|
Naam:
|
Agterste Eeusel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Groesvelt 't agterste eeusel [GVEI2-19 (1778)]
het
achterste eeusel [N (1847, 1893)]; D 1101, 1102,
1104-1106 (b, w: 1.8.80), E 432 (w: 56.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Eeusel, afgeleid van eeuwen “voeren” is gangbare
Kempische benaming voor weiland meestal van
minderwaardige kwaliteit (M. Top. St. Huibr.Lille,
-133). Verder benoeming naar de ligging.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Eeuwsel wordt verklaard als een droge zomerweide,
veelal in particulier bezit en omheind, een schrale
weide of een weide in de bossen. Dit toponiem komt in
het zuiden van de Baronie geregeld voor, maar in het
oostelijk gedeelte van Brabant is het al even frequent
[redactie].
Te Overpelt was een ‘eusel’ een kunstmatige weide i.c.
ontgonnen heide of woeste grond met buntgrassoorten
begroeid en in gebruik als veeweide, primair voor
schaapskudden. Volgens Lindemans zijn de eeuwsels in de
Belgische Kempen het eerste stadium bij de ontginning
van heide tot cultuurland. Het is niet precies te
achterhalen tot wanneer de eeuwsels als veeweiden hebben
dienst gedaan, maar zeker niet langer dan de 16de
eeuw.
Dat de eeuwsels goede hooilanden waren is
onwaarschijnlijk vanwege de bodemgesteldheid, nl. matig
natte zandgronden. Veel eeuwsels zijn thans als weiland
in gebruik omdat de grond voor hooiland niet vochtig
genoeg is en voor bouwland te nat.
(Lindemans 1946:2; Pijnenburg 1976:1; Buiks 1984
dl.9:32; Mennen 1992:217; Buiks & Leenders 1993
dl.4:383; Molemans 1976:314; Lindemans 1952; Helsen
1978:116.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 20 |
|
Opmerkingen:
|
Ernaast lag de Voorste Eeusel
|
|
Naam:
|
Armen Buender |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Armenbunders op watersteegt [RAVI59-172 (1754)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Samenstellingen met armen wijzen op goederen die
eigendom waren of zijn van de COO, vroeger Tafel van de
H. Geest genoemd. In de 19e - 20e eeuw zijn de H. Geest
door de armentoponiemen verdrongen (Molemans, 1976a, blz.
75).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 15, 16 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen de Heijde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dat
gelden Aert Glaeus kynder aan die heij [GVIE2 (1437)]
huis
in loco dicto aen die heye den langen ecker in loco
dicto henneberch [Hs-(1519-1538)]
aen
den hertgang de hey [GVE12-1 (1778)]
landt over 't heyke, 't campke [GVE12-30 (1778)]
de
heide [kad. (1832)]; D 361 (b: 10.50) (St.Oed.). de hei,
de heide, het heike [N (1886, 1891, V.]; B 171 (he:
9.46.20), C 5, 6 (w: 59), 399 (he: 19.72.30), E 638-640
(w: 55.40; hu: 57.00; de: 1.70.00), 692 (he: 14.72.50),
694 (he: 15.61.40), 1532, 1533 (he: 3.45.20), F 465(he:
20.63.51).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Hei, heide werd meestal gebruikt ter
aanduiding van het tegenwoordige
Mariaheide, maar ook voor het heidegebied (vroeger van
St.Oedenrode) zuidelijk van
Eerde, en evenals "heike" voor percelen ontgonnen heide.
Anno 1832 kende Veghel nog
uitgestrekte onontgonnen heidegebieden: Hogerduinen,
Beukelaarsbroek, het Reibroek
onder Zijtaart, het Dubbele tussen Eerde en Veghel, het
Wuiten en het Vensbroekje nabij
Vorstenbosch en nog verscheidene kleinere gebieden. De
Veghelse heiden zullen meestal
laaggelegen geweest zijn. Zoals elders in de Kempen, is
heide de gangbare benaming
geworden ter aanduiding van de, meestal met heide
begroeide, gemeentelijke gronden, die
zeer
uitgestrekt waren. Andere namen ter aanduiding van deze
gemene gronden zijn Aard
(zie
Eerde), Gemeente en Vroente.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Achter elk gehucht lag destijds een uitgestrekte gemene
vroente, aard of veld, die in Brabant meestal wordt
aangeduid met ‘gemeynt’. Later werd ‘heide’ de gangbare
benaming voor deze omvangrijke gemeenschappelijke
velden, begroeid met droge heide [Erica] of met dop- of
hommelheide, de natte of platte heide. De heidevelden
hadden een economische betekenis voor de locale
agrarische bedrijfsvoering. Ze dienden als weideplaats
voor koeien en schapen geleid door een door een
buurtschap aangestelde herder of scheper. De ingezetenen
mochten op de heide turf steken, plaggen maaien en leem
uitgraven voor de huizenbouw. De talrijke vennen deden
dienst als rootputten of als visvijver. Er werd honing
gewonnen door het plaatsen van bijenkorven. Regelmatig
werden stukken van de gemeynt aan particulieren
verkocht.
