|
Naam:
|
Aart Schuppen Hoeff |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 9, 22 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar. |
|
Naam:
|
Agterste Eeusel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
veldnaam “Agterste Eeusel” kwam in Veghel op
verschillende plaatsen voor.
Groesvelt 't agterste eeusel [GVEI2-19 (1778)]
het
achterste eeusel [N (1847, 1893)]; D 1101, 1102,
1104-1106 (b, w: 1.8.80), E 432 (w: 56.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Eeusel, afgeleid van eeuwen “voeren” is gangbare
Kempische benaming voor weiland meestal van
minderwaardige kwaliteit (M. Top. St. Huibr.Lille,
-133). |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Eeuwsel wordt verklaard als een droge zomerweide,
veelal in particulier bezit en omheind, een schrale
weide of een weide in de bossen. Dit toponiem komt in
het zuiden van de Baronie geregeld voor, maar in het
oostelijk gedeelte van Brabant is het al even frequent
[redactie].
Te Overpelt was een ‘eusel’ een kunstmatige weide i.c.
ontgonnen heide of woeste grond met buntgrassoorten
begroeid en in gebruik als veeweide, primair voor
schaapskudden. Volgens Lindemans zijn de eeuwsels in de
Belgische Kempen het eerste stadium bij de ontginning
van heide tot cultuurland. Het is niet precies te
achterhalen tot wanneer de eeuwsels als veeweiden hebben
dienst gedaan, maar zeker niet langer dan de 16de
eeuw.
Dat de eeuwsels goede hooilanden waren is
onwaarschijnlijk vanwege de bodemgesteldheid, nl. matig
natte zandgronden. Veel eeuwsels zijn thans als weiland
in gebruik omdat de grond voor hooiland niet vochtig
genoeg is en voor bouwland te nat.
(Lindemans 1946:2; Pijnenburg 1976:1; Buiks 1984
dl.9:32; Mennen 1992:217; Buiks & Leenders 1993
dl.4:383; Molemans 1976:314; Lindemans 1952; Helsen
1978:116.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 13 |
|
Opmerkingen:
|
Lag naast het Voorste Eeusel, perceel nr. 12 |
|
Naam:
|
in de Buender(s) |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Eenen hoycamp genoemt de weyhoeff geleegen binnen de
palen van Vechel in de eerste
bunder in de colk [GO126-22 (1570)]
den ecker aen de bunders [GVEI5-1 (1624)]
den 68 buunder bij het poejervelt [GVE2-117 (1702)]
den bunder aen crekelshof [GVEI2-45 (1778)]
aen de buenders na de drie huizen [GVEII13 (1792)]
de bunders [kad. (1832); A 258-308; [N (1841, 1871,
1875, 1883); V.]; A 409-412 (w: 69.10), B 909-910 (w:
86.40), 1047, 1048 (w: 62.70), 1283-1286 (w: 60.60), E
1185-1186 (b: 30.50; w: 23.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Algemeen voorkomende aanduiding voor vele percelen,
verspreid over het Veghelse
grondgebied. Tegenwoordige benaming voor nieuwe wijk.
"Bunder" heeft betrekking op
(vooral sinds de 16e eeuw) verkochte gemeentegronden (M.
Top. Valk.) en is een oude
oppervlaktemaat gelijk aan 1 hectare. z.o. Keuren en
breuken 1629, art. 81.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel |
Bunder is een oppervlaktemaat die voor de invoering van
het metriek stelsel de grootte had van ongeveer 1.29 ha.
Na 1820 was een bunder gelijk aan 1 ha. De boeren
hielden vaak hardnekkig vast aan de benaming bunder. Men
sprak tot in de 20ste eeuw van oude bunders.
Het is opvallend hoeveel percelen in de Baronie een
grootte hebben van 1.29 ha. Men heeft in bunder de
betekenis gezien van ‘woeste grond’. Bundertoponiemen
komen vooral voor in laat ontgonnen, moerassige
gebieden. Soms gaat het toponiem gepaard met een
telwoord. Volgens andere auteurs zou bunder een bepaalde
grassoort zijn en zou het de naam zijn geworden van de
plaats waar zulke grassen groeiden. Of is verwarring
ontstaan met ‘boender’, afgeleid van boenderhei waar
bezems van werden gemaakt ? In de cijnskring komen in de
14de en 15de eeuw veel
vermeldingen voor van hele en halve bunders [redactie].
