|
Naam:
|
Annenhoef |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
annassehoef [HH-128 (1471)]
de
annasche hove [HH-133 (1507)]
item
eenen acker teullants aen de zantsteegt genoemt
annenhoeve [GO-126 (1676)]
landt in annenhoef [GVEI2-325 (1778)]
genaamd den annenhoef (Wilbershoek) [N (1818)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het gebied tussen Willebrordushoek
en Logtenburg, niet ver van de bosrand, die de zuidgrens
vormt van het Veghelse grondgebied, en die doorsneden
wordt door de weg Nijmegen-Eindhoven.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 31 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een voormalige eigenares.
|
|
Naam:
|
bij d’ Eerde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Hulsberdone nabij de Eirde [GZG-272 (1396)]
d'eerd [Hs- (1537)]
hopvelt aen d'eerde [GVEI5-231 (1624)]
hertgang Dorshout en Eert [GVEI2-181 (1778)]
in
den hoek de eerde [N (1821)
kad.
(1832)]; F 1-65 en D 152-303 (Sint-Oedenrode).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Kerkdorp van Veghel, zuidelijk in de richting van
Schijndel. Aard =
gemeenteweide, bouwland, weiland langs een waterloop.
Aard verschijnt ook in de vorm eerd. Vgl. Eerde bij
Ommen in Overijsel.
Afgezien van de etymologie betekent het woord in de
Kempen meestal: onbewonnen heide- en bosland in
gemeenschappelijk gebruik genomen tot het hoeden van het
vee, tot het steken van schadden en tuif en tot het
halen van heide als strooisel voor de dieren. Nagenoeg
ieder dorp had destijds zijn eigen "aard".
Mansion maakt onderscheid tussen een stam "aard" en een
stam "aarde". Hij meent dat "aard" een
volksetymologische spelling is. het vereenzelvigt het
element - aard met mnl. aert, dat gezegd wordt van
bouwland, vaste grond, landstreek. Aarde staat voor
eerde en is verwant met ohgd. Era = aarde, land. Aard
daarentegen spruit uit germ. + arthu "landbouw" voort en
is verwant met ags. eard = woning. Het is een afleiding
uit de bekende wortel -ar- (ploegen) (lt. aratrum, gr.
arotron ploeg). Aard is dus zonder twijfel
oorspronkelijk een ploegland geweest, maar in het
Nederlands heeft zijn betekenis zich ontwikkelt tot "veld,
open plaats" en onder meer "land bij een rivier", "aanlegplaats".
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Aarde betekent in het algemeen: stuk bouwland of akker,
gemeenteweide, gemeenteheide, gemeentebos of
gemeentegrond.
In de Belgische Kempen is de oorspronkelijke betekenis
‘open, onbebouwd land’, in tegenstelling tot Belgisch
Brabant en ZO Vlaanderen waar dit woord juist
vruchtbare, alluviale gronden aanduidt.
In de omgeving van Breda komt het woord verspreid voor
en geeft ‘aard’ een gemeynte aan, een plaats waar een
beperkt aantal geërfden het vee laten weiden en waar ook
turf gestoken werd gedurende een aantal dagen. De Aard
van Breda bv. maakte deel uit van gemene gronden die in
1280 aan inwoners van die stad geschonken werden.
Waarschijnlijk waren er voor 1280 al aanzienlijke delen
van de gemeynt in cijns gegeven aan particulieren. De
gerechtigden zagen hoe de gemeynt steeds kleiner werd,
hetgeen voor de keuterboeren moeilijkheden opleverde.
Zij beschikten over weinig weidegronden. Over
gebruiksrechten zijn geen gegevens bekend.
Waarschijnlijk is het gebied al in een vroeg stadium
ontgonnen en onder particulieren verdeeld.
In een naam als ‘Aardakker’ is sprake van een
tautologie, niet ongewoon in de toponymie. Of is het
een benoeming van een soort mest, bestaande uit keuken-
en tuinafval, kippemest, kaf of ander afval? In elk
geval zat er geen stro in. Hierdoor was de ‘ert’ zo kort
dat deze gemakkelijk verspreid kon worden over akkers
en weilanden. Meestal werd ‘ert’ gebruikt voor
weilanden.
