|
Naam:
|
Anna Eeusel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Anna
eeusel aldaer [GVE12-21 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar psn. Anna; Johanna. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 4 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
de Drie Stucken |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
gelegen als voor (op 't ven) de drie stukken [N (1818)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op het Ven. Het lijkt niet
onwaarschijnlijkdat dit toponiem verstaan moet worden
als de Driesstukken, welke dan identiek zouden kunnen
zijn met de Druinstukken (Druestucken) in de Bolken en
de Stukken tegen den Dries op het Ven.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 10 |
|
Opmerkingen:
|
Stuk betekent perceel. Dit perceel bestond eertijds uit
drie naast elkaar gelegen stroken. Vergelijk met het
naastgelegen perceel nr. 11, dat het Stuk heette. De
drie stroken of drie stukken van perceel nr. 10 waren
elk ongeveer even groot als het stuk van perceel nr. 11.
|
|
Naam:
|
Dwarsstuk |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
landt in dwars stuk aldaer (Ven) [GVE12-21 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op het Ven. Benoeming naar de ligging
dwars op ander(e) perce(e)l(en).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 12a |
|
Opmerkingen:
|
Dit perceel lag inderdaad ongeveer haaks op percelen
nrs. 8-12a. |
|
Naam:
|
Hendrik Goort Tyse Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 5, 6, 7 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar. |
|
Naam:
|
aen de Heijde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dat
gelden Aert Glaeus kynder aan die heij [GVIE2 (1437)]
huis
in loco dicto aen die heye den langen ecker in loco
dicto henneberch [Hs- (1519-1538)]
aen
den hertgang de hey [GVE12-1 (1778)]
landt over 't heyke, 't campke [GVE12-30 (1778)]
de
heide [kad. (1832)]; D 361 (b: 10.50) (St.Oed.). de hei,
de heide, het heike [N (1886, 1891, V.]; B 171 (he:
9.46.20), C 5, 6 (w: 59), 399 (he: 19.72.30), E 638-640
(w: 55.40; hu: 57.00; de: 1.70.00), 692 (he: 14.72.50),
694 (he: 15.61.40), 1532, 1533 (he: 3.45.20), F 465
(he:
20.63.51).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Hei, heide werd meestal gebruikt ter
aanduiding van het tegenwoordige
Mariaheide, maar ook voor het heidegebied (vroeger van
St.Oedenrode) zuidelijk van
Eerde, en evenals "heike" voor percelen ontgonnen heide.
Anno 1832 kende Veghel nog
uitgestrekte onontgonnen heidegebieden: Hogerduinen,
Beukelaarsbroek, het Reibroek
onder Zijtaart, het Dubbele tussen Eerde en Veghel, het
Wuiten en het Vensbroekje nabij
Vorstenbosch en nog verscheidene kleinere gebieden. De
Veghelse heiden zullen meestal
laaggelegen geweest zijn. Zoals elders in de Kempen, is
heide de gangbare benaming
geworden ter aanduiding van de, meestal met heide
begroeide, gemeentelijke gronden, die
zeer
uitgestrekt waren. Andere namen ter aanduiding van deze
gemene gronden zijn Aard
(zie
Eerde), Gemeente en Vroente.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Achter elk gehucht lag destijds een uitgestrekte gemene
vroente, aard of veld, die in Brabant meestal wordt
aangeduid met ‘gemeynt’. Later werd ‘heide’ de gangbare
benaming voor deze omvangrijke gemeenschappelijke
velden, begroeid met droge heide [Erica] of met dop- of
hommelheide, de natte of platte heide. De heidevelden
hadden een economische betekenis voor de locale
agrarische bedrijfsvoering. Ze dienden als weideplaats
voor koeien en schapen geleid door een door een
buurtschap aangestelde herder of scheper. De ingezetenen
mochten op de heide turf steken, plaggen maaien en leem
uitgraven voor de huizenbouw. De talrijke vennen deden
dienst als rootputten of als visvijver. Er werd honing
gewonnen door het plaatsen van bijenkorven. Regelmatig
werden stukken van de gemeynt aan particulieren
verkocht.
De heidevelden, de onontgonnen gemeenschappelijke grond,
was begroeid met heidestruiken en andere lage vegetatie.
In Brabant was het de naam voor de gronden met een
typische flora en fauna: struikheide op de droge
gronden, dopheide op de wat nattere heidegronden samen
met gagel, jeneverbes en brem. Na ontginning kon heide
ook een perceel bouwland aanduiden dat door middel van
een omheining van levend hout uit de zgn. ‘gemene heide’
werd geïsoleerd.
