|
Naam:
|
Ackerke |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op verschillende
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Akker betekende oorspronkelijk het gemeenschappelijke (cfr.
gemene akker) landbouwland bij een nederzetting. Jonger
is akker in de betekenis van “een perceel bouwland (uit
deze complexen)”, vrijwel altijd in de vorm “bepalend
bestanddeel + akker”, waarbij het eerste lid wijst op
bezit, ligging, vorm, teelt, enz.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
De oudste vermelding van ‘akker’ komt voor in het
Fragmentum Bladiniense uit de 9e eeuw. Akker wordt
geïnterpreteerd als: bouwland behorend bij de
dorpsgemeenschap. Deze omschrijving slaat op de bekende
dorpsakkers c.q. gehuchtakkers. Ook is gedacht aan de
betekenis van ‘het omheinde veld’. Er wordt een verband
verondersteld tussen frequentie van akkernamen en
bevolkingsdichtheid in het oude Toxandrië. Volgens
Molemans zouden akkernamen het meest voorkomen op de
oevers van de Weerijs met de zijbeken en langs de
Dommel. In de zuidelijke Belgische Kempen ontbreken ze,
maar ze worden wel aangetroffen in Belgisch Limburg. Het
dichtstbevolkte deel van Toxandrië zou het
noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen en het
aansluitend Nederlands territorium omvat hebben.
In de Baronie schijnen dorpsakkers en daarmee ook
nederzettingen frequent te liggen langs Weerijs en Mark.
Akker, kouter en es dekken aanvankelijk hetzelfde
begrip, nl. het gemeenschappelijk ingesloten bouwland
van een bevolkingsgroep.
In het oosten van Nederland kunnen twee hoofdgroepen in
de bebouwingswijze onderscheiden worden, nl.: grote
aaneengesloten akkercomplexen en kleine met bomen en
akkermaalshout omgeven stukken akkerland in de vorm van
‘kampen’. Binnen de dorpsakkers waren geen heggen of
wallen. De scheiding tussen de percelen moest met
ploegvoren, scheikeien of bomen worden aangegeven. In
Belgische toponymische studies over het zuiden van het
oude hertogdom Brabant wordt regelmatig gesteld dat rond
het gebruik van de dorpsakkers in de zgn.
dorpskeurboeken regels waren opgesteld.
Akkernamen komen in de cijnskring Helmond frequent
voor, zowel met voor- als achtervoegsels, met persoons-,
flora- en faunanamen [redactie]. (Helsen 1952:127;
Lindemans 1940-1954 dl.3; Gijsseling 1978, Buiks
1990:47; Helsen & Helsen 1978; De Vries 1958; Molemans
1977; Slicher van Bath 1944:2; Buiks 1983 dl.2:28)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 24 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Beeckgraeff |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Op
hazelberch beemd deusseis van hazelberchs camp aen den
beeckgraeff [RAV-23
(1519-1538)]
op
haselbergh in de palsdonk aen den beekgraeff [HH-147
(1621-1691)]
't
geerken aen den beeckgraeff [GVE15-3 (1624)]
haselbergs (beemt) grenst aan beekgraaf [RAV-159 (1741)]
lA
hoij op den beeckgraef [GVE12-168v (1778)]
de
beekgraaf, lopende door sektie A, B en C [kado (1832)];
de beekgraaf [N (1890)]; A 159-162 (w: 1.11.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Schönfeld merkt in verband met het woord "beek" op, dat
dit woord een natuurlijk water aanduidt, van minder
betekenis dan een rivier; maar later is ten onzent zo'n
beek vaak vergraven of gekanaliseerd. Dit laatste geldt
dus voor Veghel ook. Beekgraaf is een tautologisch
hydronym. Het element "graaf" is de benaming voor een
water, dat dienst doet als afvoer naar een ander water (Hoogbergen).
