|
Naam:
|
aen de Berksteeg |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Tegen sijn veld de berkesteegt [GVIIB7-12 (1791)
een
perceel weiland te Veghel in de putten aan de
berkesteegd [N (1818, 1838); F 495 (w: 28.80).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Liggend in de Putten, westelijk van de Zuid-
Willemsvaart ter plaatse van het huidige
industrieterrein, dichtbij de brug. Dit is de benaming
voor een kennelijk met berken beplante steeg.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 44 |
|
Opmerkingen:
|
Zie ook
de delen
Aan de Schutsboom en
Putten
|
|
Naam:
|
Bigghe’s Hoef |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Ex
mansu bigghe [HHI27-7 (1406-1421)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 34-37 |
|
Opmerkingen:
|
Bigghe was een persoonsnaam. De naam werd in latere
cijnsregisters vebasterd tot "die hoeff genampt
Bruggen". Vermeld in 1406 (perceel nr. 14): het deel van
Rutgerus Bigghe
|
|
Naam:
|
Bloemenhoff |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Aen
die donck aen bloemenhof [Mrv30-56 (1584-1589)]
stucxken in den bloemenhoff [GVE15-95 (1624)]
landt en hoy 't rijtje genaemt bloemenhof [GVE12-67
(1778)];
tegen seijnen acker den bloemhoff [GVC17 (1790)]
bloemenhof [N. (1835, 1836, 1862, 1869)]; [V.]; D 4-11
(ho: 2.35.60), 13 (b: 71.20), 25 (b: 42.50), 28 (b:
89.10), 63 (b: 29.80), 626 (b: 1.04.20).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
De
benaming bloemenhof geldt voor verscheidene percelen,
een op de Leest bij het oude
zwembad, de andere grenzend aan het bloemengat.
Perceel waar veel bloemen groeide/geteeld werden.
Mogelijk ook teruggaand op persoonsnaam Bloemen.
Mogelijk ook afgeleid van bloem in de zin van bloesem,
gewestelijk b. v. in Brabant (W.N.T.). Of van bloem, het
fijnste van het meel, soms voorkomend als bloemen (W.N.T.).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 22 |
|
Opmerkingen:
|
De afleiding van een persoonsnaam heeft mijn voorkeur.
|
|
Naam:
|
over de Brugge, tusschen die twee Bruggen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
brugakker in de brugge [Hs- (1530)]
tussen twee bruggen [Hs- (1537)]
de
donkdoncke in de brugge aan de leest [RAV157-67 (1690)]
in
de bruggen [RAV159 (1743)]
lant
in de brugge [GVE12-189 (1777)]
de
bruggen [kad. (1832)]; D 415-544
ter
plaatse genaemt brugge aan de Hoogeinde [N (1844)]. D
457 (b: 92.50)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Dit
is de benaming voor een gebied ten westen van de Aa-oever,
gelegen tussen de
Aabrug bij de Markt en de zgn. mestbrug in de Leest. Het
omvat het tegenwoordige
Julianapark, de wijk 't Hoogeinde en een groot deel van
de wijk de Leest. Benaming naar
de
beide bruggen over de Aa.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 18 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen de Donck |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Van
enen .... erfft aen ghene donck ende in die prochie van
Vechel [GVIE2 (1424)]
donc
[GVE2-39 (± 1500)]; de donck, donk, over de brugge aan
de leest [RAV157-67v
(1690)
huys
hof en aangelegen erff 8 1. te Vechel aen de donck en 50
r. aen den
hulserdonck [Dom. l71 (1731-1756)]
land
in de donk [GO (1754)]
de
donk [N. (1835, 1871)], [V.]; D 627, 629 (b: 1.34.40), F
898 (b: 45.60).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Donk "lichte ophoging in een
depressie".
