Bolken - toponiemen

 

Naam:

 

Ackerke

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert deze veldnaam op verschillende plaatsen in Vehel.

Verklaring door Cornelissen:

 

Akker betekende oorspronkelijk het gemeenschappelijke (cfr. gemene akker) landbouwland bij een nederzetting. Jonger is akker in de betekenis van “een perceel bouwland (uit deze complexen)”, vrijwel altijd in de vorm “bepalend bestanddeel + akker”, waarbij het eerste lid wijst op bezit, ligging, vorm, teelt, enz.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

De oudste vermelding van ‘akker’ komt voor in het Fragmentum Bladiniense uit de 9e eeuw. Akker wordt geïnterpreteerd als: bouwland behorend bij de dorpsgemeenschap. Deze omschrijving slaat op de bekende dorpsakkers c.q. gehuchtakkers. Ook is gedacht aan de betekenis van ‘het omheinde veld’. Er wordt een verband verondersteld tussen frequentie van akkernamen en bevolkingsdichtheid in het oude Toxandrië. Volgens Molemans zouden akkernamen het meest voorkomen op de oevers van de Weerijs met de zijbeken en langs de Dommel. In de zuidelijke Belgische Kempen ontbreken ze, maar ze worden wel aangetroffen in Belgisch Limburg. Het dichtstbevolkte deel van Toxandrië zou het noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen en het aansluitend Nederlands territorium omvat hebben.

 

In de Baronie schijnen dorpsakkers en daarmee ook nederzettingen frequent te liggen langs Weerijs en Mark. Akker, kouter en es dekken aanvankelijk hetzelfde begrip, nl. het gemeenschappelijk ingesloten bouwland van een bevolkingsgroep.

 

In het oosten van Nederland kunnen twee hoofdgroepen in de bebouwingswijze onderscheiden worden, nl.: grote aaneengesloten akkercomplexen en kleine met bomen en akkermaalshout omgeven stukken akkerland in de vorm van ‘kampen’. Binnen de dorpsakkers waren geen heggen of wallen. De scheiding tussen de percelen moest met ploegvoren, scheikeien of bomen worden aangegeven. In Belgische toponymische studies over het zuiden van het oude hertogdom Brabant wordt regelmatig gesteld dat rond het gebruik van de dorpsakkers in de zgn. dorpskeurboeken regels waren opgesteld.

Akker­namen komen in de cijnskring Helmond frequent voor, zowel met voor- als achtervoegsels, met persoons-, flora- en faunana­men [re­dactie]

 

 (Helsen 1952:127; Lindemans 1940-1954 dl.3; Gijsseling 1978, Buiks 1990:47; Helsen & Helsen 1978; De Vries 1958; Molemans 1977; Slicher van Bath 1944:2; Buiks 1983 dl.2:28)

 

Ligging:

 

Perceel nr. 21

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

Ballegoijen lant

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Deel van perceel nrs. 3 en 5

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een eigenaar.

 

 

 

Naam:

 

Bolken

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Strepata una sita in den bulc [GVIE2 (1368)]

 

land in den bulek aen die kerepad [BP1188-382 (1414)]

 

land den bolliek [Br122-60v (± 1490)]

 

de geer, leege boekt in de bolck [Hs- (1531)]

 

in den bolk [Hs- (1519-1538)]

 

de twee smeken in de bolcken [GVEI5-1 (1624)]

 

de bolcken, heeselaar [RAVI59-96v (1746)]

 

de bolken [kad. (1832)]; G 210269;

 

de bolken [N. (1834)]; G 214 (b: 63.60).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

In Veghel zijn nu nog bekend de Grote en de Kleine Bolken. Het is een andere naam voor het goed "te Overacker". (Te Overacker alias den Bulcke).

 

In de collectie Cuypers van Velthoven, Veghel nr. 164 wordt o.a. gesproken van: "twee ackers aen malcanderen gelegen genoempt den Bolckt, groot mede te samen een bos mudsaet lants; aenden wijntmolen Vechel.

 

Een andere naam voor besloten, omsloten, afgesloten land was: "blok" bij het werkwoord beluiken; kwam het accent op de eerst syllabe te liggen, dan ontstond mnl. beele, bule, bole. Kiliaen omschrijft dan ook block-lands als "ager, fossa, agger aut sepe clausus, septum, ager septus, q.d. belock/luycken claudere".

