Perceel nr.
5: een cijns aan de heer van Helmond
Uit perceel nr. 5 werd
eertijds een cijns van 0-2-8 (2 stuivers en 8 penningen) betaald
aan de heer van Helmond. In de administratie van de cijnzen van
de heer van Helmond in de 16de tot en met de 18de
eeuw heeft deze cijns numer Hm-189. De cijns komt voort uit twee
cijnzen die in de cijnsboeken uit de 15de eeuw
nummers Hm-99 en Hm-100 hebben.
Hier is mogelijk in 1406 al sprake van
twee afzonderlijke goederen met bijbehorende cijnzen, waarbij de
cijnzen in 1425 aan de oorspronkelijke percelen verbonden kunnen
zijn gebleven. Hm-100 (oude nummering) wordt in 1406 omschreven
als: De weduwe en kinderen van Henricus van Goerle betalen een
cijns van 8 nieuwe penningen als opvolgers van Gerardus van Doer.
De opvolgende cijnsbetalers zijn dezelfde als die van Hm-99 en
Hm-99.1. De cijns is niet gesplitst en zal al in 1406 aan Doorn
perceel nr.5 verbonden zijn geweest.
De naam Gerardus van Doer
in 1406 is opvallend. Doorn, perceel nr. 5 werd namelijk in 1720
‘Den Dooren” genoemd. Het is onduidelijk of Gerard zijn naam aan
het toponiem ontleend heeft, of dat de veldnaam van de
persoonsnaam afgeleid is. Dat laatste was het meest
gebruikelijk. De naam bevestigt in elk geval dat de cijns in
1406 al aan dit perceel verbonden was.
Het cijnsbedrag van twee
maal 8 nieuwe penningen plus een ½ oude groot geeft – omgerekend
volgens de gebruikelijke norm – een oorspronkelijk uitgegeven
perceel van ongeveer 2 bunder. (1 bunder = 1.324 hectare). Omdat
perceel nr. 5 slechts 6 lopens + 40 roeden groot was (volgens
het maatboek van 1792) veronderstellen we dat eertijds ook een
deel van perceel nr. 6 en een deel van nr. 8 bij het
oorspronkelijk uitgegeven perceel hoorden.
De oudst bekende cijnsbetalers zijn:
|
Cijnsbetalers:
|
Transactie en datum: |
|
Hm-99 (oud) (1406):
8 nieuwe penningen en een halve groot en 9 oude
penningen uit het goed van Happen
|
|
De weduwe en kinderen van Henricus van
Goerle
|
Vermeld in 1406 |
|
Wilhelmus, zoon van Henricus van Goerle
|
Verwerving in 1406-1421, vermeld in1
421 |
|
In 1425 wordt de cijns verdeeld.
|
|
|
Hm-99.1 (oud) (1425):
8 nieuwe penningen uit het goed van Happen
(de halve groot is bij het
overschrijven vergeten)
|
Hm-189 (nieuw)
Doorn nr. 5 |
|
Roverus, genaamd van Tuyftese (van Duifhuizen)
|
Verwerving in 1425, vermeld in 1447 |
|
De weduwe van
Roverus, genaamd van Tuyftese, met haar 8 kinderen
|
Vererving in 1447-1465 |
|
Henricus, zoon van wijlen Roverus
|
Verwerving in 1447-1465 |
|
De weduwe van Henricus, zoon van wijlen Roverus, met
haar 5 kinderen
|
Vererving in 1447-1465 |
|
Roverus en Henrics, kinderen van Henrcius, zoon van
Roverus van Thuyfthuyse
|
Verwerving in 1465-1498, vermeld in 1507 |
|
Johannes, zoon van Danielis Molners (Multoris)
|
Verwerving ná 1507 |
|
De weduwe van Johannes, zoon van Danielis Molners (Multoris),
met haar 3 kinderen
|
Verwerving ná 1507 |
|
Hm-99.2 (oud) (1425):
9 oude penningen uit het goed van Happen
|
Hm-217 (nieuw)
Wielse Hoef |
|
Johannes, zoon van Henricus, genaamd van den Ham
|
Verwerving in 1425, vermeld in 1447 |
|
Wilhelmus, zoon van Egidius Metten
|
Verwerving in 1447-1465
|
|
Wilhelmina, dochter van Johannes, natuurlijke zoon van
Wilhelmus Egiduss
|
Vermeld in 1507
|
|
Henricus, zoon van Daniel, met zijn 5 kinderen
|
Verwerving ná 1507 |
|
Jaspar Zuermonts
|
Verwerving ná 1507 |
Perceel nr. 6, 8
en 10: een cijns aan de heer van Helmond
Uit perceel 6, 8 en
10 werd eertijds ook een cijns aan de heer van Helmond betaald.
