Donk - toponiemen

Naam:

 

aen de Berksteeg

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Tegen sijn veld de berkesteegt [GVIIB7-12 (1791)

 

een perceel weiland te Veghel in de putten aan de berkesteegd [N (1818, 1838); F 495 (w: 28.80).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Liggend in de Putten, westelijk van de Zuid- Willemsvaart ter plaatse van het huidige industrieterrein, dichtbij de brug. Dit is de benaming voor een kennelijk met berken beplante steeg.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 44

Opmerkingen:

 

Zie ook de delen Aan de Schutsboom en Putten

 

 

 

 

Naam:

 

Bigghe’s Hoef

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Ex mansu bigghe [HHI27-7 (1406-1421)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 34-37

Opmerkingen:

 

Bigghe was een persoonsnaam. De naam werd in latere cijnsregisters vebasterd tot "die hoeff genampt Bruggen". Vermeld in 1406 (perceel nr. 14): het deel van Rutgerus Bigghe

 

 

 

 

Naam:

 

Bloemenhoff

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Aen die donck aen bloemenhof [Mrv30-56 (1584-1589)]

 

stucxken in den bloemenhoff [GVE15-95 (1624)]

 

landt en hoy 't rijtje genaemt bloemenhof [GVE12-67 (1778)];

 

tegen seijnen acker den bloemhoff [GVC17 (1790)]

 

bloemenhof [N. (1835, 1836, 1862, 1869)]; [V.]; D 4-11 (ho: 2.35.60), 13 (b: 71.20), 25 (b: 42.50), 28 (b: 89.10), 63 (b: 29.80), 626 (b: 1.04.20).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

De benaming bloemenhof geldt voor verscheidene percelen, een op de Leest bij het oude

zwembad, de andere grenzend aan het bloemengat.

 

Perceel waar veel bloemen groeide/geteeld werden. Mogelijk ook teruggaand op persoonsnaam Bloemen. Mogelijk ook afgeleid van bloem in de zin van bloesem, gewestelijk b. v. in Brabant (W.N.T.). Of van bloem, het fijnste van het meel, soms voorkomend als bloemen (W.N.T.).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 22

Opmerkingen:

 

De afleiding van een persoonsnaam heeft mijn voorkeur.

 

 

 

 

Naam:

 

over de Brugge, tusschen die twee Bruggen

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De brugakker in de brugge [Hs- (1530)]

 

tussen twee bruggen [Hs- (1537)]

 

de donkdoncke in de brugge aan de leest [RAV157-67 (1690)]

 

in de bruggen [RAV159 (1743)]

 

lant in de brugge [GVE12-189 (1777)]

 

de bruggen [kad. (1832)]; D 415-544

 

ter plaatse genaemt brugge aan de Hoogeinde [N (1844)]. D 457 (b: 92.50)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Dit is de benaming voor een gebied ten westen van de Aa-oever, gelegen tussen de

Aabrug bij de Markt en de zgn. mestbrug in de Leest. Het omvat het tegenwoordige

Julianapark, de wijk 't Hoogeinde en een groot deel van de wijk de Leest. Benaming naar

de beide bruggen over de Aa.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 18

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

aen de Donck

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Van enen .... erfft aen ghene donck ende in die prochie van Vechel [GVIE2 (1424)]

 

donc [GVE2-39 (± 1500)]; de donck, donk, over de brugge aan de leest [RAV157-67v

(1690)

 

huys hof en aangelegen erff 8 1. te Vechel aen de donck en 50 r. aen den

hulserdonck [Dom. l71 (1731-1756)]

 

land in de donk [GO (1754)]

 

de donk [N. (1835, 1871)], [V.]; D 627, 629 (b: 1.34.40), F 898 (b: 45.60).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Donk "lichte ophoging in een depressie".