Soms is het element moeilijker herkenbaar omdat het
voorkomt in de varianten -ert en -erd. In de Antwerpse
Kempen heeft ‘aard’ gewoonlijk betrekking op een
uitgestrekt gebied dat er wild en woest bij lag en ten
dienste stond van de gemeenschap van een bepaald dorp of
gehucht. Ze mochten de aard gebruiken voor het weiden
van vee, vooral schapen, voor het steken van turf, het
ophalen van heiplaggen en strooisel voor de dieren. Het
gebruik van de aard was wel gebonden aan een bepaalde
reglementering.
Men kon akkerland zelfs laten verwilderen of ‘aard
laten’. Na verloop van tijd kreeg ‘aard’ zijn eigen
vaste betekenis, zoals heide, akker, beemd,
braakliggend, woest en vochtig terrein. Men ging het
toepassen op de grote ‘aardachtige’ vroente, terwijl
daar, zoals ook elders, het woord in gebruik bleef voor
afzonderlijke percelen van slechte kwaliteit.
In het Duitse taalgebied bestond het woord in dezelfde
primaire betekenis. Het wordt aangetroffen als -ert en
-ort. Ook is -aard of -erd een suffix dat in akkernamen
voorkomt en soms moeilijk te scheiden van ‘aart’.
Bogert, Bogaard, Bogart e.d. worden door ons niet als
‘aard’-namen beschouwd. De keuze van de
praktijkvoorbeelden is hier en daar zeker dubieus.
Wellicht dat in bepaalde gevallen de voorkeur gegeven
moet worden aan het element kart/kaart.
Bach 1953-54; Osta 1989:110-129; Molemans 1977; Buiks
1990:39-40; Helsen & Helsen 1978:76.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 31 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen dit Heyligt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Hoeve lochtenborch ad locum dictum aent heylict [Hs-
(1500)]
ex
heze in heiloect [HH133-16 (1507)]
ad
locum dictum int heylichte [Hs- (1519-1538)]
in
't heiligte [G0126-52 (1684)]
huijs hoft ende aangelegen lant en groese aende kempkens
int heijIligt als op logtenborg is gelegen [N (1711)]
het
heIligt [kad. (1832)]; F 1021-1082, [N (1835, 1840,
1894)]; F 1031 (b: 86.40), 1046 (b: 71.30), 1060-1061 (b
en w: 98.90)
het
heiligt, [N (1836)], [V.]; F 987, 990, 1012, 1013, 1062
(w: 85.00; he: 26.20), 1082
(hh:
66.90)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied onder Eerde aan de oostzijde van de weg naar St.
Oedenrode, zich uitstrekkend
tot
aan de bosrand van de Koeveringse bossen. Is dit het
mnl. woord heilicht helft
(Verwijs en Verdam -299). Of ligt er een samenhang met
"heilig" meer voor de hand?
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 28, 29, 33, 34 |
|
Opmerkingen:
|
Samengesteld uit Hei en Lookt. Lookt is een omsloten
stuk grond.
|
|
Naam:
|
het Heyvelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op meerdere
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 12 |
|
Opmerkingen:
|
Perceel begroeid geweest met heide. |
|
Naam:
|
aan de Kempkens |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert de veldnaam Kamp op meerdere
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Kamp, lat. campus, is oorspronkelijk een synoniem van
veld in de betekenis van "open, onbebouwd veld". Hier
heeft kamp de secundaire betekenis van: een individueel
uit het veld gewonnen en door een heg of een houtkant
besloten perceel (M. Top. Valk., -160).
Als
meervoud duidt het hoofdzakelijk een gebied aan onder
Eerde, enige kilometers
ten
zuiden van het viaduct, aan de oostelijke zijde van de
weg naar St.Oedenrode.
