mortel’ de gewone vorm is. In
België komt ‘regenmortel’ voor waarin Lindemans een
afleiding ziet van ‘reen’ = een grensaanduiding, vgl.
reengenoten. De mortelgebieden zijn modderig en
slijkerig van aard.
Moerman 1956:163; Helsen 1944:143; Lindemans 1946:114;
Dittmaier 1963:207; Buiks 1986 dl.16:92; Weynen
1965:49.
|
|
Ligging:
|
Deel van perceel nrs. 6b, 9-12 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar. |
|
Naam:
|
Startloop |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
parceel teullandt, groese, houtwasch en geregtigheden
aent ven genaemt de startloop, groot ontr. 1 ½ l., een
zijde Rombout van der Loop [RAV110-60v)]
een
groes off eeusselvelt, houtwasch en geregtigheden ter
plaatse gen't 't ven, groot ontrent 4 l. genaamt de
startloop, een eijnde 't heckegat spits uitlopende
[RAV112-101 (1797)]
de
staartloop [N (1841, 1883)]; B 674 (w: 63.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op het Ven. Benoeming naar een waterloop, die
deze naam gedragen zal hebben;
deze
waterloop heeft misschien zijn naam ontleend aan een
aangrenzend perceel met een
staartvormige uitloper.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 4 |
|
Opmerkingen:
|
Perceel lag niet aan een loop. Wel heeft het eprceel een
staartvormige uitloper. |
|
Naam:
|
opt Ven |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Zijn
twee cortte loopkens met een lang stuck in den
d'avel(laer) de braeck genaemt aent 't
ven
[GVE15-127 (1624)]
de
dicke stukken op 't ven [RAV159-178v (1754)]
het
ven [kad. (1832)]; B 620-679, 681-700, 702-704
het
venneke [N (1838, 1854, 1871, 1876, 1880, 1883)]; B 685
(w: 25.70), 686 (w: 26.80), D 219 (b en w: 40.70), 220
(b en w: 45.70), 237-239 (b en w: 1.16.40), 304 (b:
37.80); het ven [kado (1832)]; B 641 (b: 35.60).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benaming voor een grote waterplas aan de oostzijde van
de weg Veghel-Vorstenbosch.
Het
omliggende gebied (het Ven) en een zandweggetje ter
plaatse (zie Venssteegje); tevens verscheidene verspreid
liggende percelen ('t venneke). "Ven" een ven is een
natuurlijke waterplas in de heide (M. Top. Valk. -251).
Ven(neke) als benaming voor waterplas ging dan
gewoonlijk over op omliggende percelen (gebied); bij de
percelen, 't venneke is steeds sprake van de
aanwezigheid van een dergelijke (kleine) waterplas;
vooral in de omgeving van de Aa waren deze vennetjes
talrijk; ze zijn vrijwel zonder uitzondering verdwenen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Een ven is een natuurplas in de heide die zeer geschikt
was voor de klot- of turfwinning of moernering. De
vennen konden tevens dienst doen als drinkplaats voor
het vee dat op de heide gehoed werd of als vlasroot. Ook
voor de aanleg van een schans of landweer zouden vennen
ideaal geweest zijn, omdat men altijd in de omwallingen
over water beschikte. Nadat een ven was drooggelegd,
vgl. het dodeven, kon de naam overgaan op het omliggende
land. Vennen werden eveneens regelmatig gebruikt als
visvijvers. Buiks vermoedt dat veel vennen al vroeg
ontgonnen zijn, speciaal die vennen waar geen oerbank
onder zat. De Brabantse vennen vinden hun ontstaan door
depressievorming in de jongste ijstijd, maar is geen
gevolg van de landijsbedekking. Oorspronkelijk waren er
meer vennen maar ten gevolge van ontwatering, die reeds
in de middeleeuwen begon, zijn er veel drooggevallen en
deels als cultuurgrond in gebruik genomen. De waterstand
in de vennen zal in het algemeen dezelfde zijn als die
van het grondwater in de omgeving. Als vlak onder de
bodem van het ven een leemlaag voorkomt of als op de
bodem van het ven een nagenoeg ondoorlatende humeuze
laag of veenlaag ligt, zal de waterstand hoger zijn dan
het grondwater in de omgeving. Men spreekt dan van een
schijnspiegel. Vennen die veen bevatten werden door de
plaatselijke bevolking verveend. De zandruggen rondom
die oude vennen vormden een aantrekkelijke
verblijfplaats voor de prehistorische bevolking.
Gijsseling 1954:106; Buiks 1984 dl.10:77; Bisschops
1973; vd Toorn 1967.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-17, 19, 20 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Venacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Die
venacker in den ham [BP1185-308v (1408)]
ene
stuck lants geheiten die venacker [GVIE2 (1506)]
't
landt den venacker [GVE12-17 (1778)]
de
venakker in de heivelden [N (1892)]; A 129 (b en w:
49.40), 131 (b en w: 34.70).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging in het gebied de Heivelden en mogelijk elders.
Benoeming naar de ligging aan
een
ven.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 6a |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
op de Watersteegt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Geerbuenders op watersteeg [Hs- (1542)]
het
eusselvelt gelegen op de watersteegt [Hs(1697)]
een
seeckere buender hoijvelts gelegen op de watersteegt [N
(1711)]
de
watersteeg [kad. (1832)]; B 951-1020 (w: 24.86.26; b:
1.99.50; og: 44.10)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend aan de oostzijde van de weg naar
Vorstenbosch, vanaf de voormalige
Hemelsteeg (nu fietsroute vanaf de populierlaan de wijk
de Bunders in) tot aan het
vroegere Venssteegje (nu zandweg genaamd het Ven).
Benoeming naar de lage ligging;
het
gebied zal drassig geweest zijn. Tevens de oude benaming
voor Populierlaan en de
Vorstenbossche weg (onder Vorstenbosch, gemeente
Nistelrode, is de naam Watersteeg
nog
in gebruik voor de weg van Vorstenbosch naar Veghel).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 8 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|