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Waar ‘donk’ zonder bepaling voorkomt wordt het met het lidwoord gebruikt: bv. ‘op de Donc’. Men treft het vrijwel steeds in samenstellingen aan. Over de betekenis is een zekere consensus bereikt. Gijsseling denkt aan een zandige opduiking in een moerassig terrein en gaat uit van een afleiding van ‘dunga’. Bach spreekt van een ‘flache Erhöhung, Sandbank im sumpfigen Gelände’. De Kempische donken zijn oorspronkelijk gelegen in een broek of moerassige laagvlakte met één zijde op een beek of rivier. Het waren over het algemeen uitgestrekte verhevenheden, bewoond of geschikt gemaakt voor kolonisatie. In de bepalingen die bij het woord voorkomen schijnt vaak een diernaam te schuilen of een verwijzing naar de plaatselijke begroeiing, uiterst zelden een persoonsnaam.

 

Mansion verklaart de oorsprong van ‘donk’ uit de ondergrondse kuil die bij de Germanen als winterverblijf diende voor wevers of ook als vrouwenverblijf en die van buiten werd bedekt met mest om de kou te weren, zodat deze kon uitgroeien tot een kleine heuvel. In de Baronie blijken donken weide- of beemdgebieden te zijn. De meeste donknamen komen ten zuiden van de grote rivieren voor. Soms slijt het element af: Spordonc > Sporing, Spoerdonc > Spoeling, Boedonc > Boeding, Beersdonk > Beersing.

 

Van Osta is van mening dat er onvoldoende topografische en etymologische gronden zijn om het woord te verklaren als ‘hoogte’. Volgens hem wijst microtoponymisch onderzoek in de richting van ‘laag’ of ‘afhellend’ en is het een ondiepe put, inzinking of afzakkend terrein. Hij legt een verband met het ww. ‘dompelen’ voor terreinde­pressies in de direkte omgeving van beken en moerassen, die periodiek overstroomden: een moerassige terreindepressie als tijdelijk ‘ondergedompeld’ land.

 

Gijsseling 1954:100; Bach 1953 dl.2:291; Buiks 1986 dl.9:40; Buiks 1990:140; Moerman 1956:53; Schönfeld 1950; Gijs­seling 1981:75; v.Osta 1991:87 - 115; Helsen 1978­:37.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1, 4-6, 15, 16, 18, 20, 22, 25, 27-29, 34-37

Opmerkingen:

 

Donk is een naam voor een terreinverhoging. Op de hoogtekaart van 1965 is te zien dat het gebied wat hoger lag. Het oorspronkelijke reliëf van het landschap kan met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart rond 1825 verstoord zijn. Het gearceerde gebied omvat de veldnamen Smitsdonk en Hulserdonk (perceel nr. 28 en een deel van nr. 29).

 

 

 

 

 

Naam:

 

aen den Doornhoek

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Hofstad met toebehoren ter plaatse genaemt den Doerenhoek [GZG-3246 (1591)]

 

de hemel in doornhoek [Hs- (1682)]

 

een hoeve groot in teulland metten hoff en boomgard, groes en houtwas thien loopense en in hoyland een karre hoijgewas gelegen aan den Dorrenhoek [HH-163 (1714-1783)]; 't rot den Doornhoek [GVIIB26 (1787)];

 

de Doomhoek [kad. (1832)]; E 130-202.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggend onder Zijtaart.

 

Allerlei bomen en struiken konden als grensaanduiding en perceelsafsluiting dienen, maar zeker is er geen geschikter dan de doornstruik (hagedoorn) die dan ook op grote schaal als zodanig gebruikt werd (M. Schöfeld, Veldnamen in Nederland 1980 -139); Misschien is hier sprake geweest van een perceel voorheen bos, omgeven met doornhagen, of van een dergelijk perceel nabij een bos. Het eerste lid kan wellicht ook verwijzen naar de eigenaar (van Doorn).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1-3, 5, 29-33, 37

Opmerkingen:

 

Mogelijk verwijst de naam naar doornstruiken op de woeste gemene gronden. Een groot gedeelte van dit gebied is pas na de middeleeuwen in cultuur gebracht.