Deze niet onaanzienlijke waterloop kronkelt zich vanaf
de grens met Erp via de Krekelshof bij Mariaheide, de
Hintel en het Ven, zuidelijk van de Hazelberg, naar de
Aa. Het meest westelijke gedeelte ervan vormt globaal de
grens tussen Veghel en Dinther.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 17 grensde aan de Beeckgraeff.
|
|
Opmerkingen:
|
Aan de noordzijde van dit perceel lage en laaggelegen
nat gebied, de Rijt genaamd. Op de kadasterkaart staat
de Beekgraaf aan de noordoostkant van dit gebied
getekend en aan de zuidwestkant liep een loopje.
|
|
Naam:
|
Bijtel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 20 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar de vorm: langwerpig met een
trapezmiumvormig einde. |
|
Naam:
|
Donkeren Dyk |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Landt en dijck aen de hey den donkerendijk [GVE12-45v
(1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. Het eerste lid zou ook het adjectief
"donker" kunnen zijn. Er zou dan
sprake kunnen zijn van een weg, beplant met hoog opgaand
houtgewas, dat veel licht
tegenhield.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Grevenbroekx Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Grevenbroek of hijmanscamp aen hey [GVE12-71 (1778)].
Het
lant in grevenbroeckscamp (Ven) [GVE2-14 (1702)]; 't
heyvelt grevenbrox camp
[GVE12-44v (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op het Ven.
Genoemd naar een persoonsnaam, Grevenbroek. Mogelijk is
het eerste lid ook een genitief van het mnl. greef,
grave, graaf, "graaf, opzichter, opziener"(M. Top Boch
-75).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 9, 12 |
|
Opmerkingen:
|
Geoemd naar een voormalige eigenaar. De bron waar
Cornelissen naar verwijst (Verpondingsregister van 1702)
vemleldt het Ven als woonplaats van de eigenaar of
gebruiker, niet de ligging van het perceel.
|
|
Naam:
|
bij, aen den Hennenberg |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Ad
locum dictum Hennenberch [Hs- (1380-1385)[
huis
in loco dicto aen die heye, den langen ecker in loco
dicto hennenberch [Hs- 91519-1538)]
den
heyecker in den hennebergh [GVE12-129 91624)]
lant
in henneberch aen de hey [GVE12-197 (1777)]
een
perceel bouwland genaamd den hennenberg gelegen te
Veghel aen den Udenschendijk [N (1843)]; C 89 (b: 42.70)
de
hennenberg [N (1862), V,-]; C 81, 82 (b: 48.00; og:
07.10), 85 (b: 1,72.20)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging in het gebied genaamd “Aan de Udense Dijk” onder
Mariaheide, ongeveer tegenover de kerk. Het meest voor
de hand liggend lijkt de verklaring van een hoog gelegen
land met hennen. Misschien is het eerste deel van een
vervorming van heinde- (heinde en ver)? Het verband dat
Hooghbergen suggereert met :heinde” wordt ondersteund
door het toponiem Verrenberg, dat ook ongeveer op dit
gebied betrekking zou kunnen hebben.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 13, 16, 24 |
|
Opmerkingen:
|
Het 'berg' wijst op een hoger gelegen gebied. Volgens de
hoogtekaart was het hoogste punt van de Hennenberg ruim
1 meter hoger dan de omgeving.
De verklaring met hennen- lijkt me onwaarschijnlijk. Dat
zou betekenen dat het perceel genoemd zou zijn naar
kippen of een daar aan verwante of erop lijkende vogel
die zich daar dan vaak zou moeten bevinden.
De verklaring met heinde- is geloofwaardiger. Niet
uitgesloten mag worden dat er een persoonsnaam schuil
gaat achter deze veldnaam: Hendrik, of Hein. Beijers en
Van Bussel vermelden in Schijndel de veldnaam
Hennen Tekenshoeve (1370).