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Waar ‘donk’ zonder bepaling voorkomt wordt het met het
lidwoord gebruikt: bv. ‘op de Donc’. Men treft het
vrijwel steeds in samenstellingen aan. Over de betekenis
is een zekere consensus bereikt. Gijsseling denkt aan
een zandige opduiking in een moerassig terrein en gaat
uit van een afleiding van ‘dunga’. Bach spreekt van een
‘flache Erhöhung, Sandbank im sumpfigen Gelände’. De
Kempische donken zijn oorspronkelijk gelegen in een
broek of moerassige laagvlakte met één zijde op een
beek of rivier. Het waren over het algemeen
uitgestrekte verhevenheden, bewoond of geschikt
gemaakt voor kolonisatie. In de bepalingen die bij het
woord voorkomen schijnt vaak een diernaam te schuilen of
een verwijzing naar de plaatselijke begroeiing, uiterst
zelden een persoonsnaam.
Mansion verklaart de oorsprong van ‘donk’ uit de
ondergrondse kuil die bij de Germanen als
winterverblijf diende voor wevers of ook als
vrouwenverblijf en die van buiten werd bedekt met mest
om de kou te weren, zodat deze kon uitgroeien tot een
kleine heuvel. In de Baronie blijken donken weide- of
beemdgebieden te zijn. De meeste donknamen komen ten
zuiden van de grote rivieren voor. Soms slijt het
element af: Spordonc > Sporing, Spoerdonc > Spoeling,
Boedonc > Boeding, Beersdonk > Beersing.
Van Osta is van
mening dat er onvoldoende topografische en
etymologische gronden zijn om het woord te verklaren als
‘hoogte’. Volgens hem wijst microtoponymisch onderzoek
in de richting van ‘laag’ of ‘afhellend’ en is het een
ondiepe put, inzinking of afzakkend terrein. Hij legt
een verband met het ww. ‘dompelen’ voor
terreindepressies in de direkte omgeving van beken en
moerassen, die periodiek overstroomden: een moerassige
terreindepressie als tijdelijk ‘ondergedompeld’ land.
Gijsseling 1954:100; Bach 1953 dl.2:291; Buiks 1986
dl.9:40; Buiks 1990:140; Moerman 1956:53; Schönfeld
1950; Gijsseling 1981:75; v.Osta 1991:87 - 115; Helsen
1978:37.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 4-6, 15, 16, 18, 20, 22, 25, 27-29,
34-37 |
|
Opmerkingen:
|
Donk is een naam voor een terreinverhoging. Op
de hoogtekaart van 1965
is te zien dat het gebied wat hoger lag. Het oorspronkelijke reliëf van het
landschap kan met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart
rond 1825 verstoord zijn. Het gearceerde gebied omvat de
veldnamen Smitsdonk en Hulserdonk (perceel nr. 28 en een
deel van nr. 29).

|
|
Naam:
|
aen den Doornhoek |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Hofstad met toebehoren ter plaatse genaemt den
Doerenhoek [GZG-3246 (1591)]
de
hemel in doornhoek [Hs- (1682)]
een
hoeve groot in teulland metten hoff en boomgard, groes
en houtwas thien loopense en in hoyland een karre
hoijgewas gelegen aan den Dorrenhoek [HH-163
(1714-1783)]; 't rot den Doornhoek [GVIIB26 (1787)];
de
Doomhoek [kad. (1832)]; E 130-202.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend onder Zijtaart.
Allerlei bomen en struiken konden als grensaanduiding en
perceelsafsluiting dienen, maar zeker is er geen
geschikter dan de doornstruik (hagedoorn) die dan ook op
grote schaal als zodanig gebruikt werd (M. Schöfeld,
Veldnamen in Nederland 1980 -139); Misschien is hier
sprake geweest van een perceel voorheen bos, omgeven met
doornhagen, of van een dergelijk perceel nabij een bos.
