|
|
Naam:
|
Agterste Eeusel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
veldnaam “Eeussels” kwam in Veghel op verschillende
plaatsen voor.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Eeusel, afgeleid van eeuwen “voeren” is gangbare
Kempische benaming voor weiland meestal van
minderwaardige kwaliteit (M. Top. St. Huibr.Lille,
-133). |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Eeuwsel wordt verklaard als een droge zomerweide,
veelal in particulier bezit en omheind, een schrale
weide of een weide in de bossen. Dit toponiem komt in
het zuiden van de Baronie geregeld voor, maar in het
oostelijk gedeelte van Brabant is het al even frequent
[redactie].
Te Overpelt was een ‘eusel’ een kunstmatige weide i.c.
ontgonnen heide of woeste grond met buntgrassoorten
begroeid en in gebruik als veeweide, primair voor
schaapskudden. Volgens Lindemans zijn de eeuwsels in de
Belgische Kempen het eerste stadium bij de ontginning
van heide tot cultuurland. Het is niet precies te
achterhalen tot wanneer de eeuwsels als veeweiden hebben
dienst gedaan, maar zeker niet langer dan de 16de
eeuw.
Dat de eeuwsels goede hooilanden waren is
onwaarschijnlijk vanwege de bodemgesteldheid, nl. matig
natte zandgronden. Veel eeuwsels zijn thans als weiland
in gebruik omdat de grond voor hooiland niet vochtig
genoeg is en voor bouwland te nat.
(Lindemans 1946:2; Pijnenburg 1976:1; Buiks 1984
dl.9:32; Mennen 1992:217; Buiks & Leenders 1993
dl.4:383; Molemans 1976:314; Lindemans 1952; Helsen
1978:116.) |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 16 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aent Beuckelaer |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Et
de mansu seu bonis dictum ten buekelaer [GVIE-2 (1374)]
de
hoeve 't goet op beukelaer [BP1187-101v (1411)]
ad
locum dictum aent beukelair, aent beuchelair in die Heze
[Hs- (± 1500)]
aent
buekeler in verrenberch [Mrv23-110 (1533)]
buuckelaar [GVE2-52 (1702)]
27
roijen aent beukelaer [GVEI2-48v (1778)]
beukelaar [kad. (1832); N (1843)]; B 1045, 1046 (w:
92.70), 1139-1273.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Afleiding met personijicerend suffix -elaar, van beuk.
Perceel begroeid met beukebomen
(Hs-). Volgens Van Passen (1967 -133) blijkt een laar in
de kempen ovet het algemeen de
betekenis te hebben gehad van onbebouwde (gemeenschaps)grond
waarop men het vee liet grazen (Top. v. Neerpelt. M.).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Varianten met een verzamelsuffix zijn o.a. Boekt en Bokt
en met een tot de lo-formatie behorende uitgang, nl. -el
in bv. Beukel.
Beuken groeien het beste op leemhoudende vochtige
gronden. Het element kan zijn afgeleid van het germ. *
boko mnl. boeke, boucke = beuk (Fagus silvatica). De
beuk komt zowel in het wild als aangeplant voor. De
vormen met een verzamelsuffix -t herinneren ons aan
middeleeuwse ontginningsactiviteiten, waarbij de
ontbossing van het gemengde eiken- en beukenbosarsenaal
ter hand werd genomen om meer cultuurgrond voor de
akkerbouw te creëren. Deze vorm van ontbossing is al in
de vroege middeleeuwen ingezet en naarmate de bevolking
toenam werd die intensiever [redactie]. (Buiks
1990:56; Helsen 1978:126.)
Laar kan vele betekenissen hebben. Helsen interpreteert
het als woeste, onbebouwde gemeenschapsgrond of heide en
minderwaardig grasland, waar men de dieren liet grazen
en russen kon steken. Ook verstaat men er een intensief
benut bos onder. De Bont prefereert de betekenis van
omheind terrein, anderen die van een open plek in het
bos waar hout gestapeld en gehaald kan worden. Roelants
wijst erop dat er van de 14de tot de 16de
eeuw verschillende plaatsnamen op -laar zijn ontstaan.
