|
Naam:
|
Bultvelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Bij
de bespreking van het toponiem Bult: Benoeming naar
accidentering in het terrein ter plaatse. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 3b2 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Frankevoort |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Tillaersacker ad locum dictum tillaer prope locum dictum
vrankenvoert [Hs- (± 1380)]
ad
locum dictum vranckevoert [Hs- (1470-1480)]
filius Johannis de vrankevort [HHI27-2(1471)]
ad
locum dictum aent Franckevoert [Hs- (1485-1490)]
vranckevoert [GVE2-39 (± 1500)]
een
huijsinge met vier lopensaten lant en de groescanten
genampt het vranckenvoort [N. (1656)]
huijs, hoff ende aangelegen teulant, groese ende hoij,
ter plaatse genoempt aent franckefort [N. (1710)]
frankevoort in Tillaartse [RAVI58-93 (1730)]
frankevoert [GVEI2-118v (1778)]
sijn
veld frankvort op den heuvel [GVIIB7 (1791)]
aan
het haveld genaamd aan frankevoort tiende in davelaar
[N. (1820)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging ongeveer identiek met de Stad. Het eerste lid
zou een persoonsnaam kunnen zijn.
De
familienaam Franken is nu nog bekend in Veghel.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 22, 24 |
|
Opmerkingen:
|
Afgeleid van de naam van een persoon die bij de voort
woonde. Vergelijk met Rijkevoort op Krijtenburg, genoemd
naar ene Richard die bij die voort woonde. De
Frankevoort zal te plaatsen op het punt waar de
noord-zuid lopende weg de waterloop passeert.
|
|
Naam:
|
(aen) de Haag |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
hage, davelaarstiende [Hs- (1572)]
haer
haegh mette rouhaegh ende het heestervelt (onder Eerde)
[GSO-262 (1617)]
erf
met een groesveltje aende haeg [GVEI2-124 (1778)]
de
haag [kad. (1832)]; C 473-502
de
haag [N. (1875, 1892)]; C 474-476 (b en w: 1.77.10),
504-506 (b en w: 37.20)
den
haag [N. (1835)]; C 503 (b: 94.90)
de
haag [N. (1838)]; D 47 (w: 33.20) voormalig ged.
St.Oedenrode.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied grenzend aan de Heuvel, aan de oostzijde. tevens
gebied in Eerde (Schijndel/ St.Oedenrode). Mnl. hage(n)
1) bosje van laag hout of kreupelhout, 2) heg, heining.
Buiten de betekenis van "omheining van levend hout,
secundair een met houtgewas omheind
perceel" had haag dus ook de betekenis van "laagstammig
bos, doornstruiken: (M. Top.
Valk.
-126).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Over het algemeen is een haag bedoeld van doornstruiken
als terreinafsluiting, vgl. het woord ‘heg’. Andere
auteurs geven de verklaring van ‘omheind bosje’. Een
derde betekenis is: afgesloten jachtgebied. De haagnamen
vormen vermoedelijk een bijzondere groep en zijn
moeilijk te dateren. Opvallend is dat haagtoponiemen
binnen de cijnskring vaak op lokaties liggen die
archeologisch interessant zijn, zoals bv. ‘die Haghe’
onder Helmond, waar de oude Helmondse burcht is
blootgelegd en ‘ter Haghe’ in Everse onder St.
Oedenrode, waar de Haagakkers archeologische
schatkamers bleken te zijn. Qua ligging zijn de
haagtoponiemen in de meeste gevallen binnen de oude kern
van de nederzettingen te traceren. De Vlierdense
Haanakker is vermoedelijk een verbastering van de oudere
benaming Hagenakker [redactie]. Hagelveld zou ontstaan
kunnen zijn uit haag + el-uitgang in de betekenis van
veld met hagen of struiken omgeven.