 

Het middelnederlands heeft voor blockland de meer gespecialiseerde betekenis van: "land dat aan alle zijden beloken was en dus geen toepad had". Blok blijkt verder een veel voorkomend toponym te zijn, zeer gewoon als benaming van een stuk land. De Bolken komt overeen met het gebied dat begrensd wordt door Stationsstraat, Zeven Eikenlaan, Hezelaarstraat, Meijerijstraat.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Belk is een [zuidelijke] nevenvorm van blok, ‘omsloten stuk grond’. Het komt met name voor in Vlaanderen. Waarschijnlijk afkomstig van het germ. * bi - luka, evenals het element ‘belle’ van het lat. ballium, wat omsloten terrein betekent.

 

Ons woord ‘look’ en ‘gelookt’ is hieraan verwant. Het woord ‘blok’ is een afleiding van bi - luken of bi - loken = besluiten of afsluiten (zie onder Blok). De primaire betekenis is afsluiting met een heg, wal of sloot en de secundaire die van een door heggen omsloten land. Goossenaerts geeft als varianten blook, blik, bulk, bleuk en bullik.

 

In Veghel heette het goed te Overakker ook den Bulke of den Bolkt, later verdeeld in de grote en kleine Bolken. De Flou dl.1:723; Trommelen 1994:130; Goossenaerts 1956; Gijs­se­ling 1978:1; Meuwese 1955:23.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 8-12 en 13b. Perceel nr. 8 werd de Lange Bolken genoemd

 

Opmerkingen:

 

Het leengoed de Bolken was aan alle zijden omgeven door percelen en grensde niet aan een weg, wat overeenkomt met de door Cornelissen en Beijers en Van Bussel genoemde betekenis.

 

 

 

 

Naam:

 

Erpschen weg

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Perceel nr. 22 grensde aan den Erpschen weg

Opmerkingen:

 

De naam betekent “weg naar Erp”

 

 

 

 

Naam:

 

Aent Hecken

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Het oude woord voor hek is ‘veken’. Het betekent slagboom. Een toponiem als ‘de drie vekens’ kan een perceel betekenen met drie hekken in de omgevende wal of heg. Het gaat dus niet louter om slagbomen aan de uiteinden van een dorp of gehucht, maar ook om hekken in een omheining. Smulders vermeldt een hek te Hilvarenbeek in 1387 in ‘Hildwarenbeke, repagulum dictum Loeveken’: het hek bij het Loo. Een synoniem voor hek kan ‘ynde’ zijn zoals blijkt uit een tekst uit 1386 waar gesproken wordt over een ‘repagulum dictum ynde’. In een protocol van Esch wordt melding gemaakt van een stuk land waarbij de volgende onderhoudspost staat beschreven: ‘het halff hecken oft ynde teynden den Meddel’ en ‘te onderhouden de heckens ofte ijnde bij den Swemmer’. Buiks 1990:81, 174; Lindemans 1953:28; Schröder 1972:73; Helsen 1978:83; Hermersdorf 1956:82; Smulders 1950: 81.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 21.

Opmerkingen:

 

Perceel nr. 22: de koper moet op de grens een heg zetten, een sloot achter zijn huis opgraven en ook het banhek, naast zijn huis op den Erpschen weg hangende, onderhouden (NtA 8122, nr. 43 (1-6-1829)).

 

 

 

  

Naam:

 

Aent Heselaer

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In loco dicto hezellaar [Hs- (± 1390)]

 

tgoet te hezellaer [Hs- (1390-1395)]

 

hezelaer [GVE2-39 (± 1500)]

 

lant aent heeselaer off bunders gat 't rontveltje [GVEI2-52 (1778)]

 

hezelaar [kad. (1832)]; B 1105-1138

 

hezelaar [N (1893)], [V.-]; B 1143 (w: 15.70 ), 1148 (b: 84.70).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Hees is een frekwent voorkomende naam ter aanduiding van kreupelbos en van (vaak uitgestrekte) kompleksen land (gerooid bos of door hees kreupelbos omheind land) (M. Top. v. Bochholt -44).

 

Van het toponiem laar werd nog geen algemeen bevredigende etymologische verklaring gegeven. Enkele naar voren gebrachte betekenissen zijn: 1) open plaats in een bos; 2) plaats waar men hout kan lezen; 3) moerassig bos. Volgens Van Passen blijkt een laar in de Kempen over het algemeen de betekenis te hebben gehad van onbebouwde (gemeenschaps)grond, waarop men het vee liet grazen. (M. Top. Neerpelt, -143-144)

 

Hezelaar: Gebied liggende tussen Zeven Eikenlaan, Lindelaan, Hezelaarstraat en Iepenlaan, vroeger de Watersteeg. Voor 1832 moet de benaming op een groter gebied betrekking gehad hebben. Was hier oudtijds een open (ontgonnen) gebied, omgeven door kreupelhout?

