|
|
Naam:
|
Haverveltje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert
een Haverveld in De Dubbelen, niet het Haverveltje op
het Middegaal.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Veld betekent primair:
open, onbebouwd terrein en was dus een synoniem van
heide, gemeente, enz. Vandaar kreeg velt de sekundaire
en thans gangbare betekenis van “een perceel akkerland”
al dan niet uit een groter komplex en werd in die zin
een konkurrent van akker (Top. Valk. -250)
|
|
Ligging:
|
Deel van perceel nr. 1 (kadaster
1832, perceel nrs. A554 + A555) |
|
Opmerkingen:
|
Veld lijkt me een meer
algemene term voor de aanduiding van een perceel land.
Betekenis: perceel waarop haver geteeld werd.
|
|
Naam:
|
Hoog Middegaal |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Seeker hooge huijsinge met de nederhuijsinge, etc, op
Middegael, geheten van outs gen’t Hoog Middegael, 16 à
17 l. [RAV110-244v (1793)]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Middegaal: Wellicht te
interpreteren als midden-gaal, vgl. middenbroek, een
tussen twee andere broeken gelegen laagland (Verwijs en
Verdam -1534 middenbroec-gaal). Het W.N.T. vermeldt:
onvruchtbare plaats in akker en weiland, natte en
modderige plaats. Eng. galls en gauls en hoog duits
Wassergalle. Mansion zegt: galle = onvruchtbare plek in
een akker. Hij verwijst naar het Bremer dialekt dat Gühl
kent als “niedriger Grund, durch ein Wasserlaub geht”.
Veel voorkomende vormen met Unlaut zijn gel, gehl, gole,
göhle en gal, steeds met de “keel” als bijvorm. (..)
(Hs-146). Inderdaad is het Middegaal een laaggelegen
gebied.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
In 1189 wordt in Noord Brabant een ‘gala’ vermeld.
Ofschoon er een Brabantse plantenaam ‘hete gaal’ is, zal
eerder aan een lo-naam gedacht moeten worden. Het eerste
deel blijft dan onduidelijk.
Of is het een samenstelling van ‘a’ en het germ. *gal =
zingen, razen, het zingende of razende water. Aangezien
vogelnamen dit suffix vaker vertonen is te overwegen er
een aanduiding voor vogel in te zien. In dat geval zou
‘gaal’ vogelwater betekenen.
Een relatie met de PN Gale of Galo, een vleinaam bij
Galbrecht en Galfrid, is ook niet uitgesloten. In
Galder lijkt het element ‘gal’ afgeleid van *gald - haru
= onvruchtbare hoogterug, vgl. het mnl. gelde of het ohd.
galt = onvruchtbaar. Bij de Peesgal of Pesegal onder
Lieshout lagen de Lieshoutse beemden. Dit gebied werd in
1246 definitief eigendom van de monniken van Floreffe,
later Postel. De ‘piscaria de Dunouwen et Pesegal’
duidt op oude visrechten. (v.Berkel
& Samplonius 1989:62; de Vries 1962:61; Buiks 1988
dl.21:8; Knoop & Merkelbach 1987:56.)
. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1
|
|
Opmerkingen:
|
Een oudere vermelding: Seecker hooge huijsinge met de
nederhuijsinge, stallinge, schoppe en aangelag,
bestaande in teul, groesland als eeusels, (..), alles
aaneengelegen op Middegaal, geheten van ouds Hoog
Middegaal (R73, fol. 186v (19-11-1746))
|
|
Naam:
|
Coolencampen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In loco dicto die Coolecampen (BP1178-402 (+/- 1390)
De coolecampen [Mrv91-14 (1698)]; een part in colencamp
[GVE12-62 (1778)]
de koole kampen [kad. (1832)]; A519-610
de koole kampen [N 91835)]; A519, 563-565 (w: 1.11.40)
kaalkamp [kad. (1843)]; A 586 (b: 41.00)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend dichtbij de kom van Veghel omsloten door
de Stationstraat, Gasthuisstraat (voorheen Bosstraat),
Zeven Eikenlaan (voorheen Molenstraat);
Iepenlaan-Populierenlaan (voorheen Watersteeg) en
Geerbos (voorheen parallelweg-Noord). Benoeming naar de
teelt. percelen waarop kolen werden verbouwd (M. Top.
Valk. -171, koolhof), ook ruimer in de in van
groententuin. Hier wellicht moestuin. De ligging van het
gebied bij het dorpscentrum maakt het voorkomen van vele
groenten-/moestuinen ter plaatse wel aannemelijk.
De naam is ook nog bekend voor het stuk grond waarde
nieuwe Ambachtsschool staat, het lijkt niet mogelijk om
te denken aan kol = hoogte, omdat dit stuk grond juist
vrij laag ligt. Misschien verdient de voorkeur een
verklaring die de bereiding van houtskool recht doet
wedervaren. In de toponymie zijn namen bekend, die
herinneren aan dit thans verdwenen bedrijf (koolster,
kools, koolshoek).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Het element "kool" komt voor in de vele Koolhofnamen,
vergelijkbaar met een moestuin. Bij de omschrijving van
boerderijen wordt naast koolhof ook de term lentehof,
kruidenhof of soms (wer)moeshof gebruikt. Koolsooryen
vormden het grootste deel van de groenten in de
middeleeuwse periode. Koolzaad leverde een betere soort
olie dan bv. raapzaad. De koolraap of knolraap is een
van de oudste gewassen die om de wortel werden gekweekt.
Men heeft hiervan in uit het Neolithicum stammende
paalwoningen sporen gevonden. Onderscheiden werden
raapzaad [Brassica campestris] en koolzaad [Brassica
oleracea]. De olie werd in speciale molens, de zgn.
slagmolens, uit het zaad geperst of geslagen. Het
restant werd in de vorm van koeken aan het vee gegeven.
Het in de zomer gezaaide koolzaad heette ‘sloren’. Een
zeer oliehoudend gewas is ‘huttenhut’ of, zoals het in
de Baronie werd genoemd, ‘karmil’. Uit de zaden van dit
vanaf 1000 v.Chr. bekende gewas werd olie gewonnen,
terwijl de stengels verwerkt werden in bezems, samen met
berkerijs. (v.Zeist
1968:141; Debuigne 1979:137,138; Buiks 1986 dl.19:48.)
|
|
Ligging:
|
Oorspronkelijk perceel
nrs. 2-7. De naam ging later over op nabijgelegen latere
uitgiften (perceel nrs. 8 en 13).
|
|
Opmerkingen:
|
Oorspronkelijk
was het gebied dat met Coolencampen aangeduid veel
kleiner dan het gebied dat Cornelissen beschrijft.
Het ligt meer
voor de hand dat de veldnaam naar een eigennaam
verwijst. De naam Nicolaes, ofwel Coel, kwam in Veghel
voor. Dus Coolencampen = kampen van Coel, of Nicolaes.
In Veghel zijn veel percelen naar bezitters vernoemd. In
1551 waren perceel nrs. 2-7 nog in een hand.
|
|