Buiks 1990:67 en 76; Devos 1984:93
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 4-6 |
|
Opmerkingen:
|
In de
Heijse Bunders is op de kadasterkaart van
1832 de oorspronkelijk verkaveling in percelen van 1
bunder nog te traceren.
|
|
Naam:
|
in de Geer, in de Geeren |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Die
kolestrepe met een drieske daarbij die gheer
[BPl185-308v (1406)]
lant
den gheer in die hese [Hs- (1519-1538)]
vier
stucken in de hese neffen de gheer [GVE15- 93 (1624)]
eeusel in lange buenders off geere [GVE12-4 (1778)]
de
geer, beukelaars steeg [GVIIE13 (1791)]
een
perceel land en groese geleegen als voor genaamd de geer
(krijtenburg) [N. (1818)]
de
geer op het Middegaal [N. (1884)]; A 668, 673 (b, w:
43.50)
de
geer, paadje naar Erpseweg, vanaf splitsing
Hezelaarstraat, Zeven Eikenlaan [V. -] .
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. Verspreide ligging. De primaire
betekenis van geer is speer en
overdrachtelijk een puntig toelopend stuk (Verwijs en
Verdam II -1497; Schönfeld 1950112;
Bach
1953-263; Dittmayer 1963-87; M. Top. Bach -169).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel
|
Geer behoort tot het levende taalbezit en is een
vormaanduiding. Het is een driehoekig stuk land of
althans een stuk land waarvan twee overstaande zijden
niet evenwijdig lopen. Als die zijden bovendien nog krom
waren werd later gesproken van een Amerikaanse of
Vlaamse geer. Een modern equivalent is ‘spie’ of ‘tip’,
een puntig toelopend stuk land. In de Baronie treft men
complexnamen aan met ‘geer’. De geer-namen voor
afzonderlijke percelen hebben nagenoeg allemaal
betrekking op akkers. Bij weilanden en beemden was
volgens Buiks de vorm immers van veel minder belang dan
bij de akkers.
Buiks 1990:93; Moerman 1956:70; de Vries 1962:62; v.Berkel
& Samplonius 1989:63
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2-6, 7(8), 7(9) |
|
Opmerkingen:
|
Genoemde percelen hadden geen geervorm. Nabij lagen de
Geerbunders en de Mollengeer, die wel de vorm van een
geer hadden. Kennelijk is de veldnaam geer gebruikt
geweest voor een wat groter gebied dan de
oorspronkelijke geren.
|
|
Naam:
|
Geerbos |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Int
geerbosch [HH147-43 (1621-1691)]
van
't geerbosch en groesveld op watersteegt tsamen
[GVE12-347 (1778)]
het
geerbosch [kado (1832)]; A 423-518
een
perceel weiland liggende in drie velden, gelegen te
Veghel ter plaatse genaamd de geerbunders of het
geerbosch, het geerbosch in de geerbunders [N. (1841,
1842, 1884, 1885); A 179, 180 (w: 74.10), 249-254 (w:
56.00), 417-419 (w: 55.40), 514 (w: 20.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied westelijk van de provinciale weg Veghel-Oss,
juist ten noorden van de spoorlijn
Boxtel-Gennep. Sinds kort ook gebruikt als benaming voor
de noordelijke parallelweg aan
de
spoorlijn die de weg naar Oss verbindt met de dorpenweg
naar 's-Hertogenbosch. Dit
gebied heeft niet duidelijk een "gerende", spits
toelopende, vorm, mogelijk ontleend het
zijn
naam aan het aangrenzende gebied de Geerkens.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 7. Perceel nr. 6 grensde aan het Geerbos. |
|
Opmerkingen:
|
In 1725-1726 kocht de Veghelse secretaris een aantal
percelen op die hij met bod beplantte. Dat bos werd het
Geerbos genoemd.