Dittmaier neemt als betekenis ‘omheining’ over, maar
voegt eraan toe dat het geen gewone omheining is van bv.
een groene haag, maar een van planken en balken, die
vooral berekend was op kweekdieren.
Smulders vestigt de aandacht op ‘laar’ door diverse
voorbeelden te geven van oorspronkelijke laarnamen die
evolueerden naar andere schrijfwijzen, bv. Herlaer >
Halder, Swelaer > Sweelders, Vellaer > Velder, Geerlaer
> Geelders, Hollaer > Holder etc. De FN ‘van Elderen’
verklaart hij als afgeleid van Ellaer > Elder(en). Hij
wijst er op dat toponiemen eindigend op -lder in
oorsprong laarnamen geweest kunnen zijn.
Tavenier propageert een systematisch onderzoek naar de
landschappelijke aard van alle laarvermeldingen. Volgens
Theuws komt het element -laar in nederzettingsnamen
vooral voor buiten de bevolkingsconcentraties die hij
voor het Maas-Demer-Scheldegebied heeft uitgekarteerd.
De laarnamen zouden volgens hem in verband gebracht
kunnen worden met vochtige, natuurlijke omstandigheden.
De macroregionale spreiding lijkt hier op te wijzen. Dat
laarnamen niet voorkomen in bv. de valleien van Maas en
Schelde zou erop duiden dat een groot deel van deze
gebieden al bewoond was toen deze namen werden gevormd
en dat ze een latere fase van verdere of interne
kolonisatie aangeven. Volgens hem vertegenwoordigen de
laarnamen een jongere namenlaag en derhalve jongere
bewoning.
De Bont geeft voorbeelden afgeleid van boomnamen zoals
Mispelaar, Kerselaar, Pruimelaar, Appelaar, Notelaar
e.a. Laar werd soms voorafgegaan door een ‘-h’ en werd
dan ‘hlar’. Het gaat dan om een verwijzing naar een
oude door de mens beïnvloede landschappelijke situatie.
Waar Gijsseling spreekt over ‘bosachtig moerassig
terrein’ voor dit element, meent Blok een verfijning te
moeten aanbrengen en spreekt van ‘...een deel van een al
of niet moerassig bos, dat door mensen speciaal gebruikt
werd om te kappen of om vee in te weiden en dat daardoor
een open plek in het bos werd.’ In deze definitie wordt
niet een oorspronkelijke natuurlijke gesteldheid
aangegeven, maar juist een oude vorm van menselijke
ingreep in de natuur. Als zodanig moet ‘laar’ als veen-
en moerasindicator terughoudend worden gebruikt. De Bont
veronderstelt dat het kappen van bos voor het aanleggen
van akkertjes vanaf de vroege middeleeuwen geleidelijk
is verlopen. Soms zullen aanwezige open plekken, de
‘laren’, als uitgangspunt hebben gediend. Door het
kappen en plat branden van delen van het bos werd een
geschikt gebied langzaam maar zeker van zijn
bosbegroeiing beroofd.
Helsen 1978; Molemans 1977; Dittmaier 1963; de Bont 1969
dl.3; Gijsseling 1956; Helsen 1944; Buiks 1992:45;
Roelandts 1946:41; Smulders 1952:59; Tavenier 1968:442;
de Bo 1881:193; de Bont 1993:72; Blok 1991:24; Theuws
1988:181.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 3, 4, 7, 8 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
den Buunder, in de Buenders |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Eenen hoycamp genoemt de weyhoeff geleegen binnen de
palen van Vechel in de eerste
bunder in de colk [GO126-22 (1570)]
den
ecker aen de bunders [GVEI5-1 (1624)]
den
68 buunder bij het poejervelt [GVE2-117 (1702)]
den
bunder aen crekelshof [GVEI2-45 (1778)]
aen
de buenders na de drie huizen [GVEII13 (1792)]
de
bunders [kad. (1832); A 258-308; [N (1841, 1871, 1875,
1883); V.]; A 409-412 (w: 69.10), B 909-910 (w: 86.40),
1047, 1048 (w: 62.70), 1283-1286 (w: 60.60), E 1185-1186
(b: 30.50; w: 23.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Algemeen voorkomende aanduiding voor vele percelen,
verspreid over het Veghelse
grondgebied. Tegenwoordige benaming voor nieuwe wijk. "Bunder"
heeft betrekking op
(vooral
sinds de 16e eeuw) verkochte gemeentegronden (M. Top.