Deze cijns heeft nr. Hm-188 in de administratie van de Helmondse
cijnzen in de 16de tot en met de 18de eeuw. De cijns was toen gesplitst. Een deel werd betaald uit
perceel nr. 6 en een deel uit perceel nr. 8 en 10. In de tweede
helft van de zestiende eeuw waren perceel nr. 6 en delen van
perceel nr. 8 en nr. 10 nog in één hand.
In de Helmondse cijnsboeken uit de vijftiende eeuw heeft deze cijns nr. Hm-81.
De geschiedenis van deze cijns is als volgt: In 1406 was
Gerardus Vriese (Friso), zoon van Graet, cijnsplichtig
voor 9 cijnsposten. Hij wordt als cijnsbetaler opgevolgd door
zijn zoon Gerardus, die door een zekere Arnoldus, en Arnoldus
wordt opgevolgd door Egidius, zoon van Egidius Bathen. De cijns
bestond uit de volgende delen:
|
Omschrijving
|
Cijns bedrag |
Oppervlakte |
|
De Lange Akker (Magno Agro), eerder van
Gerardus Rufus |
3 nieuwe penningen |
100 roeden |
|
Het goed van Nycolaus, zoon van Lambertus Snijders (Sartoris) |
3 nieuwe penningen |
100 roeden |
|
Het goed van wijlen Henricus |
3 oude penningen |
150 roeden |
|
De Daverlaarse Hoeve (manso de Daverlaer) |
10 oude penningen |
500 roeden |
|
Het goed van Yda, dochter van Johannes Broechovens,
gelegen voor de korenschuur (recto horreus) |
4 ½ nieuwe penningen |
150 roeden |
|
Het goed van Beatricis |
3 nieuwe penningen |
100 roeden |
|
Het ¼ deel van de Overaase hoeve (manso de Over Aa),
een perceel voor de korenschuur (recto horreus)
een perceel op Lake en een stuk beemd op Amer
|
18 ½ nieuwe penningen
|
617 roeden |
|
De Lange Akker (Magno Agro), en uit de beemd “Scoerbeemt”,
eerder van Gerardus Rufus |
18 nieuwe penningen
|
600 roeden |
|
Het ¼ deel van de Overaase hoeve (manso de Over Aa),
eerder van Johannes broechoven |
10 nieuwe penningen
|
500 roeden
|
|
Totaal: |
47 nieuwe penningen
20 oude penningen
|
7 bunder en 17 roeden
|
Omstreeks 1433
worden deze cijnzen in 3 ongeveer gelijke delen gesplitst, en
daarna betaald door:
Hm-81.1: Henricus, zoon van Egidius
Bathen (Hm-110, nieuwe nummering, perceel Oliemolen nr. 6-8)
Hm-81.2: Goeswinus, verwante van Henricus Hermannus (Hm-188,
Doorn perceel nrs. 6, 8 en 10). Na de opsplitsing rond 1433 was
de cijns van dit 20 nieuwe penningen en 4 1/3 oude penningen,
later omgerekend: 0-4-0 (4 stuivers). Hiervan rustte 0-1-0 op
Doorn nr. 6 en 0-3-0 op Doorn nrs. 8 en 10.
Hm-81.3:
Roverus van Tuyfteze (van Duifhuizen) (Hm-219, perceel Bruggen.
nr. 15)
Het verband met de oorspronkelijke percelen was
in 1433 verloren gegaan. Wel bleven de cijnzen verbonden aan
percelen in de buurt van het Hoogeinde, zodat een deel van de
oorspronkelijke percelen daar ergens gelegen zal hebben. Op
basis van de veldnamen is daar wel iets over te zeggen. Twee
delen werden betaald uit de Lange Akker en een deel uit de
Overaase Hoeve. Deze veldnamen vinden we terug in het deel
Oliemolen, net ten zuiden van het hier behandelde deel, Doorn.