|
|
Naam:
|
aen de Heyde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dat
gelden Aert Claeus kynder aan die heij [GVIE2 (1437)]
huis
in loco dicto aen die heye den langen ecker in loco
dicto henneberch [Hs- (1519-1538)]
aen
den hertgang de hey [GVE12-1 (1778)]
landt over 't heyke, 't campke [GVE12-30 (1778)]
de
heide [kad. (1832)]; D 361 (b: 10.50) (St.Oed.). de hei,
de heide, het heike [N (1886, 1891, V.]; B 171 (he:
9.46.20), C 5, 6 (w: 59), 399 (he: 19.72.30), E 638-640
(w: 55.40; hu: 57.00; de: 1.70.00), 692 (he: 14.72.50),
694 (he: 15.61.40), 1532, 1533 (he: 3.45.20), F 465
(he:
20.63.51).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Hei, heide werd meestal gebruikt ter
aanduiding van het tegenwoordige Mariaheide, maar ook
voor het heidegebied (vroeger van St.Oedenrode)
zuidelijk van Eerde, en evenals "heike" voor percelen
ontgonnen heide. Anno 1832 kende Veghel nog uitgestrekte
onontgonnen heidegebieden: Hogerduinen, Beukelaarsbroek,
het Reibroek onder Zijtaart, het Dubbele tussen Eerde en
Veghel, het Wuiten en het Vensbroekje nabij Vorstenbosch
en nog verscheidene kleinere gebieden. De Veghelse
heiden zullen meestal laaggelegen geweest zijn. Zoals
elders in de Kempen, is heide de gangbare benaming
geworden ter aanduiding van de, meestal met heide
begroeide, gemeentelijke gronden, die zeer uitgestrekt
waren. Andere namen ter aanduiding van deze gemene
gronden zijn Aard (zie Eerde), Gemeente en Vroente.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Achter elk gehucht lag destijds een uitgestrekte gemene
vroente, aard of veld, die in Brabant meestal wordt
aangeduid met ‘gemeynt’. Later werd ‘heide’ de gangbare
benaming voor deze omvangrijke gemeenschappelijke
velden, begroeid met droge heide [Erica] of met dop- of
hommelheide, de natte of platte heide. De heidevelden
hadden een economische betekenis voor de locale
agrarische bedrijfsvoering. Ze dienden als weideplaats
voor koeien en schapen geleid door een door een
buurtschap aangestelde herder of scheper. De ingezetenen
mochten op de heide turf steken, plaggen maaien en leem
uitgraven voor de huizenbouw. De talrijke vennen deden
dienst als rootputten of als visvijver. Er werd honing
gewonnen door het plaatsen van bijenkorven. Regelmatig
werden stukken van de gemeynt aan particulieren
verkocht.
De heidevelden, de onontgonnen gemeenschappelijke grond,
was begroeid met heidestruiken en andere lage vegetatie.
In Brabant was het de naam voor de gronden met een
typische flora en fauna: struikheide op de droge
gronden, dopheide op de wat nattere heidegronden samen
met gagel, jeneverbes en brem. Na ontginning kon heide
ook een perceel bouwland aanduiden dat door middel van
een omheining van levend hout uit de zgn. ‘gemene heide’
werd geïsoleerd.
Enklaar 1941; de Bont 1993:93; Molemans 1976:338;
Spierings 1984:31,32,225,226. ; Berkel & Samplonius
1989:106; Mennen 1992:53; Buiks 1990:103; Helsen
1978:119.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2, 3-6, 11, 15-21, 30 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Heyacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
heyacker op sontvelt [Hs- (1530)]; een stuck landts den
heyecker (onder Eerde) [GS)262 (1617)]
heyacker op seytaert [RAV157-101v (1694)]
heyakker in den berg [GO(1754)]
de
heiakker [kado (1832)]; B 249-302
den
heiakker, de heiakkers [N (1836, 1842, 1891, 1892],
[V.-]; A 1 (b: 90.40), C 162 (b: 29.60), 179-182 (b:
90.60; og: 06.78), F 965-966 (b: 56.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied oostelijk van het Ven bij de buurtschap
Driehuizen, en aan de oostgrens der
gemeente onder Mariaheide aan de zuidzijde van de weg
naar Uden. Ook benaming voor
afzonderlijke percelen verspreid over de gemeente.
Benoeming naar de ligging op of nabij
de
heide; bouwland ontgonnen uit de heide.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 3, 4, 5, 7-10, 13-17, 21. Ook 5, 8, 11, 12,
18-20 en 22-24, want de Heyakker liep verder naar het
westen door, zie
de kaart met toponiemen van Udense Dijk.