Het eerste lid kan wellicht ook verwijzen naar de
eigenaar (van Doorn).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-3, 5, 29-33, 37 |
|
Opmerkingen:
|
Mogelijk verwijst de naam naar doornstruiken op de
woeste gemene gronden. Een groot gedeelte van dit gebied
is pas na de middeleeuwen in cultuur gebracht.
|
|
Naam:
|
(voor) den Engel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen vermeld de huisnaam “Den Engel”, niet deze
perceelsnaam. |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 14 |
|
Opmerkingen:
|
Het huis Den Engel stond tegenover dit perceel aan de
overkant van de weg. In het verpondingboek van 1738 heet
dit perceel “voor den Engel”. In het daarop volgende
verpondingboek van 1753 wordt dit perceel Den Engel
genoemd.
|
|
Naam:
|
de Gaapert |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Landt de gapert [GVE12-226v (1777)];
een
perceel teullant en canten aan den doornhoek, genaamt de
gapert [RAV112-327 (1801)]; de gapert [V.-]; D 645, 666
(w: 25.88).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op de Doornhoek en tevens op de Leest.
benoeming naar de bezitter
(die
gapert als bijnaam had). Een gapert, gaper is ook een
houten beeld, inzonderheid de
houten kop met gapende mond en vaak met een uitgestoken
tong, welke voor de winkel
van
een drogist als uithangteken geplaatst is (W.N.T. -279,
280). Mogelijk werd hier een
geneeskrachtig gewas geteelt voor een drogist of
apotheker, of was het perceel eigendom
van
of gepacht door een drogist of apotheker.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 5 |
|
Opmerkingen:
|
Misschien was een van de eigenaren in het verleden een “gapert”,
maar daar zal dit perceel wel niet naar genoemd zijn.
Ook niet naar een beeld met uitgestoken tong. Ik denk
dat de naam te maken heeft met de vorm van het perceel.
|
|
Naam:
|
Heijltjens Veltje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Heyltjensveltje [GVEI2-228 (1778)]. |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 34 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaresse van vóór 1722.
|
|
Naam:
|
op den Hoeck |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Lant
den hoek en doom int Dorshout [GVE12-192v (1777)];
de
hoek, den hoek [N (1842, 1886), V.-]; F 295-297 (b en w:
1.09.30), 371-372 (w: 39.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Twee
percelen liggende noordelijk van de Schijndelsedijk aan
de rand van het Dubbele tevens drie percelen in de
Grootdonk onder Eerde en een perceel in het Dorshout,
identiek met of nabij de Doorn (zie doorn). Benoeming
naar de ligging aan een hoek in een zandweg (Grootdonk),
respektievelijk aan een hoek in een lintvormige reeks
smalle percelen (Dubbele). Een hoek duidt op 1) perceel
dat een hoek vormt, te vergelijken met eegde, geer, tip
e.a., 2) perceel met een winkel of haak, 3) kleine
agglomoratie in hoekvorm, niet noodzakelijk aan de
uithoek van de gemeente gelegen (M. Top. Overpelt,
-154).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 29 |
|
Opmerkingen:
|
De Hoek aan de Donk is niet gesignaleerd door
Cornelissen.
|
|
Naam:
|
Hoogheijnde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dictis die hoghe ynden ad putte [HH133-8 (1507)]
den
gentenbrick Veghel aen de hoocheynden [BP1413-401
(1581)]
de
hooch eijnden in den brugge [GVE15-159 (1624)]
van
eenen 't rot de hoge eynde [GVIIB26 (1787)]
de
hoogeinde [kado (1832)]; A 1141-1273.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Als
meervoud benaming voor gebied rond de tegenwoordige
Hoofdstraat en H. Hartplein,
als
enkelvoud voor een perceel op de Leinsekampen. Benoeming
naar de hoge ligging "aan de uiteinden" van een bepaald
gebied.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
ex petia terre dicta die hogheeynde (Cijnsregisters
Helmond, 1447)
De eind-namen zijn sterk verspreid in deze regio. Het
mnl. ‘ende’ verwijst naar een grens, einde, uiteinde,
rand, zoom of boord. Vele namen met -einde vindt men of
aan het einde of als grens van een bepaald gebied. Op
deze plaatsen werden slagbomen, draaibomen of hekken
geplaatst.