Moerman 1956:78; Helsen 1978:61; Gijsseling 1981:76;
Verdam 1932:234; Schönfeld 1950:134; Mennen 1992: 300.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 6, 7, 9, 12, 14-16, 18-21 |
|
Opmerkingen:
|
De betekenis haag = omheining wijst niet noodzakelijk
op een hoge ouderdom. In Veghel dateert de naam "Haag"
voor zover is te overzien uit het begin van de
veertiende eeuw. Hier lag de Haag niet binnen de oudste
kern, maar was het een laatmiddeleeuwse gronduitgifte.
|
|
Naam:
|
aant Havelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Uuyt
erffenissen aen dat havelt gelegen [GVIE2 (1443)]
in
die nederboect aent havelt Hs- (1519-1538)]
zijnen hoff ende lant aen't havelt [GVE15-33 (1624)]
uytten aabempt aen't havent [HH163-2 (1714-1783)]
hertgang 't havelt [GVE12-107 (1778)]
het
haveld [kad. (1832)]; D 1131-1256
het
haveld [N. (1883)]; D 1231 (b: 45.10)
In
't goet te hanvelt [BP1184-182v (1405)]
die
hoeve te hanevelt en die hoeve te hanenvelt [BP1208-229v
(1439)]
huis
die hovel aent haenvelt [Hs- (± 1495)]
sitis in prochia de Vechel ad locum dictum aent haenvelt
[GVIDI-3 (1532)]
't
goed van Haneveldt [Mrv1325-4 (1633)]
't
goed van Hanevelt, Vechel, genaemt de Lankveltse hoeve
[Mr92-72 (1780)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Buurtschap en gebied aan de oostzijde van de dorpskom,
zuidelijk van de weg naar Erp. Misschien een nevenvorm
van of ontstaan uit het toponiem Davelaar (zie Davelaar).
Op grond van bovenstaande opgave zou men gelijkenis
verwachten met Hamveld. Maar 't Havelt en 't Ham zijn
twee onderscheiden stukken grond. De namen zijn nog
algemeen bekend. Misschien is een etymologie oorspr.
hovevelt aanvaardbaar. Bij contractie (korte -e- staat
tussen gelijke consonanten) ontstaat hovelt. In
dialectische uitspraak misschien vervormd tot Havelt.
Bij deze constructie zou eveneens een naam "Hoffelt" of
"haffelt" mogelijk zijn. Een tweede mogelijkheid is
wellicht een vorm: ho-veld, een hoog veld.
Haanveld is vermoedelijk
identiek met het Hamvelt. Het eerste lid kan ook een
persoonsnaam zijn vgl. Henrick Willem die Haan 1431 (Kl.V.P.
-103v).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Hanvelt (Leenboeken 1312)
Soms staan haantoponiemen in verband met de cijns die op
het betreffende perceel rustte, een haan. Meestal echter
moest de cijnsplichtige kapoenen, ganzen of hoenders
leveren aan de cijnsheffer.
Ook kan het afleiding van een familienaam zijn, nl. de
familie Hanen, die verspreid voorkwam in de cijnskring.
Haannamen kunnen ook refereren aan plaatsen waar
hanengevechten werden gehouden of aan plaatsen waar
korhanen of patrijshanen voor kwamen. Het baltsen van
korhanen in het voorjaar gebeurde op speciale plekken op
de heide. Dit spectaculaire gebeuren in de vroege
ochtend zal niet onopgemerkt zijn gebleven. Korhoenders
komen voor in de overgangsgebieden tussen open
heidevelden en bossen en op de randen van de akkers,
moerasgebieden en broekgronden. De aanwezigheid van
bomen, bij voorkeur in verspreide lage bosjes grenzend
aan open plekken, ontstaan door afbranding, was
essentieel voor hun biotoop. De vogels fourageerden
daarbij op de (kleinschalige) akkers en broedden op de
heide. Benamingen naar vogelnamen komen in de toponymie
frequent voor.
De Vlierdense Haanakker is waarschijnlijk een
verbasterde vorm van de Hagenakker. Zo kan Handelaar
onder Kalmthout gevormd zijn vanuit Haanlaar.