Diminutief van kamp.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Kamp-namen komen veelvuldig voor in het oostelijk deel
van Brabant en vormen de tegenhanger van de
Westbrabantse ‘heiningen’. Het woord is afgeleid van het
lat. * campus en lijkt oorspronkelijk dezelfde betekenis
gehad te hebben als ‘veld’, nl. de open, woeste, soms
hoger gelegen vlakte en in een latere fase als
aanduiding voor omheinde of afgesloten ruimte of een
door tuinen of hagen omgeven perceel. Het Brabantse
cultuurlandschap wordt omschreven als een typisch
landschap van kampontginningen.
Volgens Vervloet zouden individuele kampontginningen
zich op deze zandgronden in optima forma ontwikkeld
hebben, omdat het systeem van de ‘gemeynten’ bestond,
die aanvankelijk door de bewoners gemeenschappelijk
werden gebruikt, maar waaraan men op gezette tijden
percelen kon onttrekken door verkoop aan individuele
ontginners. Andere benamingen die hetzelfde begrip
benaderen zijn look of gelookt, hof, goed en erf. Ze
worden veelal vermeld in combinatie met een persoonsnaam
of familienaam . Volgens Jansen gaat het vnl. om kleine
akkertjes ontgonnen uit hei of bos, waaromheen een haag
van de oorspronkelijke begroeiing is blijven staan. Dit
type ontginning zou m.n. in West-Frankrijk op een
uitgebreidere schaal voorkomen; daar spreekt men van
‘boccage’ en ook deze dankt die naam aan individuele
ontginningen. Hendrikx spreekt over een ontwikkeling,
die zich ongeveer vanaf de 10de eeuw inzette,
van oorspronkelijke eenmansvestigingen of los
gegroepeerde boerderijenzwermen, bestaande uit
boerderijen met huiskampen en veebochten waaromheen zich
langrepelakkers en aangelagen bevonden. Deze werden
omringd door bos, dat voor beweiding werd gebruikt. Door
afsplitsing groeiden hier bepaalde gehuchtkernen uit.
Vervloet 1984:54; Claes 1987:67; de Vries 1962:90;
v.Berkel & Samplonius 1989:94; Jansen 1978:242; Hendrikx
1989:56.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 5, 16 |
|
Opmerkingen:
|
Een kamp is over het algemeen een uitgifte van de
gemeint uit de late middeleeuwen of recenter.
|
|
Naam:
|
Creijtenborchse Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Uyt
ackerlants ende heijlants genoempt den creijtenborchsen
acker gelegen onder Vechel
aen
die heylit op lochtenborch [RG169-36 (1646)]
1 b.
akkerland en heyland genaamd den creytenborgse acker, te
Veghel aen die heijlict op lochtenborgh [Dom.-171
(17311756)];
een
groesveltje op creytenburgse acker [GVE12-292 (1777)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in Logtenburg/Heiligt onder Eerde.
Gebieden die grenzen aan de Hoge
Biezen. Benoeming naar de ligging |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 33, 34 |
|
Opmerkingen:
|
Deze akker heette later Logtenborchse Acker |
|
Naam:
|
Lange Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam alleen aan het
Hintelt (Mariaheide).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 26 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Lange Loop |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
stuck landts op den loop (onder Eerde) [GSO-262 (1617)]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Mogelijk een korte vorm van "lopen" benaming voor zekere
landmaat (W.N. T. -2874 "lopen" (s2)). Loop hier in de
betekenis van waterloop. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 25 |
|
Opmerkingen:
|
Dit perceel was ongeveer 1 lopens groot en had een
langgerekte vorm.
|
|
Naam:
|
in Lochtenburch |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
huis
lochtenborch ad locum dictum int heIlicht [Hs-
(1519-1538)]
van
claes wilm tonisland op lochtenborch [GVEI5-91 (1624)]
't
rot van logtenborg (dijk naar rode) [GVIIB26 (1787)]
logtenburg [kad. (1832)] F 969-1020
lochtenburg [N (1839), V.-]; F 991-995 (b: 1.42.90; he:
12.80), 995 (b en he: 31.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggende onder eerde, grenzend aan de weg naar
St.Oedenrode, aan de oostzijde
en
aan de Koeveringse bossen.