In de Brabantse ZW-hoek komen in de nederzettingsnamen
ook relatief veel einde-namen voor, nl. de grootste
categorie na de berg- en straatnamen in dat gebied. In
een later stadium wordt ‘eind’ veelal vervangen door
hoek, kant en zijde. Er zijn diverse samenstellingen
mogelijk bij de einde-namen.
Buiks & Leenders 1993 dl.1: 35; Cornelissen e.a. 1987:
103; Frenken 1948: 103; Kakebeeke 1973: 361; Verdam
1932: 542.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 15, 16, 41, 43 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Hulserdonck |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Huis,
hof en landerijen gelegen in de parochie Veghel, ter
plaatse genaemt hulsberdonc [GZG-272 (1396)]; van die
gemeijnte van Vechel aen den hulserdonck [RAV169-1v
(1646)]; huys, hof en aengelegen erff 8 loop. te Vechel
aen de donck en 50 r. aen den hulserdonck [Dom.-171
(1731-1756)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. het eerste lid is misschien afgeleid
van huls, steekpalm (zie Hulsel).
Eventueel ook identiek aan Hilverdonk.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 29 |
|
Opmerkingen:
|
Perceel no: 29 wordt omstreeks 1418-1443 Hulserdonck
genoemd. Een oudere vermelding uit 1396 komt uit de
inventaris van het Groot Zieken Gasthuis, no: 272
(1396): "huis en hof en landerijen in de parochie Veghel
ter plaatse genaemt Hulsberdonc." Ik vermoed dat de naam
afgeleid is van een persoonsnaam.
|
|
Naam:
|
Keysersvelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
stuck landts genaemt keysersvelt (onder Eerde) [GSO-262
(1617)];
acker teulland genaemt het keijsersvelt, omtrent de
schutsboom [RAV96-140v (1717)] ;
keysersvelt [GSO-262 (1754)];
keyzersveld [N (1836)]; D 624 (b en w: 1.34.70);
keizersveld [N (1870), V.-]; D 623 (w: 73.00), 624 (b:
1.34.70).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging nabij de kom van Eerde, tevens ligging
op de Leest. Benoeming naar een persoonsnaam vgl.
Mariellus Wilhelmus de Keyzer 1883, Adriana Keyzers 1833
(Kl. Bev.V.).Benoeming naar de bijnaam van de eigenaar
die in het schuttersgilde eens "keizer"schoot (M.Top.
Valk. -161).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 24, 25 |
|
Opmerkingen:
|
In 1657 wordt dit perceel “Arien Keysers lant” genoemd. |
|
Naam:
|
aen de Leest |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
over
de brugge aan de leest [Hs- (1539)]
over
de brugge aan de leest [RAVI57-67v (1690)]
't
rot de leest (dijk naar rode) [GVIIB26 (1787)]
de
leest [kad. (1832)]; D 545-645, 648-708
de
leest, op de leest [N (1871)]; D 642-647 (b en w:
18.45).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied, omsloten door de huidige weg de Leest, de Zuid-
Willemsvaart en de Violenstraat- Rembrandtlaan (vroeger
oude weg naar St.Oedenrode). Tegenwoordig is het
toponiem in gebruik als benaming voor een wijk die ter
plaatse gelegen is. Deze omvat echter ook nog
het
gebied de Bruggen en een deel van de Zijtaartse beemden,
terwijl het gedeelte van de
oude
Leest tussen Violenstraat en Rembrandtlaan er buiten is
komen te vallen.