|
|
Naam:
|
in de Geerbunders |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Geerbuenders op watersteeg [Hs- (1542)]
geerbuenders op watersteeg, naast vorstenbosbeemd en
watersteegt [Hs- (1681)]
een
groesvelt agter middegaal in de geerbunders [GVE12-23
(1778)]
de
geerbunders [kad. (1832)]; A 179-257
een
perceel weiland liggende in drie velden gelegen te
Veghel ter plaatse genaamd de geerbunders of het
geerbosch [N. 1842, 1845)]; A 422 (w: 50.50).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Dit gebied grenst aan het Geerbos, aan de noordzijde.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-3, 7(2), 7(8), 7(9), 7(10), 9, 22 |
|
Opmerkingen:
|
De eigenlijke Geerbunders lagen ten westen van het hier
besproken gebied. De naam is gebruikt geweest voor een
wat groter gebied dan de oorspronkelijke Geerbunders.
|
|
Naam:
|
in de Heijse Bunders |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In de heytse bunder (onder Eerde) [GSO-262 (1617)]
in de heydse bunders [Mrv91-201v (1735)]
agterste eeusel in de heyse bunder [GVE12-137 (1777)]
de heibunders [kad. (1832)], [V.]; B 705-731 (w:
12.31.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend aan de zuid-oostzijde van het Ven. Als
enkelvoud ook benaming voor
enkele andere verspreid liggende percelen. Benoeming
naar de ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 7(1) |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
de Hoeff |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Enen
huyse hostat ende hoff mitten erffenissen daer toe
behoerende groet tsamen omtrent
vier
lopense genoemt die hoef, gelegen binnen der prochien
van Vechel ende ter plaetse
voorschreven [GVI2 (1541)]
't
kempken in de hoeff in den d'avell [GVE15-143 (1624)]
huijs aen't heselaer gen't de hoeff [RAV97-31 (1719)]
een
eeuselvelt aent middegaals brugge de hoef [GVE12-22
(1778)]
de
hoef [kad. (1832)], B 198-216; de hoef [N (1835, 1839,
1842, 1856, 1868, 1876, 1877, 1879, 1892)]; A 512 (w:
44.30), B 203-204 (mb: 2.55.90), 449 (b: 93.40), C 425
(w: 22.90), 426-428 (b en w: 89.30), 429-432 (b en w:
1.31.50), 450 (w: 60.20), D 63 (b: 29.80).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied ten noord-oosten van het ven, grenzend aan de
Kleine Hintel, tevens een komplex
bouw-
en weiland in de Blankenburg en nog enige percelen op
het Middegaal en elders.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel
|
Een hoeve vormde oorspronkelijk een hoeveelheid grond
ter grootte van 1 hova = ca. 12 bunder, maar dit kon van
streek tot streek verschillen. Volgens Trommelen is de
verdeling in hova’s algemeen geweest. Op deze hova’s
werden voor de pachters de ‘casatae’ gezet. In de vroege
middeleeuwen kende men de vroonhoeven die enerzijds
bestonden uit de terra indominicata of saalland,
wat door de heer zelf in exploitatie werd gehouden, en
de terra mansionaria of hoevenland, een deel dat
aan horige boeren werd uitgegeven en waarbij ieder in
principe 1 mansus of hoeve van ca. 12-16 ha kreeg
toegewezen. Later is de aanduiding voor de hoeve als
hofstede of als wooneenheid samen met het omliggende
land in zwang gekomen, vandaar de vele hofstadnamen.
In de middeleeuwse documenten treft men termen aan als
‘ex manso dicto’ = uit een hoeve genaamd....,
‘ex domistadio dicto’ = uit een hofstad
genaamd....., of ‘ex domo orto horreo et area’ =
uit huis, tuin, schuur en erf. Volgens Buiks staat
‘hofstad’ voor de plaats waar een boerderij staat of
heeft gestaan; als het wordt voorafgegaan door het
adjectief ‘oude’ kan het archeologisch interessant zijn.
Mogelijk staat ‘oude hofstad’ voor een grote verdwenen
boerderij, in veel gevallen de hoofdhoeve van een
nederzetting. In dit verband verdienen ook vermelding
toponiemen als ‘‘t hof’ en ‘‘t hofgoed’, die in sommige
gevallen verwijzen naar een oude ‘curtis’, zoals bv. in
Lieshout. In Vlierden liggen geconcentreerd rond de
locatie van de verdwenen 13de-eeuwse kapel
vijf hof-toponiemen bij elkaar. Van een zgn. ’gewaerde
hofstat’ had de eigenaar het recht tot gebruik van de
gemeynt. De bij de hoeve gelegen ‘hof’ is meestal een
omsloten stuk grond, veelal in de vorm van een moestuin,
maar ook de betekenis van boerderij is gebruikelijk.