 

 

 

 

Naam:

 

(voor) den Engel

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen vermeld de huisnaam “Den Engel”, niet deze perceelsnaam.

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Perceel nr. 14

Opmerkingen:

 

Het huis Den Engel stond tegenover dit perceel aan de overkant van de weg. In het verpondingboek van 1738 heet dit perceel “voor den Engel”. In het daarop volgende verpondingboek van 1753 wordt dit perceel Den Engel genoemd.

 

 

 

 

Naam:

 

de Gaapert

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Landt de gapert [GVE12-226v (1777)];

 

een perceel teullant en canten aan den doornhoek, genaamt de gapert [RAV112-327 (1801)]; de gapert [V.-]; D 645, 666 (w: 25.88).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging op de Doornhoek en tevens op de Leest. benoeming naar de bezitter

(die gapert als bijnaam had). Een gapert, gaper is ook een houten beeld, inzonderheid de

houten kop met gapende mond en vaak met een uitgestoken tong, welke voor de winkel

van een drogist als uithangteken geplaatst is (W.N.T. -279, 280). Mogelijk werd hier een

geneeskrachtig gewas geteelt voor een drogist of apotheker, of was het perceel eigendom

van of gepacht door een drogist of apotheker.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 5

Opmerkingen:

 

Misschien was een van de eigenaren in het verleden een “gapert”, maar daar zal dit perceel wel niet naar genoemd zijn. Ook niet naar een beeld met uitgestoken tong. Ik denk dat de naam te maken heeft met de vorm van het perceel.

 

 

 

 

Naam:

 

Heijltjens Veltje

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Heyltjensveltje [GVEI2-228 (1778)].

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging

Ligging:

 

Perceel nr. 34

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een eigenaresse van vóór 1722.

 

 

 

 

Naam:

 

op den Hoeck

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Lant den hoek en doom int Dorshout [GVE12-192v (1777)];

 

de hoek, den hoek [N (1842, 1886), V.-]; F 295-297 (b en w: 1.09.30), 371-372 (w: 39.10).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Twee percelen liggende noordelijk van de Schijndelsedijk aan de rand van het Dubbele tevens drie percelen in de Grootdonk onder Eerde en een perceel in het Dorshout, identiek met of nabij de Doorn (zie doorn). Benoeming naar de ligging aan een hoek in een zandweg (Grootdonk), respektievelijk aan een hoek in een lintvormige reeks smalle percelen (Dubbele). Een hoek duidt op 1) perceel dat een hoek vormt, te vergelijken met eegde, geer, tip e.a., 2) perceel met een winkel of haak, 3) kleine agglomoratie in hoekvorm, niet noodzakelijk aan de uithoek van de gemeente gelegen (M. Top. Overpelt, -154).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 29

Opmerkingen:

 

De Hoek aan de Donk is niet gesignaleerd door Cornelissen.

 

 

 

 

Naam:

 

Hoogheijnde

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Dictis die hoghe ynden ad putte [HH133-8 (1507)]

 

den gentenbrick Veghel aen de hoocheynden [BP1413-401 (1581)]

 

de hooch eijnden in den brugge [GVE15-159 (1624)]

 

van eenen 't rot de hoge eynde [GVIIB26 (1787)]

 

de hoogeinde [kado (1832)]; A 1141-1273.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Als meervoud benaming voor gebied rond de tegenwoordige Hoofdstraat en H. Hartplein,

als enkelvoud voor een perceel op de Leinsekampen. Benoeming naar de hoge ligging "aan de uiteinden" van een bepaald gebied.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

ex petia terre dicta die hogheeynde (Cijnsregisters Helmond, 1447)

 

De eind-namen zijn sterk verspreid in deze regio. Het mnl. ‘ende’ verwijst naar een grens, einde, uiteinde, rand, zoom of boord. Vele namen met -einde vindt men of aan het einde of als grens van een bepaald gebied. Op deze plaatsen werden slagbomen, draaibomen of hekken geplaatst.