Leest als kollektief van "lese" (De Bont -180). "Lese"
1) spoor, groeve, vore (Verwijs en Verdam 388).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 5-10, 12-19, 21, 24, 27-29, 44, 45 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Loect |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Geloect [HHI27-1 (1406-1421)]
gelegen in den prochien van Vechel ter plaetsen geheyten
int geloect [GVIE2 (1542)]
de
stucken 't geluck genaemt [GVEI5-38 (1624)]
van
eenen aeker genaemt geluek aent havent [HHI63-19
(1714-1783)]
een
huys en lant 't geluk [GVEI2-165v (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op het Havelt en mogelijk op meerdere
plaatsen. De grondvorm is gelookt, afgeleid van mnl.
geluken = (om)sluiten. Geleekt ontwikkelt verder tot
gelukt (palatalisering) en (mogelijk met
volksetymologische reïnterpretatie) tot geluk. Het is
een specifieke benaming voor een individueel, uit de
heide ontgonnen en rondom geheind perceel bouwland. In
deze betekenis komen ook bocht en kamp voor, dit laatste
in mindere mate. De vorm gelookt (geluk) is typisch
Noord-Brabants in de Belgische Kempen komen eerder look
en blo(o)k voor (Top. Valkenswaard, -117).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Dit element is afgeleid van het mnl. luken of loken met
als betekenis (1) afsluiten of omheinen en (2) omheinde
ruimte i.c. een door een gracht of houtkanten omsloten
perceel. Verwant hieraan lijkt ‘blok’ en in andere
samenstellingen het element ‘kamp’. De looknamen
verwijzen naar uit heide ontgonnen percelen in
particulier bezit. In de cijnskring lijkt het een
algemene aanduiding voor iemands grondeigendom, m.n.
toegespitst op huis, schuur, erf en aanliggende
percelen. De meeste samenstellingen bestaan uit een vorm
van ‘loken’ in combinatie met een FN of PN [redactie].
Het mnl. lochtuun, wat later lochten en lochting werd,
is bekend in de betekenis van moestuin of hof. De
grondvorm van lochten is ‘looktuin’, waarin het mnl.
loke, loicke = omheinde ruimte en het mnl. tuun =
omheining van vlechtwerk van teenwilgen doorklinkt.
In dialekten zou ‘locht’ ook voorkomen in de betekenis
van ‘licht’, een onvruchtbaar en zanderig stuk grond.
Een lochtenberg zou een zandige hoogte, misschien kaal
en onbegroeid, zijn. Lochte grond is slechte,
onvruchtbare zandgrond. In sommige plaatsen van de
cijnskring bestaat de uitdrukking ‘het is maar lochte
timmer’, verwijzend naar de slechte staat van iets,
mindere kwaliteit [redactie].
Helsen 1978; Molemans 1976:209,1067; Buiks 1984 dl.8:52;
Molemans 1970:13; v.Berkel & Samplonius 1989:112. |
|
Opmerkingen:
|
|
|
Naam:
|
Roijse Dyk, dyk naar St. Rode |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Schutsboombroekje op den Rooisen Dijk [GVIIB26 (1796)]
den
rooischendijk [N 91842, 1882)]; F591, 592 (w: 55.80),
628-630 (b en w: 1.18.60)
Den
nieuwen rooisendijk [GVIIB26 (1806)]
Op
den ouden rooysen dijk [GVIIB26 (1804)]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Dit
is de oud benaming voor de weg naar St. Oedenrode, ook
de huidige Violenstraat behoorde daarbij, tevens enkele
percelen aan de Rooisedijk gelegen. Benoeming naar de
ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 38, 39, 40 en 45 grebnsden aan de Roijse
DIjk |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
agter (bij, aan) de Schutsboom |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
110
Roeden gelegen aen de hoogeynde agter de schutsboom
[Dom. 171-61v (1731-1756)]
huis, hof aen de schutsboom [RAVl00-87v (1733)]
eenen camp groesland houtwasch en geregtigheden gelegen
alhier agter den schutsboom [RAV112-112v (1797)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging aan de Hoogeinden, ongeveer ter hoogte
van de voormalige brandweerkazerne. Benoeming naar de
ligging bij een schutsboom (van een der traditionele
Veghelse schuttersgilden St. Joris, St. Catharina, St.