Knippenberg 1954:106; Buiks 1990:99; Trommelen 1994:236;
Buiks & Leenders 1993 dl.3:313; Beijers 1992:146.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2, 3, 25 |
|
Opmerkingen:
|
Een iets oudere vermelding dan die gesignaleerd door
Beijers en Van Bussel is de persoonsnaam Willem van
Hanevelt vermeld in de uitgiftebrief van Jekschot in
1311. Havelt is waarschijnlijk een evolutie uit Hanevelt.
De verklaringen gegeven door Cornelissen zijn niet
overtuigend. Beijers en Van Bussel wijzen op de
mogelijkheid van een “cijnshaan”. Daarvoor bestaan geen
aanwijzingen. Blijven over: verwijzing naar een vogel,
of een persoonsnaam (of een onbekende andere
verklaring). Vernoeming van een gebied of perceel naar
een vogel was zeldzaam en vernoeming naar een persoon
gebruikelijk, zodat de verklaring “vernoeming naar een
persoon” de voorkeur verdient.
|
|
Naam:
|
aan de Heuvel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Hoeve ten hoevel [Hs- (1390-1395)]
die
hovel aent haanvelt [Hs- (± 1495)]
huysplaats en landt den heuvel aen de leege heyde
[GVEI2-39 (1778)]
den
heuvel [kad.(1832)]; C 503-553
hakhout staande en wassende te Veghel op den Heuvel [N
(1842)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied en buurtschap aan de noordzijde van de weg naar
Erp, niet ver buiten Veghel.
Tevens een perceel van onbekende ligging op de Lage
Heide. Benoeming naar de hoge
ligging De Heuvel is een licht welvend en wat hoog
gelegen terrein. Gangbare naam voor (iets) hoger gelegen
land (Molemans, Zonhove, -412).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Komt voor als benaming voor een verhoging in het
landschap met als nevenvormen hovel, huffel, huvel en
hoevel. Vaak liggen de heuveltoponiemen in het centrale
gedeelte van een nederzetting of bij oude grenspunten.
Het kan ook een benaming zijn voor afzonderlijke
percelen. Men vermoedt dat het afkomstig is van het germ.
* hugila = heuvel, welving van lokale omvang. De heuvel
is niet per definitie het centrale dorpsplein, niet
altijd driehoekig van vorm en helemaal niet Frankisch
van oorsprong, zoals in het verleden gedacht werd. De
mening van Trommelen als zou ‘heuvel’ wijzen op een
verzameling van enkele boerderijen die dicht opeen
stonden, lijkt ons twijfelachtig [redactie].
Buiks 1992:102; Trommelen 1994:282; Buiks & Leenders
1993 dl.2:140; Moerman 1956:98; Schönfeld 1949:37; de
Bont 1969:59
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-5, 8, 10-13, 15, 16, 18-21, 25
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Hoeff |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Enen
huyse hostat ende hoff mitten erffenissen daer toe
behoerende groet tsamen omtrent vier lopense genoemt die
hoef, gelegen binnen der prochien van Vechel ende ter
plaetse voorschreven [GVI2 (1541)]; 't kempken in de
hoeff in den d'avell [GVE15-143 (1624)]
huijs aen't heselaer gen't de hoeff [RAV97-31 (1719)]
een
eeuselvelt aent middegaals brugge de hoef [GVE12-22
(1778)]
de
hoef [kad. (1832)], B 198-216; de hoef [N (1835, 1839,
1842, 1856, 1868, 1876, 1877, 1879, 1892)]; A 512 (w:
44.30), B 203-204 (mb: 2.55.90), 449 (b: 93.40), C 425
(w: 22.90), 426-428 (b en w: 89.30), 429-432 (b en w:
1.31.50), 450 (w: 60.20), D 63 (b: 29.80).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied ten noord-oosten van het ven, grenzend aan de
Kleine Hintel, tevens een komplex
bouw- en weiland in de Blankenburg en nog enige percelen
op het Middegaal en elders. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 3, 25 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Campken |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op meerdere
plaatsen in Veghel |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Kamp, lat. campus, is oorspronkelijk een synoniem van
veld in de betekenis van "open, onbebouwd veld". Hier
heeft kamp de secundaire betekenis van: een individueel
uit het veld gewonnen en door een heg of een houtkant
besloten perceel (M. Top. Valk., -160).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Kampnamen komen veelvuldig voor in het oostelijk deel
van Brabant en vormen de tegenhanger van de
Westbrabantse ‘heiningen’. Het woord is afgeleid van het
lat. * campus en lijkt oorspronkelijk dezelfde betekenis
gehad te hebben als ‘veld’, nl. de open, woeste, soms
hoger gelegen vlakte en in een latere fase als
aanduiding voor omheinde of afgesloten ruimte of een
door tuinen of hagen omgeven perceel. Het Brabantse
cultuurlandschap wordt omschreven als een typisch
landschap van kampontginningen.