Perceel nr. 8 heette de Agterste Heyacker.
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Heycamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
heycamp, scheiding met Lieshout [Hs- (1546)]
gelegen ter plaatse aan d'Eerde genaemt den heycamp
[GOI26-39 (1638)]
die
heydecamp [(1747-1794)]
heische camp [N (1836)]; A 809 (w: 46.20); heikampen [kad.
(1832)]; F 455 (w: 21.49.30), 457-460 (w: 10.37.00; he:
46.16.90), 465 (he: 20.63.50), 467 (he: 23.56.90),
470-471 (he: 11.16.60)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Benaming naar de ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 10 |
|
Opmerkingen:
|
Vermoedelijk genoemd naar de begroeiing met heide.
|
|
Naam:
|
Heymans Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Grevenbroek of hymanscamp aen hey [GVEI2-71 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. Het eerste lid is een persoonsnaam
vgl. Carel Heymans 1867
(Kl.Bev.
V.-).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 12 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een voormalige eigenaar.
|
|
Naam:
|
Hogen Dries |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Twee
groesveltjes aldaer (Zontvelt) den hogen dries en't bos
[GVE12-284 (1777)]
de
hooge dries -heyde [GVIIE13 (1792)]
zich
uytstreckende tot den hogen dries (op den Erpsenweg)
[GVIIB26 (1803)]
de
hoge dries [V.-]. F 931 (w: 62.40).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. benoeming naar de hoge ligging
Dries:
Kil.
driesch = ager pascuus. Lindemans wijst op verband met
het telwoord drie. De betekenis zou dan zijn "toestand
van den akker in het derde jaar van den wisselbouw". Hij
legt verband met het jra. trieu. Uit de omstandigheid "braakland"
ontstond dan een tweede betekenis: "leeg, onbebouwd
land" en ook "weiland".
M.
Gysseling sluit zich aan bij Mansion's opvatting (O.G.N.
106) die thriusk- afleidt van threusk. In Vla. evolueert
-eu als volgt: -eu- wordt -eo- wordt -io- wordt -ie- in
tegenstelling met Holland-Utrecht-Limburg, waar althans
voor Umlautsfactor uit eu ü ontstaat. Als men in thriusk
de -u- als een vocaliseringsproduct beschouwt van de -w-
en -sk- als een residusuffix van het suffix-isk, dan
verkrijgt men een etymologie die blijkbaar de oudste
betekenis van dries goed dekt. De betekenis is dan "braakliggend
land" en "dorpsplein".
Zie
Valkenswaard -188.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
De algemene betekenis is weiland bij de boerderij, vaak
wat hoger gelegen, waarvan het gras en het zgn.
drieshooi van betere kwaliteit is dan het bekende
beemdhooi. Tegelijkertijd wordt gedacht aan een stuk
grond met gras en onkruid, vaak te slecht om te bewerken
en begroeid met struikgewas. Soms ook een verloren
hoekje op het kruispunt van wegen, strookjes onbebouwde
grond aan veldwegen gelegen.
Het minutieuze onderzoek van Claes in de omgeving van
Diest toonde dat t.a.v. de percelen met een driesnaam 43
maal akkerland van toepassing was, 12 maal bos, 7 maal
beemd, 3 maal weide, 2 maal eeuwsel, 1 maal ‘schom’ =
onvruchtbare heidegrond, 2 maal een bij een huis gelegen
boomgaard, 1 maal vroente of gemeynt en 1 maal
heidegrond. Dat verklaart hoe divers de betekenis van
dit element kan zijn. Tegelijkertijd is het aantal
samenstellingen onderzocht met als resultaat dat van de
samengestelde dries-toponiemen er 15 maal sprake was van
een PN, 6 maal een ander toponiem waarbij of waarin een
dries is gelegen, 16 maal een afleiding van een
diernaam, 16 maal een planten- of vruchtennaam en
tenslotte kwam dries 17 maal voor met een adjectief.
Volgens sommige auteurs zou in Vlaanderen, Brabant en
Zuid Limburg dries staan voor een driehoekig dorpsplein,
een betekenis welke reeds in de 12de eeuw zou
zijn opgekomen.