Te
Neerpelt vormen de lochten een uitgestrekt
beemdkomplex,terwijl te Eksel de buurtschap de Locht
bekend is. Deze laatste gaan terug op looktuninge
(tuun), waarin mndl. loke "omheining, sekundair omheinde
ruimte", en mndl. tuun, tuninge, heining, vooral
vlechtwerk van teen" (Mnl.Wb. VIII, 769, 786). Of deze
verklaring ook geldt voor de Bocholtse Locht is
twijfelachtig. Een verband willen zoeken met West-Vlaams
lochting "moestuin" (cfr. C. Tavenier-Vereecken, De
etymologie van lochting Med. 1952: 81-84) is ons inziens
uitgesloten (M.Top.Bocholt, -164).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 10, 12-14, 16, 18-21, 23-25, 27-34 |
|
Opmerkingen:
|
Samengesteld uit Lookt- (omheind gebied) en –burg
(flinke hoeve). De naam had betrekking op een in 1488
van de gemene gronden gekocht gebied. Het element lookt-
is ouder dan 1488. Dat kan afgeleid zijn van de
nabijgelegen “Hei-lookt” (later Heiligt).
|
|
Naam:
|
Logtenborchse Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 33, 34 |
|
Opmerkingen:
|
Deze akker heette eerder Creijtenborchse Acker |
|
Naam:
|
Logtenburgse weg |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Deze weg liep ten oosten van perceel nr. 36 |
|
Opmerkingen:
|
Weg lopende naast het gebied met de naam Logtenburg.
|
|
Naam:
|
Oude dijk na(ar) Rode |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Op
den ouden rooysen dijk [GVIIB26 (1804)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Welk
gedeelte de benaming Oude Rooisedijk droeg is niet
bekend. Benoeming naar het
(vroege) tijdstip van aanleg/ingebruikname |
|
Ligging:
|
Deze weg grensde aan de zuidzijde van perceel nrs. 1 en
36. |
|
Opmerkingen:
|
|
|
Naam:
|
Santcamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
santcamp op logtenburg [Hs- (1589)]
twee
stucken ackerlants deene genaemt den grascamp en d'
ander genaemt den santcamp gelegen tot veghel deene op
creijtenborch end'ander op te voort, beijde groot ontr.
drije lopensaten [N (1658)]
landt de santcamp (creytenborgh) [GVE12-319 (1777)]
genaamd de zandkamp, aan de kempkens [N (1824)];
zandkamp [V.-]; F 971-978 (de: 26.20; b: 2.85.90).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op Logtenburg onder Eerde. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 3-8. Perceel nr. 4 heette de Agterste
Santcamp en perceel nr. 5 de Voorste Santcamp.
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Zandsteegt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Bij
die logtenborgse hoeve en bij die zandsteeg [G0126-24
(1587)]
een
stuck nieulandts neffen de sandtstege (onder eerde)
[GSO-262 (1617)]
verdrinking van Joarmis z.v. Jan Tonij Hoppenaars, oud 7
jaar, in gracht of sloot bij 't huijs in de santsteegt
[RAV100-232 (1736)]
bruynenacker of streep aen den santsteegt [GVE12-231
(1777)]; de zandsteeg [N (1862)]; F 980 (b: 52.40).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op logtenburg onder Eerde aan de zandkamp.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2-5, 7-12 en 29 lagen bij of grensden aan
de Zandsteegt. |
|
Opmerkingen:
|
Deze steeg liep door een gebied met stuifzand.
|
|
Naam:
|
Stapacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
stuck landts genaemt den stapacker (onder eerde)
[GSO-262 (1617)]
de
stapakker [Go- (1754)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging nabij de dorpskom van Eerde. "Stap =
schoor, vonder" (Top. Valk. 238). "Stap" (7c) overstap
over een weg.
In
Zuid-Nederland (Brabant en Hageland) Stap iets dwars
over den weg gemaakt om er gemakkelijk over te stappen,
een overstap, zijnde een groote breede steen of iets
anders over den weg aan dezes ingang of uiteinde geplant
en dienende om den doorgang met kruiwagens, rijtuigen of
van vee tegen te houden (d) verhevenheid van zoden in
drassig of ondergeloopen land waarop men stapt om droog
te blijven.