Bijzondere aandacht vragen hovennamen. Theuws zegt
hiervan dat dit naamtype voorkomt in een groot deel van
het Maas-Demer-Scheldegebied, zowel in de
bevolkingsconcentraties als daarbuiten. Opvallend zijn
de groep hovennamen in het noordelijke deel van de
provincie Antwerpen, alsmede het vrijwel ontbreken ervan
in het dal van de Aa in oostelijk Noord Brabant.
Wellicht, zo meent hij, zijn de hovennamen voor een deel
toe te schrijven aan een uitbreiding van de bewoning in
de laat-Merovingische en Karolingische tijd. Veel
hovennamen dateren echter uit de volle middeleeuwen. Een
geheel andere betekenis van ‘hoeve’ is ontstaan toen aan
het eind van de middeleeuwen op grote schaal begonnen
werd met de ontginning van de beekdalen. In veel
gevallen treft men complexen hooilanden aan die
loodrecht op de rivier zijn aangelegd en die vaak
‘hoeven’ worden genoemd. Het zijn veelal regelmatige
strokenverkavelingen.
Buiks 1990:48,91,109,110; Trommelen 1994:276; Jansen
1978:114; Prims 1977 dl.1:254; Molemans 1976:564; Buiks
1983 dl.4:56; Spierings 1983:225; Theuws 1988:179.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 7(1), 7(2), 7(3), 9, 12-18, 22 |
|
Opmerkingen:
|
Perceel nr. 15 heette de Oude Hoef |
|
Naam:
|
Lange Buender |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Van
den langen buender (onder Eerde) [GSO-262 (1617)]
eeusel in lange buenders off geere [GVEI2-4 (1778)]
de
lange bunders in de Bunders [N 1891); A 286-289 (w:
1.36.90).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 4-6 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
op Middegael |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Uuyter hoeven middegael ende scoerfde hoeve [GVIE2
(1387)]
ex
middegael dicta [HH128-4 (1471)]
hoeve met toebehoren genaamd de hoeve van middegael
[GZG-1993 (1556)]
eene
schoone huysinge ofte casteeltje met de neerhuysinge,
schure, hoff boomgaard, ackerland, hoy ende weylanden,
malkanderen in eenen plack aangelegen, gelegen tot
vechel ter plaetse genaemt middegaal [Mrv91-14 (1698)]
het
eerste rodth het middegael bestaende in 27 huysen,
beginnende aen de kilsdoncxe sluys [GVIIB28 (± 1700)]
middegaal [kad. (1832)]; A 641-686
op
het middegaal [N (1843)]; A 369-370 (b: 49.90)
een
perceel hooiland genaamd de middegaal in de Aa-broeken
te Veghel [N (1857)]; A 703-704 (ho: 1.90.60)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Middegaal: Wellicht te interpreteren als midden-gaal,
vgl. middenbroek, een tussen twee andere broeken gelegen
laagland (Verwijs en Verdam -1534 middenbroecgaal). Het
W.N.T. vermeldt: onvruchtbare plaats in akker en weiland,
natte en modderige plaats. Eng. galls en gauls en hoog
duits Wassergalle. Mansion zegt: galle = onvruchtbare
plek in een akker. Hij verwijst naar het Bremer dialekt
dat Gühl kent als “niedriger Grund, durch ein Wasserlaub
geht”. Veel voorkomende vormen met Unlaut zijn gel, gehl,
gole, göhle en gal, steeds met de “keel” als bijvorm.
(..) (Hs-146). Inderdaad is het Middegaal een
laaggelegen gebied.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
In 1189 wordt in Noord Brabant een ‘gala’ vermeld.
Ofschoon er een Brabantse plantenaam ‘hete gaal’ is, zal
eerder aan een lo-naam gedacht moeten worden. Het eerste
deel blijft dan onduidelijk.
