|
|
Naam:
|
Armencoop, Hermencoop |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Huijs genaemt den Hermencoop; huijsplaetske aen den
Hermanscoop [RAV98-96v
(1725)]
huijs hof aan den biesen, genaamt den hermencoop
[RAV105-66v (1763)].
De arme koopkes [V.]; C 369 (he: 20.60.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Hermencoop: Onbekende ligging aan de Biesen. Het eerste
lid is een mans- of persoonsnaam.
Arme Coopkes: Het eerste lid moet wellicht opgevat
worden als adjektief in de betekenis van schraal, zoals
in arme zandgrond vgl. Kwadekoop.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 19 |
|
Opmerkingen:
|
Perceel
no: 19 wordt in 1761 Hermen coop genoemd. Dit is een
verbastering van 'Armen coop', welke naam in 1707
genoemd wordt. Het perceel is geen eigendom geweest van
de Armen, zodat de naam zal verwijzen naar de slechte
kwaliteit van de grond. Hermencoop is een verbastering
van Armencoop.
|
|
Naam:
|
Biezen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Ad locum dictum die byesen [BP1189-291 (1417)];
de biesen (byesen) [RAV (1539)];
rot den biesen en creytenburgh begint in aert donckerts
grooten beemt, bestaet in 22 huysen [GVB28 (± 1700)];
den biezen [GO (1754)]; mutsards leggende op den grond
alwaar dezelve gewassen zijn den biezen [N (1842)].
In loco dicto in die bye st [BP1178-204v (1385-1390)];
uyt twe stucken lants in die biest
[GVIE2 (1426)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
In tegenstelling tot biest, wordt de benaming de Biezen
nog gebruikt. Ligging onder
Zijtaart.
Biest is een plaats waar biezen groeien. Ligging zeer
waarschijlijk bij Zijtaart. Het zijn laaggelegen landen,
meest weilanden. Biest vertoont het bekende-t-suffix. J.
de Brouwer citeert de mening van J. Helsen ten aanzien
van de naam Biest: "In het centrum van de meeste van
onze Kempische dorpen is steeds de onbebouwde
driehoekige Biest gebleven, met in het midden de
Biezenpoel, waarvan het zijn naam heeft gekregen tI. In
Zijtaart ligt de Nederbiest ongeveer in het midden van
de buurtschap. Lindemans meent, dat de naam Biest zich
ook uitgestrekt heeft tot slecht weiland. Dit komt
overeen met de reeds genoemde betekenis, die Schönfeld
aan dit toponym hecht. Het lijkt aannemelijk dat biest
een andere vorm is voor de Biezen, welke naam nog in
gebruik is
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Met bies worden verschillende soorten planten aangeduid,
alle behorend tot de geslachten Scirpus = bies en Juncus
= rus. De meest algemene soorten zijn Pitrus, Juncus
effusus L., een plant van vochtige, enigszins gestoorde
milieus, welke werd gebruikt voor het vervaardigen van
kaarsepitten, en de mattenbies, de Scirpus lacustris L.,
die, eveneens voorkomend in een vochtige omgeving, werd
gebruikt voor het vlechten van stoelzittingen.
Ze groeien bij voorkeur op vochtige, moerassige en wat
zure gronden, vooral in beemden. In Beesd [1148 Bisde,
1224 Beseth] zit het verzamelsuffix -ithi wat overging
in een t-suffix: ‘plaats waar biezen groeien’. Beesel
[1294 Besel] is ontstaan uit bies + lo. Het element
‘biest’ kent nog een andere betekenis, m.n. in
Vlaanderen waar het een aanduiding is voor dorpsplein,
vroeger gewoonlijk voorzien van een waterput. Deze biest
of plaatse was vaak beplant. Hieraan herinnert de
volgende tekst: ‘Eene beplante plaetse genaemd de Biste,
waer door differente reijbaenen ende wegen sijn loopende
ende waer inne sig bevind een klijn vijverken offte
waetering der beesten....’ Biest is vergelijkbaar met
o.a. Berkt, Stokt, Boekt etc. [redactie].