In
de oostelijke dialecten (g) knip, klem, soort val om
ratten, bunzings, vossen enz. te vangen en waarin de
dieren gewoonlijk met een poot vastgeklemd raken. (9)
Bij Kil. komt "stap" nog voor als verouderd (vetus)
naast "staf": baculus. Nog thans is "stap" in Limburg
bekend voor een "houten paal" (W.N.T. -766, 767). In dit
laatste geval zou sprake kunnen zijn van een paal als
markering (zie paal) de betekenis van "klem" is denkbaar
gezien de nabijheid van de beboste zandduinen van Eerde
(waar het nu nog wemelt van bijvoorbeeld konijnen). Ook
de overige genoemde betekenissen kunnen niet uitgesloten
geacht worden.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Stap kan zijn trede, kleine verhevenheid en vonder. De
laatste betekenis komt in de cijnskring het meest voor,
nl. een ‘overstap’ van de ene oever naar de andere via
een doorwaadbare plaats of met behulp van een klein
provisorisch bruggetje. Trommelen ziet in het Tilburgse
Stappengoor een moeras met een stappe d.w.z. met een
verhoging of een vonder als pad, een soort knuppelweg.
Vlierden kent een grenspaal genaamd ‘het Stapje’,
gelegen bij de Vloeieindseloop. Volgens Mennen was een
stap ook een grote brede steen die gebruikt werd om
onheiningen te overschrijden zonder het veken of hekken
te openen. Dit element heeft geen verwantschap met
‘stapel’
v.Berkel & Samplonius 1989:171; Trommelen 1994:434;
Mennen 1992:227.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 17 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
op de Wilbershoek,
aen den Wolvershornic |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Gelegen binnen die parochie van vechel bij d'eerde,
anders genoemt aen die wullevershoeck [GOI26-23 (1582)]
in
de wulvershoek [Mrv301d-87 (1585)]
aan
't eerde ter steede genoemt in de wolverhoek [GOI26-30
(1606)]
een
stuck in den willevrshoeck (onder eerde) [GSO-262
(1617)]
een
stuk lants en weyvelt gelegen in de wulbertshoeck
[GOI26-36 (1626)]; alhier tot vechel aen de
wilbortshoeck [GOI26-53 (1688)]
(rot) wilbershoeck en de kempkens bestaet in negentien
huysen ende yder huys aengewesen als voor [GVIIB28 (±
1700)]
2 l.
akkerland genaemt den wolfvershoirinck te vechel aan het
eerde [Dom.171-4v (1731-1756)]
hofstad genaemt den wolfershoirinck te vechel aan het
eerde [Dom.I71-4v (1731-1756)]
land
in welbershoek [GO- (1754)]\
uyt
ontrent 2 lopensaets ackerlants genoemt den
wolfvershornick, gelegen onder vechel aen het eerde, een
hofstad genoemt den wolfershoirnick gelegen aen de eerde
[Dom. (1756)]
op
de wilpershorrik [N (1822)]
de
willebrordushoek [kad. (1832)]; F 767-866.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Dit
is een gebied, liggende onder Eerde, aan de westelijke
zijde van de weg St.Oedenrode,
dat
zich uitstrekt van het gebied Abenhoef tot aan de grens
met St.Oedenrode. De
oudere vormen van dit toponiem suggereren een benoeming
naar een mansnaam Wilbert,
Wolver, Wolfaert of daarvan afgeleide persoonsnaam
eerder dan een benoeming naar St.
Willebrordus; de variant Willebrordushoek komt alleen
voor op het kadaster van 1832.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 15, 27. De Wilbershoek was een buurtschap
direct ten noorden van Logtenburg.
|
|
Opmerkingen:
|
In 1406 betaalde ene Theodoricus Wulvers een cijns aan
de heer van Helmond uit goed gelegen aan de Kempkens. De
veldnaam Wulvershoek zal van de persoonsnaam Wulvers
afgeleid zijn, zoals ook Cornelissen voorstelt.
|
|