Valk.) en is een oude
oppervlaktemaat gelijk aan 1 hectare. z.o. Keuren en
breuken 1629, art. 81.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel |
Bunder is een oppervlaktemaat die voor de invoering van
het metriek stelsel de grootte had van ongeveer 1.29 ha.
Na 1820 was een bunder gelijk aan 1 ha. De boeren
hielden vaak hardnekkig vast aan de benaming bunder. Men
sprak tot in de 20ste eeuw van oude bunders.
Het is opvallend hoeveel percelen in de Baronie een
grootte hebben van 1.29 ha. Men heeft in bunder de
betekenis gezien van ‘woeste grond’. Bunder-toponiemen
komen vooral voor in laat ontgonnen, moerassige
gebieden. Soms gaat het toponiem gepaard met een
telwoord. Volgens andere auteurs zou bunder een bepaalde
grassoort zijn en zou het de naam zijn geworden van de
plaats waar zulke grassen groeiden. Of is verwarring
ontstaan met ‘boender’, afgeleid van boenderhei waar
bezems van werden gemaakt ? In de cijnskring komen in de
14de en 15de eeuw veel
vermeldingen voor van hele en halve bunders [redactie].
Buiks 1990:67 en 76; Devos 1984:93
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2, 5, 7, 8, 12, 15-17. Perceel nr. 4 heette
den Buunder |
|
Opmerkingen:
|
In Veghel wordt de naam bunders (behalve op een
oppervlaktemaat) gebruikt voor stroken rechthoekige
percelen. Veel van die percelen zijn al voor de 16de
eeuw en zelfs al vóór 1200 uitgegeven. Ik vermoed dat in
Veghel veel van die percelen dateren uit de elfde en
twaalfde eeuw. De oorspronkelijke verkavelde percelen in
het
deel Heise Bunders waren inderdaad 1 bunder groot.
|
|
Naam:
|
aan de Buendersteegt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Armeneussel aan bundersteeg en busselhecken [GVIIE13
(1792)]
buenderse steeg, heyde [GVIIE13 (1792)]
de
bundersteeg [kad. (1832); V.]; B 2 (w: 40.90), E 700
(he: 22.41.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Liggende onder Zijtaart in het voormalige heidegebied
het Reibroek en op de grens van de
gebieden het heibosch en de Heibunders, in het verlengde
van het vroegere Venssteegje.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1 |
|
Opmerkingen:
|
Steeg naar het gebied de Buenders.
|
|
Naam:
|
Bundervelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Het
bundersveldje [N (1869, 1875)]; B 894, 895 (b, w:
53.40),902 (b: 18.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Liggende in de Heibunders. Benoeming naar de ligging ter
plaatse. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 6, 14 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Busselen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert dit toponiem op meerdere plaatsen
in Veghel. |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Deze
percelen zullen oudtijds met geboomte of kreupelhout
begroeid zijn geweest of in de nabijheid van dergelijke
percelen gelegen zijn geweest. Bussele is diminutief van
bos (M. Top. Valk.).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Het gaat hier over uit bos ontgonnen percelen. Na de
middeleeuwen resteerde er weinig bos in Brabant. De
ondergang van de bossen is toe te schrijven aan te
intensief gebruik voor houtkap en bosweide en
ontginningen voor agrarisch gebruik. Uit andere
toponymische elementen blijkt dat er vroeger
aanmerkelijk meer bos voorkwam, bv. de vele lo-, hout-,
laar- en woud- namen. Het element ‘bos’ is vermoedelijk
van later datum dan de eerder genoemde ontginningsnamen
en behoort tot een jongere namenlaag. Het diminutief is
‘bussel’ of ‘busselke’, wat overigens eerder lijkt te
verwijzen naar percelen hakhout of geriefhout dan naar
kleinere bosontginningen. ‘Bus’ is te beschouwen als een
meervoudsvorm. Na de 13de eeuw gaat bos de
oude elementen ‘lo’ en ‘hout’ min of meer vervangen. Het
heeft oorspronkelijk meer betrekking op (laag)
struikgewas. In het mnl. kennen we ‘bosch/busch’ =
struikgewas, vnl. braambos en vlierbos, maar ook hoger
geboomte.