Enklaar 1941; de Bont 1993:93; Molemans 1976:338;
Spierings 1984:31,32,225,226. ; Berkel & Samplonius
1989:106; Mennen 1992:53; Buiks 1990:103; Helsen
1978:119.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 8, 10, 14, 16, 18, 20 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
in de Heijse Buenders |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
de heytse bunder (onder Eerde) [GSO-262 (1617)]
in
de heydse bunders [Mrv91-201v (1735)]
agterste eeusel in de heyse bunder [GVE12-137 (1777)]
de
heibunders [kad. (1832)], [V.]; B 705-731 (w: 12.31.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend aan de zuid-oostzijde van het Ven. Als
enkelvoud ook benaming voor
enkele andere verspreid liggende percelen. Benoeming
naar de ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 3 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Couter Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Den
couter acker [GVEI2-21 v (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. Het eerste lid "kouter" volgens W.N.T.
bouwland, akker, meest van vrij groote uitgestrektheid,
soms in het bijzonder het omgeploegde, voor het zaaien
gereedliggende land; oorspronkelijk de benaming voor den
oudsten, eerst ontgonnen grond, en vandaar in zeer vele
toponiemen en in eigennamen. Uitsluitend in bepaalde
streken van Zuid-Nederland bekend, thans vooral in
verband met plaatselijke omstandigheden niet zozeer als
algemeen begrip (W.N.T. -5879).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 8. Vermoedelijk de oude naam voor de hele
Vense Acker, perceel nrs. 8-16 |
|
Opmerkingen:
|
Ferdinand Smulders schreef: Een kouter is een heel oude
akker die wel tot de Merovingische tijd teruggaat. Het
woord is afkomstig van het Latijnse “cultura” en
betekent “bouwland”. F. Smulders, ‘De Kouter-acker in
Esch’, in: Brabants Heem (1959-4) 88 en (1960-3)
66. Zie ook: M. van Asseldonk, ‘De
Kouterakker op het Ven,’ in: van Vehchele tot
Veghel 11 (1991) nr. 35, 18-20.
|
|
Naam:
|
Schoenmakers Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Schoenmakerscamp op 't ven in gemeyn buenders [Hs-
(1546)]
bunder hoeijlants genampt schoenmackerscamp te vechel in
de heijsche bunders [N (1660)]
schoenmakers camp [GVE12-20v (1778)]
schoenmakers kamp [N (1838)]; B 707, 708, 710 (w:
1.34.90); schoenmakerskamp [N (1847)]; B 705 (w: 25.40).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging in de Heibunders. Het eerste lid zal een
persoonsnaam zijn vgl. Albertus
Schoenmakers, 1831 (Kl.Bev. V).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 3 |
|
Opmerkingen:
|
Het is mogelijk dat de verponding en daarmee de veldnaam
pas later aan dit perceel verbonden raakte.
|
|
Naam:
|
het Streepje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een
langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een
vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in
de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een
deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door
Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element
‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen
beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in
kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een
groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk,
vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen.
(Buiks 1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman
1956:223; Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius
1989:174.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 18, 20 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
het Stuk |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op meerdere
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
"Stuk"
perceel land (M. Top. As. -137). |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 11 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
opt Ven |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Zijn
twee cortte loopkens met een lang stuck in den
d'avel(laer) de braeck genaemt aent 't
ven
[GVE15-127 (1624)]
de
dicke stukken op 't ven [RAV159-178v (1754)]
het
ven [kad. (1832)]; B 620-679, 681-700, 702-704
het
venneke [N (1838, 1854, 1871, 1876, 1880, 1883)]; B 685
(w: 25.70), 686 (w: 26.80), D 219 (b en w: 40.70), 220
(b en w: 45.70), 237-239 (b en w: 1.16.40), 304 (b:
37.80); het ven [kado (1832)]; B 641 (b: 35.60).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benaming voor een grote waterplas aan de oostzijde van
de weg Veghel-Vorstenbosch.
Het
omliggende gebied (het Ven) en een zandweggetje ter
plaatse (zie Venssteegje); tevens verscheidene verspreid
liggende percelen ('t venneke). "Ven" een ven is een
natuurlijke waterplas in de heide (M. Top. Valk. -251).