Of is het een samenstelling van ‘a’ en het germ. *gal =
zingen, razen, het zingende of razende water. Aangezien
vogelnamen dit suffix vaker vertonen is te overwegen er
een aanduiding voor vogel in te zien. In dat geval zou
‘gaal’ vogelwater betekenen.
Een relatie met de PN Gale of Galo, een vleinaam bij
Galbrecht en Galfrid, is ook niet uitgesloten. In
Galder lijkt het element ‘gal’ afgeleid van *gald - haru
= onvruchtbare hoogterug, vgl. het mnl. gelde of het ohd.
galt = onvruchtbaar. Bij de Peesgal of Pesegal onder
Lieshout lagen de Lieshoutse beemden. Dit gebied werd in
1246 definitief eigendom van de monniken van Floreffe,
later Postel. De ‘piscaria de Dunouwen et Pesegal’
duidt op oude visrechten. (v.Berkel & Samplonius
1989:62; de Vries 1962:61; Buiks 1988 dl.21:8; Knoop &
Merkelbach 1987:56.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 18-21, 23 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aent Middegaels Broexke |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
groesvelt aent middegaelsbroekje de hoef [GVEI2-14
(1778)]
middegaalsbroek [GVIIEI3 (1792)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging, wellicht is het middegaalsbrugje
bedoeld (zie middegaalsbrugje);
benoeming naar de ligging; vermoedelijk gaat het om een
verschrijving voor middegaalsbrugje.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Broek: algemeen wordt aangenomen dat het een afleiding
is van het germ. * brôka, wat staat voor moerassig en
laaggelegen land. Het komt in de cijnskring frequent
voor zowel als element in diverse samenstellingen als in
de namen van enkele hoeven die ‘ten Broeke’ worden
genoemd. Door geschikte afwateringsmethoden zijn veel
broeken vanaf de middeleeuwen tot hooilanden omgevormd,
vandaar de secundaire betekenis van laaggelegen
hooilanden i.c. een ontwaterd moeras. De vroegere natte
veengronden waren geschikt voor de klot- of turfwinning.
Onder ‘broek’ verstaat men nu de moerassige oevers van
een riviertje met rijke onkruidvegetatie, vooral in het
najaar, maar ook gedurende de winter en het voorjaar
deels bedekt met water. Niet zelden groeiden er wilgen
waarvan de tenen voor het maken van allerlei vlechtwerk
werden gebruikt. De broekgronden hadden een economische
waarde.
Gijsseling 1954; Molemans 1976:214; Buiks 1986 DL.19:14;
Trommelen 1994:150.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 9, 14, 20, 22, 23 |
|
Opmerkingen:
|
Er is geen sprake van een verschrijving voor Middegaals
Brugje. Het Middegaals Broekje heeft echt bestaan.
|
|
Naam:
|
Monicxhoeve |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Hulsberdonc nabij monichoeve van heylyssem [GZG-272
(1396)]
bij
die hoernic in die monichoeve bij 't erf der greting
buenre [BP1184-292 (1406)]
monninxhoeve, naast leege buenders en beemt de geer [Hs-
(1533)]
uyt
hymans grooten camp, genaamt den moninxhoff [HH163-49
(1714-1783)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging, wellicht nabij het Ven. Het eerste
lid zal een persoonsnaam zijn vgl.
Jacop Monic, 1442, BP (lijstfam. Veghel). |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 7u, 9, 11-18, 20 en 22 en deel Vrensse
Eeusel, nrs. 1-6 |
|
Opmerkingen:
|
De familie Monic heeft op Dorshout wel een naam gegeven
aan een perceel. de Monicx Hof. Hier betreft het echter
de oude “Monnikhoeve” van de abdij van Heilissem. Zie de
pagina over de
Monicxhoeve.
|
|
Naam:
|
de Oude Hoef |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 15 |
|
Opmerkingen:
|
Betekenis: “de voormalige Hoef”. Een verwijzing naar de
tijd dat de Hoef nog niet uiteengevallen was.
|
|
Naam:
|
Smitscamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Smitscamp [GVE15-231 (1624)]
smitsecamp valstraat [RAV159-42 (1741)]
3
karren hoy in de abroeken smits camp [GVE12-179 (1778)]
smitskamp aan de willebrordushoek [N (1877)]; F 847 (b:
1.08.70); smidse kamp [V.-]; F 892 (b: 26.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 7(4), 7(5), 7(7) |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar.
|
|
Naam:
|
Torendreef |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Torendreef, de torendreef [N (1835, 1862)]; A 504-506
(w, bh: 91.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Dreef: 1) breede weg, geschikt om er vee langs te
drijven; breede landweg 2) met bomen
beplante weg, laan (W.N.T. 3267-68).