 

In de Brabantse ZW-hoek komen in de nederzettingsnamen ook relatief veel einde-namen voor, nl. de grootste categorie na de berg- en straatnamen in dat gebied. In een later stadium wordt ‘eind’ veelal vervangen door hoek, kant en zijde. Er zijn diverse samenstellingen mogelijk bij de einde-namen.

 

Buiks & Leenders 1993 dl.1: 35; Cornelissen e.a. 1987: 103; Frenken 1948: 103; Kakebeeke 1973: 361; Verdam 1932: 542.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 15, 16, 41, 43

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Hulserdonck

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Huis, hof en landerijen gelegen in de parochie Veghel, ter plaatse genaemt hulsberdonc [GZG-272 (1396)]; van die gemeijnte van Vechel aen den hulserdonck [RAV169-1v (1646)]; huys, hof en aengelegen erff 8 loop. te Vechel aen de donck en 50 r. aen den hulserdonck [Dom.-171 (1731-1756)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging. het eerste lid is misschien afgeleid van huls, steekpalm (zie Hulsel).

Eventueel ook identiek aan Hilverdonk.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 29

Opmerkingen:

 

Perceel no: 29 wordt omstreeks 1418-1443 Hulserdonck genoemd. Een oudere vermelding uit 1396 komt uit de inventaris van het Groot Zieken Gasthuis, no: 272 (1396): "huis en hof en landerijen in de parochie Veghel ter plaatse genaemt Hulsberdonc." Ik vermoed dat de naam afgeleid is van een persoonsnaam.

 

 

 

 

Naam:

 

Keysersvelt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Een stuck landts genaemt keysersvelt (onder Eerde) [GSO-262 (1617)];

 

acker teulland genaemt het keijsersvelt, omtrent de schutsboom [RAV96-140v (1717)] ;

 

keysersvelt [GSO-262 (1754)];

 

keyzersveld [N (1836)]; D 624 (b en w: 1.34.70);

 

keizersveld [N (1870), V.-]; D 623 (w: 73.00), 624 (b: 1.34.70).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging nabij de kom van Eerde, tevens ligging op de Leest. Benoeming naar een persoonsnaam vgl. Mariellus Wilhelmus de Keyzer 1883, Adriana Keyzers 1833 (Kl. Bev.V.).Benoeming naar de bijnaam van de eigenaar die in het schuttersgilde eens "keizer"schoot (M.Top. Valk. -161).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 24, 25

Opmerkingen:

 

In 1657 wordt dit perceel “Arien Keysers lant” genoemd.

 

 

 

Naam:

 

aen de Leest

Vermeldingen door Cornelissen:

 

over de brugge aan de leest [Hs- (1539)]

 

over de brugge aan de leest [RAVI57-67v (1690)]

 

't rot de leest (dijk naar rode) [GVIIB26 (1787)]

 

de leest [kad. (1832)]; D 545-645, 648-708

 

de leest, op de leest [N (1871)]; D 642-647 (b en w: 18.45).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied, omsloten door de huidige weg de Leest, de Zuid- Willemsvaart en de Violenstraat- Rembrandtlaan (vroeger oude weg naar St.Oedenrode). Tegenwoordig is het toponiem in gebruik als benaming voor een wijk die ter plaatse gelegen is. Deze omvat echter ook nog

het gebied de Bruggen en een deel van de Zijtaartse beemden, terwijl het gedeelte van de

oude Leest tussen Violenstraat en Rembrandtlaan er buiten is komen te vallen.