Volgens Vervloet zouden individuele kampontginningen
zich op deze zandgronden in optima forma ontwikkeld
hebben, omdat het systeem van de ‘gemeynten’ bestond,
die aanvankelijk door de bewoners gemeenschappelijk
werden gebruikt, maar waaraan men op gezette tijden
percelen kon onttrekken door verkoop aan individuele
ontginners. Andere benamingen die hetzelfde begrip
benaderen zijn look of gelookt, hof, goed en erf. Ze
worden veelal vermeld in combinatie met een persoonsnaam
of familienaam . Volgens Jansen gaat het vnl. om kleine
akkertjes ontgonnen uit hei of bos, waaromheen een haag
van de oorspronkelijke begroeiing is blijven staan. Dit
type ontginning zou m.n. in West-Frankrijk op een
uitgebreidere schaal voorkomen; daar spreekt men van
‘boccage’ en ook deze dankt die naam aan individuele
ontginningen. Hendrikx spreekt over een ontwikkeling,
die zich ongeveer vanaf de 10de eeuw inzette,
van oorspronkelijke eenmansvestigingen of los
gegroepeerde boerderijenzwermen, bestaande uit
boerderijen met huiskampen en veebochten waaromheen zich
langrepelakkers en aangelagen bevonden. Deze werden
omringd door bos, dat voor beweiding werd gebruikt. Door
afsplitsing groeiden hier bepaalde gehuchtkernen uit.
Vervloet 1984:54; Claes 1987:67; de Vries 1962:90;
v.Berkel & Samplonius 1989:94; Jansen 1978:242; Hendrikx
1989:56.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 3, 25 |
|
Opmerkingen:
|
Een kamp is over het algemeen een uitgifte van de
gemeint uit de late middeleeuwen of recenter.
|
|
Naam:
|
Nieuwe Camp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op meerdere
plaatsen in Veghel. |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar (recente) tijdstip van ontginning of
ingebruikname |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 3 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Oudt- en Nieulandt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Het
oude en nieu lant in de haag (havelt) [GVE2-149 (1702)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het gebied de Haag, nabij de Heuvel.
Benoeming naar het vroege tijdstip van ontginning/ingebruikname. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Rijtje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Te weten dat derde deel van de rijt [GVIE2 (1422)]
hoyvelt die ryth in die nederbiest [Hs- (1519-1538)]
twee stucxkens neffen de rijt in den d'avel1 [GVEI5-83
(1624)]
int reijtie (den biesen) [GVE2-285 (1702)]; de reydt,
crekelhoff [RAVI59-157v (1752)]
de rijt [kad. (1832)]; C 461-472
de ryt [N (1876, 1882, 1883, 1884)]; C 471-472 (he:
7.09.50), D 108-109 (b en w: 74.10), 172 (b: 62.30), E
1049 (ho: 25.60) 790 en weg. (he: 5.83.10)
de rijdt [V.-]; B 404 (b: 56.80); de reytjes [V.-] B 1,
5, 6 (w: 95.50)
de rijt [V.-]; D 108 (b: 42.50); de rijtjes [V.-]; E
764-765 (b: 0.18.19; w: 0.20.50).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend tussen de Heuvel en Blankenburg, tevens
verspreid liggende percelen.
Wellicht benoeming naar de ligging aan een rijt
"waterloop" (M. Top. Valk.-219). |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Er zijn bij rijt diverse oudere varianten denkbaar zoals
ret, retten, rit, ride en de diminutieven rijtke, reitke,
rie(t)ke en retke. Het is mogelijk de meest voorkomende
waternaam geweest afgeleid van het germ. * ridha = beek,
waterloop.
In veel gevallen komt ‘rijt’ voor als benaming van
landerijen; de naam van het water is overgedragen op het
aangrenzende land. Dit getuigt van de ouderdom van de
naam. De primaire betekenis is kleine waterloop.
Volgens Beex zou een rijt vooral het dalvormig begin
zijn van een beek, een soort komvormige laagte.