Buiks 1990:58; Molemans 1976:145; Buiks 1988 dl.21:22;
v.Berkel & Samplonius 1989:27; Helsen 1978:39
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 16-28, 31, 34 |
|
Opmerkingen:
|
Biest is niet identiek aan de Biezen. De Lage Biezen
ligt op Zijtaart, de Nederbiest lag op het Havelt.
|
|
Naam:
|
Biezenloop |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Genaamt de biezense loop [GVB26-2 (1794)];
de biezenloop [kad. (1832)]; de biezense loop [V.-];
Begrenst o.a. F 455 (w: 21.49.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ter hoogte van de Voort onder Zijtaart gaat de
Jekschotse loop over in de Biezen(se) loop, die via Hoge
Biezen, het Reibroek en het Keselaar naar de Zuid-
Willemsvaart stroomde en vandaar evenwijdig daaraan naar
het noord-westen liep. Een groot deel van de Biezense
loop is verlegd en volgt een andere bedding. Het is nu
een brede, genormaliseerde waterloop, die ter hoogte van
het zuidelijk gedeelte van het industrieterrein de
provinciale weg naar Sint-Oedenrode-Eindhoven kruist.
|
|
Ligging:
|
Grenzend aan perceel nr. 23 |
|
Opmerkingen:
|
Een van de twee hoofdtakken van de Biezenloop stroomde
door dit gebied. In 1805 is een deel van de loop
verlegd. De loop is, toen het gebied van de gemeint
uitgegeven werd, stukjes bij beetjes gekanaliseerd,
waarbij de loop min of meer haar oorspronkelijk traject
bleef volgen.
|
|
Naam:
|
Boschecamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Boschcamp [HHI28-6 (1471)];
de boschkamp in ruybroek in nuytcampen [Hs- (1539)];
in de boscamp [HH147 (1621-1691)];
huis hoff en aangelegen landerijen staande en gelegen
aen den biesen genamt Boscamp [N. (1708)];
een parthije groese en houtwasch aan den doornhoek
genaemt Boscamp, ontI. Ph 1. [RAV112-150v (1797)];
boschkamp [N. 1840, 1844, 1866, 1876)]; E 725 (w:
49.54), 726 (he: 74.10), 730-732 (w: 93.60);
de boskamp [V.]; E 729 (b: 1.71.90).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Anno 1832 bestond een deel van de boskamp uit naaldbos,
kad.krt. 1832. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 16-20 |
|
Opmerkingen:
|
Dit goed is in 1190-1314 van de gemeint uitgegeven. De
oudste vermelding van de naam dateert van 1406: 'Boschecamp'.
De naam heeft niets met een 'bos' te maken, maar
verwijst ook naar een vroegere eigenaar. Een deel van
dit goed, is in 1406 eigendom van Mechtildis, dochter
van Arnoldus Bossche. Daarvoor was de Boschecamp in één
hand. Vermoedelijk is deze camp naar Arnoldus van den
Bossche genoemd.
|
|
Naam:
|
Doornhoek |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Hofstad met toebehoren ter plaatse genaemt den
Doerenhoek [GZG-3246 (1591)];
de hemel in doornhoek [Hs- (1682)];
een hoeve groot in teulland metten hoff en boomgard,
groes en houtwas thien loopense en in hoyland een karre
hoijgewas gelegen aan den Dorrenhoek [HH-163
(1714-1783)];
't rot den Doornhoek [GVIIB26 (1787)];
de Doomhoek [kad. (1832)]; E 130-202.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend onder Zijtaart. |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Afgeleid van het mnl. dorn wat doornstruik betekent,
zoals bv. in de oude benaming Durnium [721], een
heemnaam met als betekenis ‘plaats waar doornstruiken
groeien’. In de meeste gevallen betreft het omheiningen
bestaande uit haag-, mei- of sleedoorns. Dittmaier
schrijft over de haagdoorn: ‘Dornstrauch die zur Anlage
von Hekken benutzt wird besonders der Weissdorn, der
vielfach auch Dorn heisst’. Dat percelen werden
aangeplant met doornstruiken was vooral bedoeld om er
het vee te weren. In Doorntuin kan men denken aan een
omheining van een levende heg. Veel hakhout leverde
dergelijke heggen natuurlijk niet op.