 

Leest als kollektief van "lese" (De Bont -180). "Lese" 1) spoor, groeve, vore (Verwijs en Verdam 388).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1, 5-10, 12-19, 21, 24, 27-29, 44, 45

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Loect

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Geloect [HHI27-1 (1406-1421)]

 

gelegen in den prochien van Vechel ter plaetsen geheyten int geloect [GVIE2 (1542)]

 

de stucken 't geluck genaemt [GVEI5-38 (1624)]

 

van eenen aeker genaemt geluek aent havent [HHI63-19 (1714-1783)]

 

een huys en lant 't geluk [GVEI2-165v (1778)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging op het Havelt en mogelijk op meerdere plaatsen. De grondvorm is gelookt, afgeleid van mnl. geluken = (om)sluiten. Geleekt ontwikkelt verder tot gelukt (palatalisering) en (mogelijk met volksetymologische reïnterpretatie) tot geluk. Het is een specifieke benaming voor een individueel, uit de heide ontgonnen en rondom geheind perceel bouwland. In deze betekenis komen ook bocht en kamp voor, dit laatste in mindere mate. De vorm gelookt (geluk) is typisch Noord-Brabants in de Belgische Kempen komen eerder look en blo(o)k voor (Top. Valkenswaard, -117).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Dit element is afgeleid van het mnl. luken of loken met als betekenis (1) afsluiten of omheinen en (2) omheinde ruimte i.c. een door een gracht of houtkanten omsloten perceel. Verwant hieraan lijkt ‘blok’ en in andere samenstellingen het element ‘kamp’. De looknamen verwijzen naar uit heide ontgonnen percelen in particulier bezit. In de cijnskring lijkt het een algemene aanduiding voor iemands grondeigendom, m.n. toegespitst op huis, schuur, erf en aanliggende percelen. De meeste samenstellingen bestaan uit een vorm van ‘loken’ in combinatie met een FN of PN [redactie]. Het mnl. lochtuun, wat later lochten en lochting werd, is bekend in de betekenis van moestuin of hof. De grondvorm van lochten is ‘looktuin’, waarin het mnl. loke, loicke = omheinde ruimte en het mnl. tuun = omheining van vlechtwerk van teenwilgen doorklinkt.

 

In dialekten zou ‘locht’ ook voorkomen in de betekenis van ‘licht’, een onvruchtbaar en zanderig stuk grond. Een lochtenberg zou een zandige hoogte, misschien kaal en onbegroeid, zijn. Lochte grond is slechte, onvruchtbare zandgrond. In sommige plaatsen van de cijnskring bestaat de uitdrukking ‘het is maar lochte timmer’, verwijzend naar de slechte staat van iets, mindere kwaliteit [redactie].

 

Helsen 1978; Molemans 1976:209,1067; Buiks 1984 dl.8:52; Molemans 1970:13; v.Berkel & Samplonius 1989:112.

Opmerkingen:

 

 

 

 

 

 

Naam:

 

Roijse Dyk, dyk naar St. Rode

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Schutsboombroekje op den Rooisen Dijk [GVIIB26 (1796)]

 

den rooischendijk [N 91842, 1882)]; F591, 592 (w: 55.80), 628-630 (b en w: 1.18.60)

 

Den nieuwen rooisendijk [GVIIB26 (1806)]

 

Op den ouden rooysen dijk [GVIIB26 (1804)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Dit is de oud benaming voor de weg naar St. Oedenrode, ook de huidige Violenstraat behoorde daarbij, tevens enkele percelen aan de Rooisedijk gelegen. Benoeming naar de ligging.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 38, 39, 40 en 45 grebnsden aan de Roijse DIjk

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

agter (bij, aan) de Schutsboom

Vermeldingen door Cornelissen:

 

110 Roeden gelegen aen de hoogeynde agter de schutsboom [Dom. 171-61v (1731-1756)]

 

huis, hof aen de schutsboom [RAVl00-87v (1733)]

 

eenen camp groesland houtwasch en geregtigheden gelegen alhier agter den schutsboom [RAV112-112v (1797)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging aan de Hoogeinden, ongeveer ter hoogte van de voormalige brandweerkazerne. Benoeming naar de ligging bij een schutsboom (van een der traditionele Veghelse schuttersgilden St. Joris, St. Catharina, St. Antonius en St. Barbara, welke is heropgericht).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 16, 18, 22, 28, 41, 43