De heidevelden, de onontgonnen gemeenschappelijke grond,
was begroeid met heidestruiken en andere lage vegetatie.
In Brabant was het de naam voor de gronden met een
typische flora en fauna: struikheide op de droge
gronden, dopheide op de wat nattere heidegronden samen
met gagel, jeneverbes en brem. Na ontginning kon heide
ook een perceel bouwland aanduiden dat door middel van
een omheining van levend hout uit de zgn. ‘gemene heide’
werd geïsoleerd.
Enklaar 1941; de Bont 1993:93; Molemans 1976:338;
Spierings 1984:31,32,225,226. ; Berkel & Samplonius
1989:106; Mennen 1992:53; Buiks 1990:103; Helsen
1978:119.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2, 3, 20, 21 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Heijse Bunders |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
de heytse bunder (onder Eerde) [GSO-262 (1617)]
in
de heydse bunders [Mrv91-201v (1735)]
agterste eeusel in de heyse bunder [GVE12-137 (1777)]
de
heibunders [kad. (1832)], [V.]; B 705-731 (w: 12.31.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend aan de zuid-oostzijde van het Ven. Als
enkelvoud ook benaming voor
enkele andere verspreid liggende percelen. Benoeming
naar de ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 15, 16 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen de Hintelt, op de Kleine Hintelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Goederen gelegen in Veghel ter plaatse gezegd in die
hinckelt [GZG-160 (1383)]
in
loco dicto inden hinttelt [Hs- (± 1385)]
bij
die hintelt [BP1188-346 (1414)]
aen
die heye in die hyntelt [Hs- (1519-1538)]
hintelt, hey [Hs- (1600)]; het eerste euselvelt op de
hintelt [RAV160-196v (1781)]
Jasperskamp in kleyn hintelt by 't ven [GVIIE13 (1792)]
de
kleine hintel [kad. (1832)]; B 452-503.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend noord-oostelijk van het Ven. Mogelijk is
dit een afleiding van de stam
"hint'. Ekwall s. v. hints zegt: "Welsh hynt means road"
(Dial. Kempenland, -163).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Vooralsnog onduidelijk, of er moet samenhang bestaan met
‘hinder’ = slecht, verdorven. Het zou dan een
kwaliteitsaanduiding inhouden. De hindert zou dan ‘de
slechte aard’, een slecht stuk woeste grond, zijn. Wat
‘hint’ betreft moeten we misschien denken aan een
‘plaatse’, zoals in de kern van Eersel waar het Hint een
voormalige brink was die is uitgegroeid tot een
ovaalachtig marktplein door verbreding van de uitvalsweg
naar het zuiden. Langs die oude ‘plaatse’ lag een
onregelmatige blokverkaveling en overheersten de
agrarische bedrijven, terwijl langs het nieuwe
pleingedeelte, de eigenlijke Markt, sprake is van een
regelmatig opstrekkende verkaveling voor bedrijven die
afhankelijk waren van handel en verkeer. Op de grens van
beide pleinhelften staat sinds 1464 een kapel. Is Hintel
dan misschien eem dimunitiefvorm ?
Helsen 1978:100; Molemans 1976:153; Mandos & Kakebeeke
1971: 363.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 3-11 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Jaspers Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Jasperskamp, in kleyn hintelt by 't Ven [GVIIE13
(1792)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in de Kleine Hintel bij het Ven en
mogelijk elders. Het eerste lid is een persoonsnaam of
een genitief van een mansnaam.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-7 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Kleij Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Klei: verwijzing naar de bodemgesteldheid, een
kleiachtige bodemstructuur.