Gijsseling 1954; Buiks 1969:69; Moerman 1956:40; de Bont
1993:86.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 4, 14, 15 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Campken |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op meerdere
plaatsen in Veghel |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Kamp, lat. campus, is oorspronkelijk een synoniem van
veld in de betekenis van "open, onbebouwd veld". Hier
heeft kamp de secundaire betekenis van: een individueel
uit het veld gewonnen en door een heg of een houtkant
besloten perceel (M. Top. Valk., -160).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Kamp-namen komen veelvuldig voor in het oostelijk deel
van Brabant en vormen de tegenhanger van de
Westbrabantse ‘heiningen’. Het woord is afgeleid van het
lat. * campus en lijkt oorspronkelijk dezelfde betekenis
gehad te hebben als ‘veld’, nl. de open, woeste, soms
hoger gelegen vlakte en in een latere fase als
aanduiding voor omheinde of afgesloten ruimte of een
door tuinen of hagen omgeven perceel. Het Brabantse
cultuurlandschap wordt omschreven als een typisch
landschap van kampontginningen.
Volgens Vervloet zouden individuele kampontginningen
zich op deze zandgronden in optima forma ontwikkeld
hebben, omdat het systeem van de ‘gemeynten’ bestond,
die aanvankelijk door de bewoners gemeenschappelijk
werden gebruikt, maar waaraan men op gezette tijden
percelen kon onttrekken door verkoop aan individuele
ontginners. Andere benamingen die hetzelfde begrip
benaderen zijn look of gelookt, hof, goed en erf. Ze
worden veelal vermeld in combinatie met een persoonsnaam
of familienaam . Volgens Jansen gaat het vnl. om kleine
akkertjes ontgonnen uit hei of bos, waaromheen een haag
van de oorspronkelijke begroeiing is blijven staan. Dit
type ontginning zou m.n. in West-Frankrijk op een
uitgebreidere schaal voorkomen; daar spreekt men van
‘boccage’ en ook deze dankt die naam aan individuele
ontginningen. Hendrikx spreekt over een ontwikkeling,
die zich ongeveer vanaf de 10de eeuw inzette,
van oorspronkelijke eenmansvestigingen of los
gegroepeerde boerderijenzwermen, bestaande uit
boerderijen met huiskampen en veebochten waaromheen zich
langrepelakkers en aangelagen bevonden. Deze werden
omringd door bos, dat voor beweiding werd gebruikt. Door
afsplitsing groeiden hier bepaalde gehuchtkernen uit.
Vervloet 1984:54; Claes 1987:67; de Vries 1962:90;
v.Berkel & Samplonius 1989:94; Jansen 1978:242; Hendrikx
1989:56.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 5 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Cluijterkens, Cluitjens, Cleuterke |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Noch
uyt een stuck lants genoempt die cluijter gelegen in de
prochien voers. ter plaetsen geheyten int aakart [GVIDI
(1535)]
‘t
cleijter in d’aket [GVE15-37 (1624)]
de
cluyter, akart [GVEIII13 (1792)]
de
kluitert in het akert [N (1850)]; D 330 (b: 78.50)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging in het Akert. Mogelijk afgeleid van een
persoonsnaam, vgl. Aert Cloeter, 1447 (Kl.V.P. -7).
Samentrekking van kluit-aarde, grond, rijk aan kluiten,
mogelijk ook ruijk aan klot, turf. Personificatie van
kluit, misschien in de zin van klot, turf.
Kluit heeft de betekenis van zware moerassige grond, die
bij droogte wel eens hard kan worden (bron: C.