Een ander deel rustte op een perceel in de Amer in het Achterste
Dorshout.
In deze reconstructie gaan we er van uit dat
geen van de oorspronkelijke cijnzen betrekking had op deel Doorn,
om de eenvoudige reden dat het hele gebied al door andere
cijnzen afgedekt is. Hieronder staan alle oudste gegevens in een
tabel:
|
Cijnsbetalers:
|
Transactie en datum: |
|
Hm-81 (oud) (1406):
De Lange Akker (Magno Agro), eerder van
Gerardus Rufus, 3 nieuwe penningen
Het goed van Nycolaus, zoon van Lambertus Snijders (Sartoris),
3 nieuwe penningen
Het goed van wijlen Henricus, 3 oude penningen
De Daverlaarse Hoeve (manso de Daverlaer), 10
oude penningen
Het goed van Yda, dochter van Johannes Broechovens,
gelegen voor de korenschuur (recto horreus), 4 ½
nieuwe penningen
Het goed van Beatricis, 3 nieuwe penningen
Het ¼ deel van de Overaase hoeve (manso
de Over Aa),
een perceel voor de korenschuur (recto horreus)
een perceel op Lake en een stuk beemd op Amer, 18 ½
nieuwe penningen
De Lange Akker (Magno Agro), en uit de beemd “Scoerbeemt”,
eerder van Gerardus Rufus, 18 nieuwe penningen
Het ¼ deel van de Overaase hoeve (manso de Over Aa),
eerder van Johannes Broechoven, 10 nieuwe penningen
|
|
Gerardus Vriese (Friso), zoon
van Graet
|
Vermeld in 1406 |
|
Gerardus, zoon van Gerardus Vriese (Friso),
zoon van Graet
|
Verwerving in 1421-1433 |
|
Arnoldus (..)
|
Verwerving in 1421-1433 |
|
Henricus, zoon van Egidus Bathen
|
Verwerving in 1421-1433 |
|
In 1422 werd cijns Hg-81 (oud) in 3
delen gesplitst.
|
|
|
Hg-81.1 (oud) (1433):
20 nieuwe penningen en 4 1/3 oude penningen
|
|
Henricus, zoon van Egidus Bathen
|
Vermeld in 1433 |
|
In 1436 werd cijns Hg-81.1 (oud) in 2
delen gesplitst.
|
|
|
Hg-81.1 (oud) (1436):
uit de Lange Akker (Magno Agro) eetijds van
Gherardus de Vriese (Frisonis), 10 nieuwe
penningen en 2 oude penningen en 1/6 penning
|
|
Henricus, zoon van Egidius Batensoen
|
Vermeld in 1436 |
|
Daniel, zoon van Henricus Johannes
|
Verwerving in 1450 |
|
Henricus, zoon van wijlen Roverus Tuyfthuyse (van
Duifhuizen)
|
Verwerving in 1450-1465 |
|
Hg-81.2 (oud) (1436):
uit diverse erfgoederen, 10 nieuwe penningen en 2 oude
penningen en 1/6 penning
|
|
Rutgherus, zoon van Henricus Vriese
|
Verwerving in 1436 |
|
Hg-81.1 + Hg-81.2 (oud)
|
Hm-110 (nieuw)
Oliemolen 6-8 |
|
Lambertus, zoon van wijlen Johannes Petrus
|
Verwerving in 1450-1465 |
|
Reynerus van den Bosch (de Busco), genaamd
Saelmeker
|
Verwerving in 1465-1498 |
|
Johannes, zoon van Lambertus, zoon van Johannes Petrus
|
Verwerving in 1465-1498, vermeld in 1498 |
|
Gerardus, zoon van Johannes Lambertus Johannes Petrus
|
Verwerving in 1498-1507 |
|
Lambertus en Godefridus, kinderen van Gerardus, zoon van
Johannes Lambertus Johannes Petrus