Antonius en St. Barbara, welke is heropgericht).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 16, 18, 22, 28, 41, 43 |
|
Opmerkingen:
|
|
|
Naam:
|
Schutsboomsbroekje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Schutsboombroekske over de brugge op de leest
[RAV159-22v (1759)]
het
schutsboomsbroekje [N (1838)]; D 586-588 (w: 47.50)
gelegen aan het schutboomsbroekje [N (1845)]; D 581 (b
en w: 69.00)
plaats waar steenen-wind-koren-boekweit- en pelmolen
stond ter plaatse genaemt schutsboomsbroekje aan de
hoogeinde [N (1853)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op de Leest. Benoeming naar de ligging nabij de
schutsboom. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 42 grensde aan het Schutsboomsbroekje |
|
Opmerkingen:
|
Zie ook bij:
Aan de Schutsboom |
|
Naam:
|
Smitsdonck |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Lant
en groes agter de schutsboom, genaamt smitsdonck
[RAV101-224v (1741)];
smitsdonk by de leest [GVIIE13 (1792)];
een
akker teulland gelegen aan de donk genaemt smitsdonk [N
(1816)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op de Leest. Het perceel zal wat hoger
gelegen zijn geweest dan de omliggende, alhoewel dit
niet meer vastgesteld kon worden; ter plaatse bevindt
zich nu de wijk de Leest.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 28 |
|
Opmerkingen:
|
In 1657 was dit perceel “gekomen van Henrick den Smidtt” |
|
Naam:
|
Vrense Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Vrensenacker op middegael [GVEI2-5 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. Het eerste lid zal een persoonsnaam
zijn vgl. Adrianus Vrenssen, 1833 (Kl.Bev. V.).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 4 |
|
Opmerkingen:
|
Vrens is een afleiding van Laureijns. Laureijns Willem
Thonis de wever was eigenaar van dit perceel in de 17-de
eeuw.
|
|
Naam:
|
Aen de Vuijtcampen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
(U)uytcampen, dorhout [Hs- (1532)];
de
boschkamp in ruybroek in uuytcampen [Hs(1539)];
zijn
moeders hoff ende lant bij thuys in de uuytcampen
[GVE15-132 (1624)];
vossenhooI in uuytcampen dorshout by gelijke beemden
[GVIIE13 (1792)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Benoeming naar de afgelegen ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 7, 10, 13, 14 |
|
Opmerkingen:
|
Er zijn in Veghel twee gebieden die “Uitkampen” genoemd
werden. Een deel van het Dorshout en het gebied tussen
de Doornhoek en de Biezen. Het laatste gebied werd wel
aangeduid als “in die Vuijtcampen aen die Heye”. Het
betreft klampen of percelen die aan alle kanten door de
gemene gronden omgeven waren. Ze waren overigens niet
afgelegen. Ze lagen niet ver van de andere huizen en
cultuurgronden.
|
|
Naam:
|
Wouters Veltje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Woutervelt in bredelaar in de hey in horricks tiende
[Hs- (1539)];
ven
erffenisse genaemt woutersveld aan de hooge heyde
gelegen neffens de gemeente van vechel [HHI63-52
(1714-1783)] .
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging, waarschijnlijk in de omgeving Ven/Hoge
Heide mogelijk identiek met woutenveld, wuitenveld (zie
woutenveld, wuitenveld). Mogelijk een verschrijving voor
woutenveld, hoewel dit laatste toponiem iets ontwikkeld
kan hebben uit een oorspronkelijk wouterveld.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 6, 34 |
|
Opmerkingen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op andere plaatsen,
niet aan de Donck. De percelen aan de Donck worden in de
bronnen ook “het lant van Wouter Jan Wouters” genoemd.
Hijs bezat deze percelen in 1657.
|
|