Cornelissen "Toponiemen nabij de Scheifelaar", van
Vehchele tot Veghel 83-56)
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Het mnl. ’cloot’ is verwant aan kluit en klot en
betekent primair klomp, kluit of bol, o.m. van aarde,
klei en turf. Voor de Kloot te Overpelt geldt de
betekenis aardhoop i.c. een zandheuveltje. Klootke is
een verbreid toponiem in het Brabantse, meestal als
simplex, maar ook in samenstellingen. Opvallend is dat
de diminutiefvorm meer als veldnaam voorkomt dan kloot.
Dit verklaart waarom Bach spreekt van ‘een klein
perceel’. Ook Stallaert noemt een ‘cloteken’ als een
klein stuk land. Meestal gaat het om een iets hoger
bolvormig perceel. Minder waarschijnlijk is een perceel
waar klot werd opgestapeld. (MWb dl.3:1581; Molemans
1976:823; Bach 1953:430; Stallaert 1980 dl.2:78; WNT
dl.7:4308; Buiks 1986 dl.2:92.)
Klot is een aanduiding voor goede zwarte turf. De termen
klot en turf worden door elkaar gebruikt, hoewel beide
benamingen niet dezelfde soort brandstof aanduiden. Turf
was de bovenste humuslaag met het heidekruid, die
uitgestoken, uitgeturfd of afgevlagd werd. Onder de
turflaag bevond zich de klot, ontstaan door een
opeenhoping van afgestorven moerasplanten. Synoniem voor
klot in deze betekenis is moer. (Buiks 1990:77;
Goossenaerts 1956:387.) |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 3, 4 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aent Hecken |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Het oude woord voor hek is ‘veken’. Het betekent
slagboom. Een toponiem als ‘de drie vekens’ kan een
perceel betekenen met drie hekken in de omgevende wal of
heg. Het gaat dus niet louter om slagbomen aan de
uiteinden van een dorp of gehucht, maar ook om hekken in
een omheining. Smulders vermeldt een hek te Hilvarenbeek
in 1387 in ‘Hildwarenbeke, repagulum dictum Loeveken’:
het hek bij het Loo. Een synoniem voor hek kan ‘ynde’
zijn zoals blijkt uit een tekst uit 1386 waar gesproken
wordt over een ‘repagulum dictum ynde’. In een
protocol van Esch wordt melding gemaakt van een stuk
land waarbij de volgende onderhoudspost staat
beschreven: ‘het halff hecken oft ynde teynden den
Meddel’ en ‘te onderhouden de heckens ofte ijnde
bij den Swemmer’.
Buiks 1990:81, 174;Lindemans 1953:28;Schröder 1972:73;Helsen
1978:83;Hermersdorf 1956:82;Smulders 1950: 81.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 6-8 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen de Heij |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dat
gelden Aert Glaeus kynder aan die heij [GVIE2 (1437)]
huis
in loco dicto aen die heye den langen ecker in loco
dicto henneberch [Hs- (1519-1538)]
aen
den hertgang de hey [GVE12-1 (1778)]
landt over 't heyke, 't campke [GVE12-30 (1778)]
de
heide [kad. (1832)]; D 361 (b: 10.50) (St.Oed.). de hei,
de heide, het heike [N (1886, 1891, V.]; B 171 (he:
9.46.20), C 5, 6 (w: 59), 399 (he: 19.72.30), E 638-640
(w: 55.40; hu: 57.00; de: 1.70.00), 692 (he: 14.72.50),
694 (he: 15.61.40), 1532, 1533 (he: 3.45.20), F 465
(he:
20.63.51).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Hei, heide werd meestal gebruikt ter
aanduiding van het tegenwoordige
Mariaheide, maar ook voor het heidegebied (vroeger van
St.Oedenrode) zuidelijk van
Eerde, en evenals "heike" voor percelen ontgonnen heide.