De Bont 1969 dl.3:15; Gijsseling 1954; Molemans
1976:288; Claes 1984:52; de Vos 1952:53; Lindemans
1951:15; Gijsseling 1952:49; Lindemans 1952:89.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 24 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Cleyn Eeusel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
veldnaam “Eeussels” kwam in Veghel op verschillende
plaatsen voor.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Eeusel, afgeleid van eeuwen “voeren” is gangbare
Kempische benaming voor weiland meestal van
minderwaardige kwaliteit (M. Top. St. Huibr.Lille,
-133). |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Eeuwsel wordt verklaard als een droge zomerweide,
veelal in particulier bezit en omheind, een schrale
weide of een weide in de bossen. Dit toponiem komt in
het zuiden van de Baronie geregeld voor, maar in het
oostelijk gedeelte van Brabant is het al even frequent
[redactie].
Te Overpelt was een ‘eusel’ een kunstmatige weide i.c.
ontgonnen heide of woeste grond met buntgrassoorten
begroeid en in gebruik als veeweide, primair voor
schaapskudden. Volgens Lindemans zijn de eeuwsels in de
Belgische Kempen het eerste stadium bij de ontginning
van heide tot cultuurland. Het is niet precies te
achterhalen tot wanneer de eeuwsels als veeweiden hebben
dienst gedaan, maar zeker niet langer dan de 16de
eeuw.
Dat de eeuwsels goede hooilanden waren is
onwaarschijnlijk vanwege de bodemgesteldheid, nl. matig
natte zandgronden. Veel eeuwsels zijn thans als weiland
in gebruik omdat de grond voor hooiland niet vochtig
genoeg is en voor bouwland te nat.
(Lindemans 1946:2; Pijnenburg 1976:1; Buiks 1984
dl.9:32; Mennen 1992:217; Buiks & Leenders 1993
dl.4:383; Molemans 1976:314; Lindemans 1952; Helsen
1978:116.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 26 |
|
Opmerkingen:
|
Het Groot Eeusel (Udense Dijk nr. 22) en het Cleyn
Eeusel lagen bij elkaar en waren in de achttiende eeuw
van dezelfde eigenaar.
|
|
Naam:
|
Cornelis Land |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
perceel bouwland gelegen alsvoor (op den hogen akker
onder Veghel) genaamd comelisland, de heide [N (1830)]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op de Hoge akker nabij Vorstenbosch.
Het eerste lid zal een persoonsnaam of mansnaam zijn.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 8 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
(op, aan, bij) de Crekelshoff |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Ad
locum dictum op krekelshof [BPI214-136 (1440-1445)]
gelegen tot veghel aan de hey by de crekelshoff [GVB44
(1546)]
huis,
bakhuis in Veghel aan de heij van ouds genaamt de
kreeckelshoff (eigenaar Jan Ruth v.d. Crekelshoft)
[RAV99-264v (1732)]
crekelhoff aan de hey [RAV159-89v (1746)]
krekelshof [kad. (1832)]; C 183-211.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggende onder Mariaheide, zuidelijk van dweg
naar Uden, nabij de grens met Uden. Krekel = krakeel,
perceel waarover een (grens)betwisting bestond of krekel
"insekt": aanduiding van woeste respektievelijk
onvruchtbare terreinen (M.Top. Valk. -74). Het eerste
lid bevat weer een diemaam. het ligt voor de hand om ook
hier weer te denken aan benamingen, misschien door
spottende buren gegeven, voor slecht en onvruchtbaar
land. Bij Krekelshof zal dat in ieder geval een
moerassig gebied geweest zijn.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-3, 5-7, 10, 11, 14, 17, 20, 30, 31 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
den Krekelhofsen Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2 |
|
Opmerkingen:
|
Akker gelegen bij de Krekelshof.