|
Verwerving in 1498-1507 |
|
Nicolaus, zoon van Wilhelmus van Doerne
|
Verwerving ná 1507 |
|
De weduwe van Johannes, zoon van Wilhelmus Clockgieters
met haar 5 kinderen
|
Verwerving ná 1507 |
|
Cornelius, zoon van Johannes, zoon van Wilhelmus
Clockgieters
|
Verwerving ná 1507 |
|
Hg-81.2 (oud) (1433):
20 nieuwe penningen en 4 1/3 oude penningen uit het
erfgoed van Gerardus de Vriese (Frisonis)
|
Hm-188 (nieuw)
Doorn 6, 8 en 10 |
|
Goeswinus, verwante van Henricus Heymans, schoonzoon van
Gerardus de Vriese (Frisonis)
|
Verwerving in 1433, vermeld in 1447 |
|
De weduwe van Goeswinus, verwante van Henricus Heymans,
met haar 5 kinderen
|
Vererving in 1447-1465 |
|
Henricus, zoon van Roverus van Thuyfthuyze
|
Verwerving in 1447-1465 |
|
De weduwe van Henricus, zoon van Roverus van Thuyfthuyze
met haar 5 kinderen
|
Vererving in 1447-1465, vermeld in 1465 |
|
Roverus en Henricus, kinderen van Roverus van
Thuyfthuyze
|
Verwerving in 1465-1498, vermeld in 1507 |
|
Hg-81.3 (oud) (1433):
20 nieuwe penningen en 4 1/3 oude penningen uit het
erfgoed van Gerardus de Vriese (Frisonis)
|
Hm-219 (nieuw)
Bruggen 15 |
|
Roverus genaamd van Tuyftese
|
Verwerving in 1433, vermeld in 1447 |
|
Wilhelmus, zoon van wijlen Godefridus Clockgieters
|
Vererving in 1447-1465, vermeld in 1507 |
|
Luytgardis, weduwe van Wilhelmus, zoon van wijlen
Godefridus Clockgieters, met haar 2 kinderen
|
Vererving ná 1507 |
|
Johannes, zoon van Wilhelmus, zoon van wijlen Godefridus
Clockgieters, met haar 2 kinderen
|
Vererving ná 1507 |
|
De weduwe van Johannes, zoon van Wilhelmus, zoon van
wijlen Godefridus Clockgieters, met haar 8 kinderen
|
Vererving ná 1507 |
|
Godefridus zoon van Johannes Wilhelmus Godefridus
Clockgieters
|
Vererving ná 1507 |
Perceel nr. 6: een cijns aan de
hertog van Brabant
Uit perceel nr. 6 werden een
cijns betaald aan de hertog van Brabant van 1 oude penning voor
een “vuytfang” ofwel uitgifte uit de periode 1380-1392.
Omgerekend volgens de gebruikelijke norm was het uitgegeven
perceel 1 lopens groot.
In 1314-1340 was een ander
perceel uitgegeven, gelegen aan het Havelt, belast met een cijns
van 5 hoenderen aan de hertog van Brabant (Hg-13, zie
Stad). Dit perceel werd al
voor 1418 in een negen delen gesplitst, 6 delen bleven belast op
grond op het Havelt. Een van de andere delen, een cijns van 1/3
hoenderen, verhuisde naar Doorn, perceel nr. 6.
Het is
nuttig om Hm-188 te vergelijken met Hg-30, die (later) op
hetzelfde perceel rusten. Daaruit blijkt dat pas in de
zeventiende eeuw de eigenaars of cijnsbetalers overeenkomen.
Vanwege de onzekerheid zijn in de reconstructie de oudere
eigenaren van Hg-30 en Hm-188 weggelaten. We geven de namen hier
afzonderlijk.