Ven(neke) als benaming voor waterplas ging dan
gewoonlijk over op omliggende percelen (gebied); bij de
percelen, 't venneke is steeds sprake van de
aanwezigheid van een dergelijke (kleine) waterplas;
vooral in de omgeving van de Aa waren deze vennetjes
talrijk; ze zijn vrijwel zonder uitzondering verdwenen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Een ven is een natuurplas in de heide die zeer geschikt
was voor de klot- of turfwinning of moernering. De
vennen konden tevens dienst doen als drinkplaats voor
het vee dat op de heide gehoed werd of als vlasroot. Ook
voor de aanleg van een schans of landweer zouden vennen
ideaal geweest zijn, omdat men altijd in de omwallingen
over water beschikte. Nadat een ven was drooggelegd,
vgl. het dodeven, kon de naam overgaan op het omliggende
land. Vennen werden eveneens regelmatig gebruikt als
visvijvers. Buiks vermoedt dat veel vennen al vroeg
ontgonnen zijn, speciaal die vennen waar geen oerbank
onder zat. De Brabantse vennen vinden hun ontstaan door
depressievorming in de jongste ijstijd, maar is geen
gevolg van de landijsbedekking. Oorspronkelijk waren er
meer vennen maar ten gevolge van ontwatering, die reeds
in de middeleeuwen begon, zijn er veel drooggevallen en
deels als cultuurgrond in gebruik genomen. De waterstand
in de vennen zal in het algemeen dezelfde zijn als die
van het grondwater in de omgeving. Als vlak onder de
bodem van het ven een leemlaag voorkomt of als op de
bodem van het ven een nagenoeg ondoorlatende humeuze
laag of veenlaag ligt, zal de waterstand hoger zijn dan
het grondwater in de omgeving. Men spreekt dan van een
schijnspiegel. Vennen die veen bevatten werden door de
plaatselijke bevolking verveend. De zandruggen rondom
die oude vennen vormden een aantrekkelijke
verblijfplaats voor de prehistorische bevolking.
Gijsseling 1954:106; Buiks 1984 dl.10:77; Bisschops
1973; vd Toorn 1967.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2, 4-20
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Vendries |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Den
vendries op 't ven [GVE12-21 (1778)]
gelegen alsvoor (op 't ven) het vendrieske [N (1819)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op het Ven. Benoeming naar de ligging.
Kil.
driesch = ager pascuus. Lindemans wijst op verband met
het telwoord drie. De betekenis zou dan zijn "toestand
van den akker in het derde jaar van den wisselbouw". Hij
legt verband met het jra. trieu. Uit de omstandigheid "braakland"
ontstond dan een tweede betekenis: "leeg, onbebouwd
land" en ook "weiland". M. Gysseling sluit zich aan bij
Mansion's opvatting (O.G.N. 106) die thriusk- afleidt
van threusk.
In
Vla. evolueert -eu als volgt: -eu- wordt -eo- wordt -io-
wordt -ie- in tegenstelling met Holland-Utrecht-Limburg,
waar althans voor Umlautsfactor uit eu ü ontstaat. Als
men in thriusk de -u- als een vocaliseringsproduct
beschouwt van de -w- en -sk- als een residusuffix van
het suffix-isk, dan verkrijgt men een etymologie die
blijkbaar de oudste betekenis van dries goed dekt. De
betekenis is dan "braakliggend land" en "dorpsplein".
Zie
Valkenswaard -188.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
De algemene betekenis is weiland bij de boerderij, vaak
wat hoger gelegen, waarvan het gras en het zgn.
drieshooi van betere kwaliteit is dan het bekende
beemdhooi. Tegelijkertijd wordt gedacht aan een stuk
grond met gras en onkruid, vaak te slecht om te bewerken
en begroeid met struikgewas. Soms ook een verloren
hoekje op het kruispunt van wegen, strookjes onbebouwde
grond aan veldwegen gelegen.
Het minutieuze onderzoek van Claes in de omgeving van
Diest toonde dat t.a.v. de percelen met een driesnaam 43
maal akkerland van toepassing was, 12 maal bos, 7 maal
beemd, 3 maal weide, 2 maal eeuwsel, 1 maal ‘schom’ =
onvruchtbare heidegrond, 2 maal een bij een huis gelegen
boomgaard, 1 maal vroente of gemeynt en 1 maal
heidegrond. Dat verklaart hoe divers de betekenis van
dit element kan zijn. Tegelijkertijd is het aantal
samenstellingen onderzocht met als resultaat dat van de
samengestelde driestoponiemen er 15 maal sprake was van
een persoonsnaam, 6 maal een ander toponiem waarbij of
waarin een dries is gelegen, 16 maal een afleiding van
een diernaam, 16 maal een planten- of vruchtennaam en
tenslotte kwam dries 17 maal voor met een adjectief.
Volgens sommige auteurs zou in Vlaanderen, Brabant en
Zuid Limburg dries staan voor een driehoekig dorpsplein,
een betekenis welke reeds in de 12de eeuw zou
zijn opgekomen.
De Bont 1969 dl.3:15; Gijsseling 1954; Molemans
1976:288; Claes 1984:52; de Vos 1952:53; Lindemans
1951:15; Gijsseling 1952:49; Lindemans 1952:89.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 13 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Vense Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
ene
stuck lants geheiten die venacker [GVIE2 (1506)]
't
landt den venacker [GVE12-17 (1778)]
de
venakker in de heivelden [N (1892)]; A 129 (b en w:
49.40), 131 (b en w: 34.70).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging in het gebied de Heivelden en mogelijk elders.
Benoeming naar de ligging aan
een
ven.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 8-12, 15, 16. Ook perceel 14 lag op de
Vense Acker. |
|
Opmerkingen:
|
Akker gelegen aan het Ven. Vermoedelijk eertijds Couter
Acker genoemd.
|
|