v.Berkel & Samplonius 1989:46,50; Dittmaier 1963; Buiks
1988 dl.21:46; Trommelen 1994:204; v.Loon 1970:183;
Buiks & Leenders 1993 dl.4:442; Blok 1966.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1-16, 29-45 |
|
Opmerkingen:
|
De Doornhoek was omstreeks 1600 nog voor een groot deel
gemeint. De naam verwijst wellicht naar doornige
struiken.
|
|
Naam:
|
Kamp, Campken, Kempke |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op meerdere
plaatsen in Veghel |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Kamp, lat. campus, is oorspronkelijk een synoniem van
veld in de betekenis van "open, onbebouwd veld". Hier
heeft kamp de secundaire betekenis van: een individueel
uit het veld gewonnen en door een heg of een houtkant
besloten perceel (M. Top. Valk., -160).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Kamp-namen komen veelvuldig voor in het oostelijk deel
van Brabant en vormen de tegenhanger van de
Westbrabantse ‘heiningen’. Het woord is afgeleid van het
lat. * campus en lijkt oorspronkelijk dezelfde betekenis
gehad te hebben als ‘veld’, nl. de open, woeste, soms
hoger gelegen vlakte en in een latere fase als
aanduiding voor omheinde of afgesloten ruimte of een
door tuinen of hagen omgeven perceel. Het Brabantse
cultuurlandschap wordt omschreven als een typisch
landschap van kampontginningen.
Volgens Vervloet zouden individuele kampontginningen
zich op deze zandgronden in optima forma ontwikkeld
hebben, omdat het systeem van de ‘gemeynten’ bestond,
die aanvankelijk door de bewoners gemeenschappelijk
werden gebruikt, maar waaraan men op gezette tijden
percelen kon onttrekken door verkoop aan individuele
ontginners. Andere benamingen die hetzelfde begrip
benaderen zijn look of gelookt, hof, goed en erf. Ze
worden veelal vermeld in combinatie met een persoonsnaam
of familienaam . Volgens Jansen gaat het vnl. om kleine
akkertjes ontgonnen uit hei of bos, waaromheen een haag
van de oorspronkelijke begroeiing is blijven staan. Dit
type ontginning zou m.n. in West-Frankrijk op een
uitgebreidere schaal voorkomen; daar spreekt men van
‘boccage’ en ook deze dankt die naam aan individuele
ontginningen. Hendrikx spreekt over een ontwikkeling,
die zich ongeveer vanaf de 10de eeuw inzette,
van oorspronkelijke eenmansvestigingen of los
gegroepeerde boerderijenzwermen, bestaande uit
boerderijen met huiskampen en veebochten waaromheen zich
langrepelakkers en aangelagen bevonden. Deze werden
omringd door bos, dat voor beweiding werd gebruikt. Door
afsplitsing groeiden hier bepaalde gehuchtkernen uit.