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

‘Hees’ is over het algemeen laagstammig hout, struikgewas of jonge bomen, afgeleid van het germ. * haisi > hasi > hesi > hees. Het komt frequent voor, zowel in plaats-, gehucht- als veldnamen. Veldnamen zijn deels afgeleid van de gehuchtnaam ‘Hees’ zodat niet altijd sprake is van verwijzing naar de oorspronkelijke begroeiing.

 

Hezemans meldt dat ‘hees’ aanvankelijk zowel in Nederland, België, Duitsland als Engeland voorkomt als jong beukenbos en later struikgewas van allerlei loofhout.

 

Het kan ook de benaming zijn voor een open plek in een bos waar de Keltische god Hesus of Esus werd vereerd. Op de Hees onder Erp stond een heilige eik. In 1761 werd daar ter plaatse het ‘land aan de H. Eik op Heesch’ vermeld. Langs de oude handelsroute Aken-Gulik-Nijmegen moet in de buurtschap Hees bij Weeze een heiligdom met offeraltaar voor Hesus opgericht zijn geweest.

 

Afleidingen van ‘hees’ zijn heester en heister met als oude betekenis jonge loofboom, speciaal jonge beuk, maar ook jonge eik. Het element ‘hees’ komt in Brabant al vroeg voor. Het oorkondenboek meldt o.a. Hezia (784), een gehucht onder Eersel, Hese (1203), Hesebenne (1225), Heseuuic (1233).

 

Moerman 1956; Molemans 1976:477; Helsen 1978:56; Molemans 1975:44; Mennen 1992:46; Hezemans 1970:68; Meu­wese 1955:125; vd Schaar 1969:118; Gijsseling 1960; Smulders 1962; Beijers & Koolen 1988; Beijers 1992: 148,149, 239.

 

 

Laar kan vele betekenissen hebben. Helsen interpreteert het als woeste, onbebouwde gemeenschapsgrond of heide en minderwaardig grasland, waar men de dieren liet grazen en russen kon steken. Ook verstaat men er een intensief benut bos onder.

 

De Bont prefereert de betekenis van omheind terrein, anderen die van een open plek in het bos waar hout gestapeld en gehaald kan worden. Roelants wijst erop dat er van de 14de tot de 16de eeuw verschillende plaatsnamen op -laar zijn ontstaan. Dittmaier neemt als betekenis ‘omheining’ over, maar voegt eraan toe dat het geen gewone omheining is van bv. een groene haag, maar een van planken en balken, die vooral berekend was op kweekdieren.

 

Smulders vestigt de aandacht op ‘laar’ door diverse voorbeelden te geven van oorspronkelijke laarnamen die evolueerden naar andere schrijfwijzen, bv. Herlaer > Halder, Swelaer > Sweelders, Vellaer > Velder, Geerlaer > Geelders, Hollaer > Holder etc. De FN ‘van Elderen’ verklaart hij  als afgeleid van Ellaer > Elder(en). Hij wijst er op dat toponiemen eindigend op -lder in oorsprong laarnamen geweest kunnen zijn.

 

Tavenier propageert een systematisch onderzoek naar de landschappelijke aard van alle laarvermeldingen. Volgens Theuws komt het element -laar in nederzettingsnamen vooral voor buiten de bevolkingsconcentraties die hij voor het Maas-Demer-Scheldegebied heeft uitgekarteerd. De laarnamen zouden volgens hem in verband gebracht kunnen worden met vochtige, natuurlijke omstandigheden. De macroregionale spreiding lijkt hier op te wijzen. Dat laarnamen niet voorkomen in bv. de valleien van Maas en Schelde zou erop duiden dat een groot deel van deze gebieden al bewoond was toen deze namen werden gevormd en dat ze een latere fase van verdere of interne kolonisatie aangeven. Volgens hem vertegenwoordigen de laarnamen een jongere namenlaag en derhalve jongere bewoning.

 

De Bo geeft voorbeelden afgeleid van boomnamen zoals Mispelaar, Kerselaar, Pruimelaar, Appelaar, Notelaar e.a. Laar werd soms voorafgegaan door een ‘-h’ en werd dan ‘hlar’. Het gaat dan om een verwijzing naar een oude door de mens beïnvloede landschappelijke situatie.

 

Waar Gijsseling spreekt over ‘bosachtig moerassig terrein’ voor dit element, meent Blok een verfijning te moeten aanbrengen en spreekt van ‘...een deel van een al of niet moerassig bos, dat door mensen speciaal gebruikt werd om te kappen of om vee in te weiden en dat daardoor een open plek in het bos werd.’ In deze definitie wordt niet een oorspronkelijke natuurlijke gesteldheid aangegeven, maar juist een oude vorm van menselijke ingreep in de natuur. Als zodanig moet ‘laar’ als veen- en moerasindicator terughoudend worden gebruikt. De Bont veronderstelt dat het kappen van bos voor het aanleggen van akkertjes vanaf de vroege middeleeuwen geleidelijk is verlopen. Soms zullen aanwezige open plekken, de ‘laren’, als uitgangspunt hebben gediend. Door het kappen en plat branden van delen van het bos werd een geschikt gebied langzaam maar zeker van zijn bosbegroeiing beroofd.