Torendreef: ligging in het Geerbos, percelen genoemd
naar een zandweg ter plaatse; hoewel de naam in
vergetelheid is geraakt, bestaat deze zandweg nog; hij
loopt evenwijdig aan de Vorstenbossche weg en komt uit
op de weg genaamd Geerbos, tot voor kort Parallelweg
Noord geheten. Benoeming naar de ligging; de dreef lag
weliswaar op grote afstand van, maar liep nauwkeurig in
de richting van de (oude) Lambertuskerk zodat men hierop
een goed uitzicht had.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 7(g), 7(k), 7(l), 7(q) en 7(r) grensden aan
den Torendreef |
|
Opmerkingen:
|
In 1725-1726 kocht de Veghelse secretaris een aantal
percelen op die hij met bod beplantte. Toen zal ook de
Torendreef aangelegd zijn.
|
|
Naam:
|
Voorste Eeusel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Voorste eeusel op watersteegt [GVEI2-80 (1778)]
het
voorste eeuwsel [N (1847, 1893); D 1107, 1108 (b, w:
86.60), de helft van D 1103 (w: 31.40), E 435 (w:
17.40).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Benoeming naar de ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 12 |
|
Opmerkingen:
|
Lag naast het Agterste Eeusel, perceel nr. 13
|
|
Naam:
|
int Vossenhool |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
VossenhooI in uuytcampen dorshout by gelijke beemden
[Hs- (1562)]
vossenhooI in uuytcampen dorshout by gelijke beemden
[Hs- (1615)]
landt en groes int dorshout 't vossenhooI [GVEI2-23
(1778)]
het voschhol [N (1834)]; A 913 (b: 65.10)
het vossenhol [N (1834, 1842)]; A 914 (w: 44.10)
het vossenhooI [N (1836, 1837, 1888, 1891), V.-]; A 866
(w: 13.14.00), 911, 912 (b en w: 1.31.50), 915, 916 (w:
58.10), 1296, 1297 (w: 48.40).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ooit zullen hier vossen gehuisd hebben. Misschien ook
figuurlijk bedoeld en had de bezitter Vos als
persoonsnaam of als bijnaam.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Vossen waren vroeger tamelijk algemeen. Voor de bouw van
hun hol prefereerden zij lemig zand of klei. Holen in
niet-lemig zand zouden snel instorten. Ze werden zwaar
vervolgd. Er stond eeuwenlang een premie op het doden
van een vos.
Buiks 1990:208; Buiks 1983 dl.5:112; Buiks 1986
dl.18:80; Trommelen 1994:472; Buiks & Leenders 1993
dl.2:83.
Voor het element "-hool" zie hierboven.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 7(10) |
|
Opmerkingen:
|
Deze veldnaam kwam ook op het Dorshout voor. Zie deel
Vossenhool.
|
|
Naam:
|
op de Watersteeg |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Geerbuenders op watersteeg [Hs- (1542)]
het
eusselvelt gelegen op de watersteegt [Hs(1697)]
een
seeckere buender hoijvelts gelegen op de watersteegt [N
(1711)]
de
watersteeg [kad. (1832)]; B 951-1020 (w: 24.86.26; b:
1.99.50; og: 44.10)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend aan de oostzijde van de weg naar
Vorstenbosch, vanaf de voormalige
Hemelsteeg (nu fietsroute vanaf de populierlaan de wijk
de Bunders in) tot aan het
vroegere Venssteegje (nu zandweg genaamd het Ven).
Benoeming naar de lage ligging;
het
gebied zal drassig geweest zijn. Tevens de oude benaming
voor Populierlaan en de
Vorstenbossche weg (onder Vorstenbosch, gemeente
Nistelrode, is de naam Watersteeg
nog
in gebruik voor de weg van Vorstenbosch naar Veghel).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 3, 4, 6-8, 11-18 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Willem Henricx Hoef |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 7(3) |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar.
|
|