Onder Alphen is de naam Rijt al bekend in 1295. Rijten
waren al of niet gegraven waterlopen. Het is een
soortnaam zoals bv. ven, goor, meer, broek en weijer. De
rijten, goren en broeken hadden een regelende functie in
de waterstand der riviertjes. Bij veel regen hielden ze
veel water vast en bij droogte bleef het wegsijpelende
water van de reservevoorraad voldoende om de riviertjes
en beken stromend te houden.
Beex 1964:26; Buiks 1992:20; Molemans 1976:1334;
v.Berkel & Samplonius 1989:153; Buiks & Leenders 1993
dl.2: 97; Buiks & Leenders 1993 dl.3:230.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 15, 19 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Stad |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
stad = frankevoort [RAV160-31 (1762)]
de
stad [kad. (1832)]; C 554-568; de stad [Mh- (1954)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend tussen het Beukelaar en de Heuvel, in
vroeger tijden Frankevoort geheten
nog
vroeger het Davelaar, tegenwoordig is de Stad in gebruik
als straatnaam, voor een
weggetje tussen het betreffende gebied en de Heuvel,
uitlopend op de oude weg naar Erp
nu
Heuvel gedoopt. Stad = hofstad (Top. Valk. -237).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 13, 15, 22, 24 |
|
Opmerkingen:
|
Geëvolueerd uit Hofstad.
|
|
Naam:
|
in Stads Broekje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Moeras (M. Top. Valk). Moerasgrond (Hs.).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Algemeen wordt aangenomen dat het een afleiding is van
het germ. * brôka, wat staat voor moerassig en
laaggelegen land. Het komt in de cijnskring frequent
voor zowel als element in diverse samenstellingen als in
de namen van enkele hoeven die ‘ten Broeke’ worden
genoemd. Door geschikte afwateringsmethoden zijn veel
broeken vanaf de middeleeuwen tot hooilanden omgevormd,
vandaar de secundaire betekenis van laaggelegen
hooilanden i.c. een ontwaterd moeras. De vroegere natte
veengronden waren geschikt voor de klot- of turfwinning.
Onder ‘broek’ verstaat men nu de moerassige oevers van
een riviertje met rijke onkruidvegetatie, vooral in het
najaar, maar ook gedurende de winter en het voorjaar
deels bedekt met water. Niet zelden groeiden er wilgen
waarvan de tenen voor het maken van allerlei vlechtwerk
werden gebruikt. De broekgronden hadden een economische
waarde.
Gijsseling 1954; Molemans 1976:214; Buiks 1986 DL.19:14;
Trommelen 1994:150. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 7 |
|
Opmerkingen:
|
Broeland bij de Stad |
|
Naam:
|
Strolquartier |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Haan
veld 't strolquartier aan den heuvel [GVIIB7 (1791)]
op
den loop aant strolquartier [GVIIB26 (1801)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het gebied de Stad. Het eerste lid
is afgeleid van "strollen, stroelen" ruischend stroomen,
murmelend vloeien. In Vlaanderen en de Kempen. In het
bijzonder gezegd van 't geluid, dat wateren maakt en ook
gebezigd voor 't wateren zelf, hetzij alleen wanneer het
gepaard gaat met geruisch hetzij ook zonder dat (W.N.T.
-96). Kwartier, mnl. quartier 4) verblijfplaats,
woonstede, kwartier. In de 16e eeuw (Verwijs en Verdam,
-856) was dit een buurt die in een slechte reuk stond?
Of meer concreet een plaats waar veel gewaterd werd?
|
|
Ligging:
|
Beschrijving van perceel nr. 10 op 12-12-1791:
Nieuw erf van
12-12-1791, groot 2 lopens, gelegen nevens haer velt aen
den Heuvel, ’t Strolquartier
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Tijssen hoef (hof, velt) |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Thyscamp in loco dicto in die heze [Hs- (± 1455)]
thyscamp [Mrv31-dI (1592)]
haer
part in tijssencamp (onder eerde) [GSO-262 (1617)]
tyssencamp / tyssenacker [RAVI5889v (1730)]
tijssekamp [N (1839, 1873, 1880)]; B 1185 (b: 1.31.20),
1186 (b: 73.20), 1187 (b: 69.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging aan het Beukelaar, tevens onbekende ligging
onder Eerde en mogelijk elders. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar Mathijs Wouters die dit perceel in 1653 van
de gemeente kocht.
|
|