Anno 1832 kende Veghel nog
uitgestrekte onontgonnen heidegebieden: Hogerduinen,
Beukelaarsbroek, het Reibroek
onder Zijtaart, het Dubbele tussen Eerde en Veghel, het
Wuiten en het Vensbroekje nabij
Vorstenbosch en nog verscheidene kleinere gebieden. De
Veghelse heiden zullen meestal
laaggelegen geweest zijn. Zoals elders in de Kempen, is
heide de gangbare benaming
geworden ter aanduiding van de, meestal met heide
begroeide, gemeentelijke gronden, die
zeer
uitgestrekt waren. Andere namen ter aanduiding van deze
gemene gronden zijn Aard
(zie
Eerde), Gemeente en Vroente.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Achter elk gehucht lag destijds een uitgestrekte gemene
vroente, aard of veld, die in Brabant meestal wordt
aangeduid met ‘gemeynt’. Later werd ‘heide’ de gangbare
benaming voor deze omvangrijke gemeenschappelijke
velden, begroeid met droge heide [Erica] of met dop- of
hommelheide, de natte of platte heide. De heidevelden
hadden een economische betekenis voor de locale
agrarische bedrijfsvoering. Ze dienden als weideplaats
voor koeien en schapen geleid door een door een
buurtschap aangestelde herder of scheper. De ingezetenen
mochten op de heide turf steken, plaggen maaien en leem
uitgraven voor de huizenbouw. De talrijke vennen deden
dienst als rootputten of als visvijver. Er werd honing
gewonnen door het plaatsen van bijenkorven. Regelmatig
werden stukken van de gemeynt aan particulieren
verkocht.
De heidevelden, de onontgonnen gemeenschappelijke grond,
was begroeid met heidestruiken en andere lage vegetatie.
In Brabant was het de naam voor de gronden met een
typische flora en fauna: struikheide op de droge
gronden, dopheide op de wat nattere heidegronden samen
met gagel, jeneverbes en brem. Na ontginning kon heide
ook een perceel bouwland aanduiden dat door middel van
een omheining van levend hout uit de zgn. ‘gemene heide’
werd geïsoleerd.
Enklaar 1941; de Bont 1993:93; Molemans 1976:338;
Spierings 1984:31,32,225,226. ; Berkel & Samplonius
1989:106; Mennen 1992:53; Buiks 1990:103; Helsen
1978:119.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Heijs Bos |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Heysbos [RAV160-36 (1763)]
het
heibosch [kad. (1832)]; B 838-878
het
heische bos; het heische bosch [N (1842, 1845)]; B 894,
895 (w: 08.40; b: 45.00), 937, 938 (w: 54.70).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied aan de oostzijde van de Wethouder Donkersweg,
halverwege Veghel en Mariaheide, noordelijk van de weg
naar Uden. Benoeming naar ligging en begroeiing. Anno
1832 kende dit gebied een groot naaldbos.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 17 Perceel nrs. 9, 10 en 12 grensden aan
het Heijs Bos. |
|
Opmerkingen:
|
Cornelissen lokaliseert het Heijs Bos op perceel nrs. 1
en 2, wat niet correct is, hert bos bevond zich op
perceel nr. 17. Het bos werd aangelegd door
heer Nicolaas de
Gijselaar en de Veghelse secretaris Gerard de Jong. Rond
1727-1728 kochten zij een aantal aan elkaar gelegen
percelen van verschillende eigenaren, waarna de kavels
met bos beplant werden. Dat bos werd het Heijs Bos
genoemd.
In 1796-1801 werd het bos verkaveld, in delen verkocht
en daarna grotendeels gekapt. Op de kadasterkaart van
1832 staat het gebied als weiland aangegeven, met
uitzondering van enkele percelen aan de oostzijde, die
dan nog als hakhout en dennenbos geboekt staan.
Het Heijs Bos had dezelfde vorm en afmetingen als het
ten noorden gelegen gebied genaamd de Heijse Bunders. In
die Heijse Bunders is nog de oorspronkelijke verkaveling
in 9 percelen van 1 bunder te traceren. Mogelijk had het
Heijs Bos oorspronkelijk eenzelfde verkaveling. De
oorspronkelijke herkaveling ging hier door de aanplant
van het bos en de herverkaveling in 1796-1801 verloren.