Buiks 1990:125.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 17-19 |
|
Opmerkingen:
|
Verbastering van Craijencamp.
|
|
Naam:
|
Craijencamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Lambert tyssen van vorstenbos in craejecamp [GVE2-166
(1702)]
een
hoijvelt houtwasch en geregtigh. aan de hintelt genaemt
craijen camp, ontr. 4 karren hoijgewasch [RAV112175
(1798)]
de
kraayenkamp [kad. (1832)]; B 596-619
kraayekamp aan de Grote Hintel [N (1869)]; B 504, 596,
597 (w: 60.40).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied aan de oostzijde van het Ven; tevens perceel van
onbekende ligging aan het
Beukelaar; ter plaatse zullen veel kraaien gehuisd
hebben. Het nabij gelegen met bomen
en
struikgewas omgeven Ven is ook nu nog een aantrekkelijk
gebied voor vogels.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 14-19. Perceel 12-13 zullen ook Craijencamp
geheten hebben. |
|
Opmerkingen:
|
Omdat kampen vaak naar een eigenaar genoemd zijn, is het
mogelijk dat “Craij” hier een naam van een eigenaar is.
|
|
Naam:
|
Streep |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een
langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een
vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in
de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een
deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door
Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element
‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen
beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in
kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een
groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk,
vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen.
(Buiks 1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman
1956:223; Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius
1989:174.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 11 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
opt Ven |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Zijn
twee cortte loopkens met een lang stuck in den
d'avel(laer) de braeck genaemt aent 't
ven
[GVE15-127 (1624)]
de
dicke stukken op 't ven [RAV159-178v (1754)]
het
ven [kad. (1832)]; B 620-679, 681-700, 702-704
het
venneke [N (1838, 1854, 1871, 1876, 1880, 1883)]; B 685
(w: 25.70), 686 (w: 26.80), D 219 (b en w: 40.70), 220
(b en w: 45.70), 237-239 (b en w: 1.16.40), 304 (b:
37.80); het ven [kado (1832)]; B 641 (b: 35.60).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benaming voor een grote waterplas aan de oostzijde van
de weg Veghel-Vorstenbosch.
Het
omliggende gebied (het Ven) en een zandweggetje ter
plaatse (zie Venssteegje); tevens verscheidene verspreid
liggende percelen ('t venneke). "Ven" een ven is een
natuurlijke waterplas in de heide (M. Top. Valk. -251).
Ven(neke) als benaming voor waterplas ging dan
gewoonlijk over op omliggende percelen (gebied); bij de
percelen, 't venneke is steeds sprake van de
aanwezigheid van een dergelijke (kleine) waterplas;
vooral in de omgeving van de Aa waren deze vennetjes
talrijk; ze zijn vrijwel zonder uitzondering verdwenen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Een ven is een natuurplas in de heide die zeer geschikt
was voor de klot- of turfwinning of moernering. De
vennen konden tevens dienst doen als drinkplaats voor
het vee dat op de heide gehoed werd of als vlasroot. Ook
voor de aanleg van een schans of landweer zouden vennen
ideaal geweest zijn, omdat men altijd in de omwallingen
over water beschikte. Nadat een ven was drooggelegd,
vgl. het dodeven, kon de naam overgaan op het omliggende
land. Vennen werden eveneens regelmatig gebruikt als
visvijvers. Buiks vermoedt dat veel vennen al vroeg
ontgonnen zijn, speciaal die vennen waar geen oerbank
onder zat. De Brabantse vennen vinden hun ontstaan door
depressievorming in de jongste ijstijd, maar is geen
gevolg van de landijsbedekking. Oorspronkelijk waren er
meer vennen maar ten gevolge van ontwatering, die reeds
in de middeleeuwen begon, zijn er veel drooggevallen en
deels als cultuurgrond in gebruik genomen. De waterstand
in de vennen zal in het algemeen dezelfde zijn als die
van het grondwater in de omgeving. Als vlak onder de
bodem van het ven een leemlaag voorkomt of als op de
bodem van het ven een nagenoeg ondoorlatende humeuze
laag of veenlaag ligt, zal de waterstand hoger zijn dan
het grondwater in de omgeving. Men spreekt dan van een
schijnspiegel. Vennen die veen bevatten werden door de
plaatselijke bevolking verveend. De zandruggen rondom
die oude vennen vormden een aantrekkelijke
verblijfplaats voor de prehistorische bevolking.
Gijsseling 1954:106; Buiks 1984 dl.10:77; Bisschops
1973; vd Toorn 1967.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 11, 15, 16, 20, 21 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Voorste Eeusel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Voorste eeusel op watersteegt [GVEI2-80 (1778)];
het
voorste eeuwsel [N (1847, 1893); D 1107, 1108 (b, w:
86.60), de helft van D 1103 (w: 31.40), E 435 (w:
17.40).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Eeusel, afgeleid van eeuwen “voeren” is gangbare
Kempische benaming voor weiland meestal van
minderwaardige kwaliteit (M. Top. St. Huibr.Lille,
-133). Verder benoeming naar de ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 21 |
|
Opmerkingen:
|
Zie ook bij Agterste Eeusel. die naast de Voorste Eeusel
lag.
|
|