Opmerkingen:

 

 

 

 

 

Naam:

 

Schutsboomsbroekje

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Schutsboombroekske over de brugge op de leest [RAV159-22v (1759)]

 

het schutsboomsbroekje [N (1838)]; D 586-588 (w: 47.50)

 

gelegen aan het schutboomsbroekje [N (1845)]; D 581 (b en w: 69.00)

 

plaats waar steenen-wind-koren-boekweit- en pelmolen stond ter plaatse genaemt schutsboomsbroekje aan de hoogeinde [N (1853)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging op de Leest. Benoeming naar de ligging nabij de schutsboom.

Ligging:

 

Perceel nr. 42 grensde aan het Schutsboomsbroekje

Opmerkingen:

 

Zie ook bij: Aan de Schutsboom

 

 

 

Naam:

 

Smitsdonck

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Lant en groes agter de schutsboom, genaamt smitsdonck [RAV101-224v (1741)];

 

smitsdonk by de leest [GVIIE13 (1792)];

 

een akker teulland gelegen aan de donk genaemt smitsdonk [N (1816)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging op de Leest. Het perceel zal wat hoger gelegen zijn geweest dan de omliggende, alhoewel dit niet meer vastgesteld kon worden; ter plaatse bevindt zich nu de wijk de Leest.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 28

Opmerkingen:

 

In 1657 was dit perceel “gekomen van Henrick den Smidtt”

 

 

 

Naam:

 

Vrense Acker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Vrensenacker op middegael [GVEI2-5 (1778)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging. Het eerste lid zal een persoonsnaam zijn vgl. Adrianus Vrenssen, 1833 (Kl.Bev. V.).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 4

Opmerkingen:

 

Vrens is een afleiding van Laureijns. Laureijns Willem Thonis de wever was eigenaar van dit perceel in de 17-de eeuw.

 

 

 

 

Naam:

 

Aen de Vuijtcampen

Vermeldingen door Cornelissen:

 

(U)uytcampen, dorhout [Hs- (1532)];

 

de boschkamp in ruybroek in uuytcampen [Hs(1539)];

 

zijn moeders hoff ende lant bij thuys in de uuytcampen [GVE15-132 (1624)];

 

vossenhooI in uuytcampen dorshout by gelijke beemden [GVIIE13 (1792)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Benoeming naar de afgelegen ligging.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 7, 10, 13, 14

Opmerkingen:

 

Er zijn in Veghel twee gebieden die “Uitkampen” genoemd werden. Een deel van het Dorshout en het gebied tussen de Doornhoek en de Biezen. Het laatste gebied werd wel aangeduid als “in die Vuijtcampen aen die Heye”. Het betreft klampen of percelen die aan alle kanten door de gemene gronden omgeven waren. Ze waren overigens niet afgelegen. Ze lagen niet ver van de andere huizen en cultuurgronden.

 

 

 

 

Naam:

 

Wouters Veltje

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Woutervelt in bredelaar in de hey in horricks tiende [Hs- (1539)];

 

ven erffenisse genaemt woutersveld aan de hooge heyde gelegen neffens de gemeente van vechel [HHI63-52 (1714-1783)] .

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging, waarschijnlijk in de omgeving Ven/Hoge Heide mogelijk identiek met woutenveld, wuitenveld (zie woutenveld, wuitenveld). Mogelijk een verschrijving voor woutenveld, hoewel dit laatste toponiem iets ontwikkeld kan hebben uit een oorspronkelijk wouterveld.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 6, 34

Opmerkingen:

 

Cornelissen signaleert deze veldnaam op andere plaatsen, niet aan de Donck. De percelen aan de Donck worden in de bronnen ook “het lant van Wouter Jan Wouters” genoemd. Hijs bezat deze percelen in 1657.

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     Donk