|
|
Naam:
|
in de Heijse Bunders |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
de heytse bunder (onder Eerde) [GSO-262 (1617)]
in
de heydse bunders [Mrv91-201v (1735)]
agterste eeusel in de heyse bunder [GVE12-137 (1777)]
de
heibunders [kad. (1832)], [V.]; B 705-731 (w: 12.31.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend aan de zuid-oostzijde van het Ven. Als
enkelvoud ook benaming voor
enkele andere verspreid liggende percelen. Benoeming
naar de ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 9-17 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
in de Lange Bunders |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Van
den langen buender (onder Eerde) [GSO-262 (1617)]
eeusel in lange buenders off geere [GVEI2-4 (1778)]
de
lange bunders in de Bunders [N 1891); A 286-289 (w:
1.36.90).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. |
|
Ligging:
|
Deel van perceel nr. 17 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aent Poyervelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
de hoeve ‘t guet te poervelt [BP1195-175 (1425)]
poyervelt (poeyervelt) aen de hey naast proostcamp
[RAV31-33 (1594)]
2
groesveltjes aent poyervelt [GVE12-109 (1778)]
1
perceel teulland, groese, moerveld, houtwasch genaemt
het poijerveld, gelegen te vechel ter plaatse genaemt de
heijde [N (1817)]
poierveldjes [V.-]; B 818-819 (w: 54.90; ho: 64.20)
poelieveldjes, tegenwoordige uitspraak voor poeierveld
(Hs-]
de
poelieveldjes (Mariaheide bij Bouwlust) [Ms-]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
De
naam wijst op de aanwezigheid van een poel in de
betekenis van moeras, stilstaand water (Verwijs en
Verdam, -506). Een gedeelte van de Poelieveldjes bestaat
nu nog uit een moerasbosje.
Het werkwoord poelieën heeft in het plaatselijke dialekt
ogeveer de betekenis van spelen/roeren in het water,
spatten, plassen, etc. Deze betekenis komt dichtbij die
van het mnl. poderen, in iets roeren of wroeten, ook op
eene bepaalde wijze visschen met een poder, pueder,
poyer, peur, dit is met een tros met wormen visschen. (Verwijs
en Verdfam, -503, -504). Het is niet onvoorstelbaar dat
dit gebied eens waterrijk geweest is (op betrekkelijk
korte afstand ligt nog de grote, oude waterplas, het Ven)
en dat hier het “poderen” bedreven werd. In dit geval
zou dit mnl. werkwoord de grondslag vormen voor het
onderhavige toponiem.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
De oorspronkelijke betekenis is misschien modder, zodat
het woord mogelijk verwant is aan het mnl. ‘poderen’ =
roeren, zoals in Poederoijen. Anderen zien er stof en
zand in, in de betekenis van een zanderig oppervlak. Bij
Pooiel denkt men aan het mnl. ‘poye’ afkomstig van het
fra. puy en lat. podium: heuvel of hoogte. In Poederle
vermoedt men een afleiding van ‘poder’ of ‘puder’, wat
wordt beschouwd als een assimilatievorm van podel, pedel
= moeras. Verdam vermeldt: poderen, in de betekenis van
in iets roeren of wroeten. (Moerman 1956:182;
v.Berkel & Samplonius 1989:148; Verdam 1932:469.)
|
|
Ligging:
|
Deel van perceel nr. 17 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Roeffencamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cluyterken, ook roeffencamp in buenderse hoek
[RAV159-66v (1743)]
twee
groesvelden gelegen te veghel aan het beukelaar genaamd
roeffekamp [N (1830)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het Beukelaar/de Bundersehoek.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 3 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een voormalige eigenaar.
|
|
Naam:
|
St. Agatha Beemt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Deel van perceel nr. 17 |
|
Opmerkingen:
|
Deze beemd was eertijds in bezit van het Sint-Agatha
altaar in de Veghelse kerk.
|
|
Naam:
|
Udens Campken |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Udens campke in heyse buenders [GVEI2-112 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in de Heibunders. benoeming naar de
ligging; mogelijk is de benaming
Heibunders in vroeger tijden op een ruimer gebied van
toepassing geweest; het kadastrale
gebied de Heibunders ligt op vrij grote afstand van
Uden. Misschien was het perceel op
een
of andere manier met Uden verbonden
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 9-11 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een voormalige eigenaar.
|
|