|
Cijnsbetalers:
|
Transactie en datum: |
Bron: |
|
Arnoldus Vranckevoert
|
Koop van de gemeente in 1380-1392 |
Hg-30 |
|
Arnoldus, zoon van Arnoldus Vranckevoert
|
Vermeld in 1418
|
Hg-30 |
|
Elizabeth, zus van Arnoldus Vranckevoert
|
Verwerving in 1418-1443, vermeld in 1450
|
Hg-30 |
|
Henricus, man van Elizabeth, zus van Arnoldus
Vranckevoert, met 2 kinderen
|
Verwerving in 1450-1499
|
Hg-30 |
|
Arnoldus, zoon van Henricus Roefs
|
Verwerving in 1450-1499
|
Hg-30 |
|
Rodolphus, zoon van Wilhelmus Henricx
|
Verwerving in 1450-1499, vermeld in 1499
|
Hg-30 |
|
Gerardus, zoon van Rodolphus Gerits
|
Verwerving in 1499-1524
|
Hg-30 |
|
Theodorica, weduwe van Gerardus, zoon van Rodolphus
Gerits, met 2 kinderen
|
Vererving in 1499-1524
|
Hg-30 |
|
Johannes, zoon van Matheus Roefs
|
Verwerving in 1524-1542
|
Hg-30 |
|
Johannes, zoon van Petrus Dircs
|
Verwerving in 1524-1542
|
Hg-30 |
|
Cijnsbetalers:
|
Transactie en datum: |
Bron: |
|
Goeswinus, verwante van Henricus Heymans, schoonoon van
Gerardus de Vriese (Frisonis)
|
Vanaf 1433, vermeld in 1477 |
Hm-188
|
|
De weduwe van Goeswinus met haar 5 kinderen
|
Vererving in 1447-1465 |
Hm-188
|
|
Henricus, zoon van Roverus van Thuyfthuyze (van
Duifhuizen)
|
Verwerving in 1447-1465 |
Hm-188
|
|
De weduwe van Henricus, zoon van Roverus van Thuyfthuyze
met haar 5 kinderen
|
Vererving in 1447-1465 |
Hm-188
|
|
Roverus en Henricus, kinderen van Roverus van
Thuyfthuyse
|
Vererving in 1465-1498 Vermeld in 1507 |
Hm-188
|
Perceel nr.
8: een cijns aan de
hertog van Brabant
Vanaf een deling van 4-6-1722 rustte op dit perceel een cijns
van 2 penningen te betalen aan de hertog van Brabant. Het
betreffende perceel werd in 1651 van de gemeint verkocht, en lag
in deel Oliemolen (deel van perceel nr. 22). Dit voorbeeld laat
zien dat een cijns soms al vrij snel na het ontstaan kan
verhuizen. Dat gebeurde niet zo vaak. Gemiddeld verhuisde
ongeveer 5 tot 10 % van een pakket cijnzen per eeuw.
Perceel nr.
18, 19 en 22: een cijns aan de heer van Helmond
Uit perceel
19 en 22 werd een cijns van 0-1-10 betaald aan de heer van
Helmond. Het is nummer Hm-118 in de cijnsadminstratie van de
heer van Helmond vanaf de zestiende eeuw en nr. Hm-11 in de
vijftiende eeuw. De cijns werd niet gesplitst en rustte
vermoedelijk steeds op het oorspronkelijke perceel. In 1406 wordt
de cijns omschreven als:
- 9 nieuwe penningen uit
Heyencampe (omgerekend volgens de gebruikelijke norm: groot 300
roeden)
- 1 nieuwe penning uit de
hofstad van Furfanus (omgerekend volgens de gebruikelijke norm:
groot 33 roeden)
We mogen
aannemen dat het oorspronkelijk uitgegeven perceel aan de rand
van het bestaande cultuurland gelegen was. Verder hebben we ons
laten leiden door de overweging dat huizen nogal eens gebouwd of
herbouwd werden op nieuw van de gemene gronden gekochtte
percelen. Perceel nr. 18 en 19: een uitgifte uit 1598
Aert Thomassen had aan het einde van de zestiende eeuw zonder
toestemming een huisje gebouwd op de gemene gronden. Dat
gebeurde regelmatig en de schepenen en gezworenen van Veghel
verkochten dergelijke perceeltjes dan meestal achteraf aan de
eigenaar van het huis. Dat gebeurde ook hier en op 12-12-1598
kocht Aert Thomassen: “Een placxken van de gemeynt groot wesende
ontrent 3 ½ roeden, geleghen aent Dorshoudt aen erffenissen
Juffrou van Dript en voorts rontom aen de gemeynte, daer op syn
huys is staende”. In 1622 wordt dit goed omschreven als:
“Zeeckere huijsinge met zijn toebehoren, gestaan ter plaatse
genoemd het Dorshoudt”
- westen: de erfgenamen van jouffrouw Elizabeth Surmons
- voorts: de gemeynte
In de acte uit
1622 is sprake van een accoord gesloten in 1601 tussen Aert
Thomas en Juffrouw Elizabeth Zurmons, weduwe van Joncker Dript,
die op het huis op perceel nr. 19 woonden. Ik neem aan dat de
Juffrouw wel niet zo blij geweest zal zijn met een – naar ik
aanneem – schamel woninkje voor haar voorname woning, en dat
afgesproken zal zijn dat ter zijner tijd het perceeltje met het
huis naar de Van Surmonts zou gaan. Aert kreeg voor het accoord
90 gulden. In 1622 deden Aert en zijn zus Gijsbertken, die
kennelijk bij hem inwoonde afstand van de rechten op “d’
affgebroken huysken gestaen hebbende opt Ront Hooffken”. De zaak
werd toen overgedragen aan Jouffrouw Margriet, dochter van
Joncker Jacob Surmonts, weduwe van wijlen joncker Henrick
Monnicx. Het verpondingsboek van 1657 vermeld onder de
bezittingen van de Van Suromonts nog: Aert Thomassen hoff, groot
18 roeden, en afzonderlijk: Monickx hoff, groot 24 roeden. Het
in 1598 uitgegeven perceel was 3 ½ roeden groot, en was
naderhand nog uitgebreid. Omdat we in de archieven geen andere
uitgiften aan Aert Thomas aantroffen, zal hij zijn perceel wel
tersluiks vergroot hebben. Wat de lokalisering betreft: het
perceel lag ten oosten van het goed van de Van Suurmonts, en het
“Ront Hooffken” wijst naar een enigszins ronde vorm. In deze
reconstructie houden we het op een deel van perceel nr. 18. Aert
zal zijn bedoeninkje immers toch niet pal voor de deur van het
deftige huis gebouwd hebben. Perceel nr. 18
Als we naar de
kaart kijken dan wekt perceel nr. 18 de indruk van een recente –
zeg 18de eeuwse – uitgifte te zijn. Dit perceel is echter ouder.
Deze uitgifte is niet teruggevonden in de Veghelse archieven.
Ook staat het perceel getekend op de tiendkaart, wat betekent
dat het een uitgifte is van vóór circa 1650.

In 1546 wordt het
goed van de Van Surmonts omschreven als: ‘Huysingen, hoffsteden
ende hoff, boemgaerden miden binnenlande ende mitter heystrepen
ende mitten busselken ende mit den nyewen lande’ bij elkaar
gelegen in Veghel aent Dorhout”. In deze reconstructie gaan we
er van uit dat deze “nyewen lande” betrekking hebben op perceel
nr. 18, en dat dei in 1500-1546 van de gemene gronden verkocht
zijn. Perceel nr. 27: nieuwe gemeijnte
De omschrijving
van de verponding voor perceel nr. 27 in het verpondingsboek van
1702 (VP-1702, fol. 195) luidt: - Het lant in den Dooren, bede:
0-7-8 - Van de nieuwe gemeijnte, bede: 0-1-0 De post van de nieuwe
gemeijnte vinden we in het verpondingsboek van 1657 (nr. 23)
terug als: Lijsken, weduwe van Aert Willem Corsten, "haer nieu
lant in den Dooren", groot 60 roeden, verponding: 0-12-0,
omgerekend voor de bede: 0-1-0. Lijsken was in 1657 niet de
eigenaresse van perceel nr. 27, maar van een deel van perceel
nr. 23. Dit zal betekenen dat ze een strook land voor een
aangrenzend perceel gekocht had. De uitgifte hebben we niet
gevonden in de Veghelse archiefstukken. Onder enig voorbehoud
dateren we deze uitgifte op 1600-1657. We hebben ons bij de
lokalisering van deze cijns ook laten leiden door de
tiendkaart. Die tiendkaart is op details overigens niet nauwkeurig. De tiendkaart informeerde
ons ook over de
lokalisering van de uitgiften van 1651 en 1657 (perceel nrs. 8
en 10). |