Vervloet 1984:54; Claes 1987:67; de Vries 1962:90;
v.Berkel & Samplonius 1989:94; Jansen 1978:242; Hendrikx
1989:56.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2, 31b, 34b |
|
Opmerkingen:
|
Een kamp is over het algemeen een uitgifte van de
gemeint uit de late middeleeuwen of recenter.
|
|
Naam:
|
Laetmansecker, Loecmansecker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Ligging:
|
Perceel ns. 1 |
|
Opmerkingen:
|
Vermoedelijk afgeleid van een persoonsnaam. |
|
Naam:
|
Nieuwencamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op meerdere
plaatsen in Veghel |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar het (recente) tijdstip van ontginning of
ingebruikname. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 20, 34, 35, 39, 40, 42 |
|
Opmerkingen:
|
|
|
Naam:
|
Ruybroeck |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dat ruybroeck ad locum dictum zytart [GVIE2 (1484)];
in loco dicto ruybroeck, 15191538, Hs-van 't sontveldt
op rudebroeck [GVB54 (+ 1700)];
't reibroekske aan de colck [RAV159-56v (1742)];
reijbroek [GO- (1754)];
het reibroek [kad. (1832)]. E 672-725;
't rijbroek [V.-]; E 693 (verk.) (he: 19.37.30), 700 (verk.)
(he: 22.41.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Voormalig heidegebied onder Zijtaart. Mogelijk afgeleid
van "rei" B) voor waterloop, sloot
6)
voor in het land, greppel,
bepaaldelijk ajwateringssloot (W.N.
T.-1590).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 18, 19 |
|
Opmerkingen:
|
De oudere vorm Rudebroeck betekende "rouw" brooekland. |
|
Naam:
|
Schans |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dit (hams) rot scheyt aen den elsenbos in de beemt bij
de schans [GVIIB28 (± 1700)];
de schans [N (1843, 1880, 1886), V.-]; E 195-196 (b en
w: 85.00), 195-202 (wen b:
2.29.56), 197-199 (b: 65.70; tu: 01.87; hu: 02.92),
200-202 (b en w: 74.70), 275 (w:
28.30).
De grote schans ter plaatse de berg [N (1888)]; E 183,
184 (w: 52.40).
De voorste schans aan het keselaar [N (1893)]; E 183,
184 (w: 52.40).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging aan de Doornhoek en in Korsica onder Zijtaart.
De primaire betekenis van schans is vermoedelijk takken
of rijsbos; met name betreft het hier de mutsaards die
tegen de aarden wal als borstwering werden geplaatst,
bij uitbreiding betekent schans dan het verdedigingswerk
zelf (Top. van Bocholt, -33). "Schans" versterkingswerk
in het veld
opgeworpen. In toepassing op een beschutting tegen
dieren (W.N.T. -2692).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 13, 14, 29, 37, 45 |
|
Opmerkingen:
|
In de dorpsrekeningen van Veghel
komen de volgende uitgaven voor: op 5 mei 1629: "van timmeren ende van nagel aen de
schans opt Sijtart gegeven X stuijvers" en op 15 mei
1629:
“voor ijserwerck aen de schans opt Zijtaert gegeven XII
gulden” De schans werd gebouwd als reactie op de
omsingeling en belegering van Den Bosch
die op 1 mei 1629 begon. Deze vermeldingen
legen een verband tussen de Schans op Zijtaart en een
verdedigingswerk uit de Tachtigjarige oorlog. Zie ook
het stuk over de
schansen.
|
|
Naam:
|
Vuytcampen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
utcampen, dorhout [Hs- (1532)]
de boschkamp in ruybroek in uuytcampen [Hs(1539)];
zijn moeders hoff ende lant bij thuys in de uuytcampen
[GVE15-132 (1624)];
vossenhooI in uuytcampen dorshout by gelijke beemden
[GVIIE13 (1792)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Benoeming naar de afgelegen ligging |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 18, 19 |
|
Opmerkingen:
|
In Veghel kwamen op meerdere plaatsen zogenoemde
Uitkampen voor. Deze waren niet zozeer afgelegen,
sommige lagen nabij gehuchten en huizen, en op sommige
Uitkampen woonden mensen. Wat al deze Uitkampen gemeen
hebben is dat het bijeengelegen klampen of percelen zijn
die aan alle kanten door de gemene gronden omgeven
waren. Ze zijn ontstaan in de Middeleeuwen.
|
|