|
|
Naam:
|
Lege Heyde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Leege hey [Hs- (1664)]
de
leegh hey bestaet in 23 huyssen ende begint in den
buender genaemt den junger aen muylengraeff is
toegemeten yder 4 roeden [GVIIB28 (± 1700)]
van
eenen acker aen de leeg heyde [HH163-4 (1714-1783)]
lege
hei [Mh- (1954)]
de
lage heide [kad. (1832)]; B 351-393; [N (1843)]; B
409-415 (hu: 09.10; mo: 03.42; w:
89.60; b: 1.64.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied onder Mariaheide aan de noordzijde van de weg
naar Uden, ongeveer vanaf de kerk oostwaarts tot aan de
Beekgraaf vlakbij het gedenkteken. Benoeming naar de
ligging. Ten oosten van dit gebied begint het niveau van
de bodem te stijgen. (Uden ligt aanmerkelijk hoger dan
Veghel)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 6, 9, 13, 16, 19, 21, 24 |
|
Opmerkingen:
|
Voor een bespreking van de ligging van de Hoge en Lage
Heide,
klik hier. |
|
Naam:
|
Loop, Scheytsloop |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze waternaam op verschillende
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Waterloop. |
|
Ligging:
|
Percelen nrs. 4, 30 en 31 grensden aan de Loop en nr. 17
lag bij den Scheytsloop. |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Oetelaers Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Landt aen hey in oettelaerscamp [GVE12-96 (1778)];
oetelaarskamp op de heiakker [N (1862)]; C 146, 148 (b:
1.40.20).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
benoeming wellicht naar persoonsnaam vgl. Antonia V.d.
Oetelaar, 1908 (Kl.Bev. V.). |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 17-19 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Rydt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Te weten dat derde deel van de rijt [GVIE2 (1422)]
hoyvelt die ryth in die nederbiest [Hs- (1519-1538)]
twee stucxkens neffen de rijt in den d'avel1 [GVEI5-83
(1624)]
int reijtie (den biesen) [GVE2-285 (1702)]; de reydt,
crekelhoff [RAVI59-157v (1752)]
de rijt [kad. (1832)]; C 461-472
de ryt [N (1876, 1882, 1883, 1884)]; C 471-472 (he:
7.09.50), D 108-109 (b en w: 74.10), 172 (b: 62.30), E
1049 (ho: 25.60) 790 en weg. (he: 5.83.10)
de rijdt [V.-]; B 404 (b: 56.80); de reytjes [V.-] B 1,
5, 6 (w: 95.50)
de rijt [V.-]; D 108 (b: 42.50); de rijtjes [V.-]; E
764-765 (b: 0.18.19; w: 0.20.50).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend tussen de Heuvel en Blankenburg, tevens
verspreid liggende percelen.
Wellicht benoeming naar de ligging aan een rijt
"waterloop" (M. Top. Valk.-219). |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Er zijn bij rijt diverse oudere varianten denkbaar zoals
ret, retten, rit, ride en de diminutieven rijtke, reitke,
rie(t)ke en retke. Het is mogelijk de meest voorkomende
waternaam geweest afgeleid van het germ. * ridha = beek,
waterloop.
In veel gevallen komt ‘rijt’ voor als benaming van
landerijen; de naam van het water is overgedragen op het
aangrenzende land. Dit getuigt van de ouderdom van de
naam. De primaire betekenis is kleine waterloop.
Volgens Beex zou een rijt vooral het dalvormig begin
zijn van een beek, een soort komvormige laagte.
Onder Alphen is de naam Rijt al bekend in 1295. Rijten
waren al of niet gegraven waterlopen. Het is een
soortnaam zoals bv. ven, goor, meer, broek en weijer. De
rijten, goren en broeken hadden een regelende functie in
de waterstand der riviertjes. Bij veel regen hielden ze
veel water vast en bij droogte bleef het wegsijpelende
water van de reservevoorraad voldoende om de riviertjes
en beken stromend te houden.
Beex 1964:26; Buiks 1992:20; Molemans 1976:1334;
v.Berkel & Samplonius 1989:153; Buiks & Leenders 1993
dl.2: 97; Buiks & Leenders 1993 dl.3:230.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 27, 29-21. Waarschijnlijk ook nr. 28
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Veghels Landt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 22 |
|
Opmerkingen:
|
Percelen gelegen te Veghel.
|
|