 

Helsen 1978; Molemans 1977; Dittmaier 1963; de Bont 1969 dl.3; Gijsseling 1956; Helsen 1944; Buiks 1992:45; Roelandts 1946:­41; Smulders 1952:59; Tavenier 1968:442; de Bo 1881:193; de Bont 1993:72; Blok 1991:24; Theuws 1988:181.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 1, 2, 15-19, 24

 

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

De Hoeff

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert deze veldnaam op verschillende plaatsen in Veghel, onder andere: huijs aen't heselaer gen't de hoeff [RAV97-31 (1719)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Een hoeve vormde oorspronkelijk een hoeveel­heid grond ter grootte van 1 hova = ca. 12 bunder, maar dit kon van streek tot streek verschillen.

 

Volgens Trommelen is de verdeling in hova’s algemeen geweest. Op deze hova’s werden voor de pachters de ‘casatae’ gezet. In de vroege middeleeuwen kende men de vroonhoeven die enerzijds bestonden uit de terra indominicata of saalland, wat door de heer zelf in exploitatie werd gehouden, en de terra mansionaria of hoevenland, een deel dat aan horige boeren werd uitgegeven en waarbij ieder in principe 1 mansus of hoeve van ca. 12-16 ha kreeg toegewezen.

 

Later is de aanduiding voor de hoeve als hofstede of als wooneenheid samen met het omlig­gende land in zwang gekomen, vandaar de vele hofstadnamen. In de middeleeuwse documenten treft men termen aan als ‘ex manso dicto’ = uit een hoeve genaamd...., ‘ex domistadio dicto’ = uit een hofstad genaamd....., of ‘ex domo orto horreo et area’ = uit huis, tuin, schuur en erf.

 

Volgens Buiks staat ‘hofstad’ voor de plaats waar een boerderij staat of heeft gestaan; als het wordt voorafgegaan door het adjectief ‘oude’ kan het archeologisch interessant zijn. Mogelijk staat ‘oude hofstad’ voor een grote verdwenen boerderij, in veel gevallen de hoofdhoeve van een nederzetting. In dit verband verdienen ook vermelding toponiemen als ‘‘t hof’ en ‘‘t hofgoed’, die in sommige gevallen verwijzen naar een oude ‘curtis’, zoals bv. in Lieshout.

 

In Vlierden liggen geconcentreerd rond de locatie van de verdwenen 13de-eeuwse kapel vijf hoftoponiemen bij elkaar. Van een zgn. ’gewaerde hofstat’ had de eigenaar het recht tot gebruik van de gemeynt.

 

De bij de hoeve gelegen ‘hof’ is meestal een omsloten stuk grond, veelal in de vorm van een moestuin, maar ook de betekenis van boerderij is gebruikelijk.

 

Bijzondere aandacht vragen hovennamen. Theuws zegt hiervan dat dit naamtype voorkomt in een groot deel van het Maas-Demer-Scheldegebied, zowel in de bevolkingsconcentraties als daarbuiten. Opvallend zijn de groep hovennamen in het noordelijke deel van de provincie Antwerpen, alsmede het vrijwel ontbreken ervan in het dal van de Aa in oostelijk Noord Brabant. Wellicht, zo meent hij, zijn de hovennamen voor een deel toe te schrijven aan een uitbreiding van de bewoning in de laat-Merovingische en Karolingische tijd. Veel hovennamen dateren echter uit de volle middeleeuwen.

 

Een geheel andere betekenis van ‘hoeve’ is ontstaan toen aan het eind van de middeleeuwen op grote schaal begonnen werd met de ontginning van de beekdalen. In veel gevallen treft men complexen hooilanden aan die loodrecht op de rivier zijn aangelegd en die vaak ‘hoeven’ worden genoemd. Het zijn veelal regelmatige strokenverkavelingen.

 

Buiks 1990:48,91,109,110; Trommelen 1994:276; Jansen 1978:114; Prims 1977 dl.1:254; Molemans 1976:564; Buiks 1983 dl.4:56; Spierings 1983:225; Theuws 1988:179.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 10-13, 15

Opmerkingen:

 

Ook genoemd: de hoef (of land) van Aert van Strijp. Hier heeft het de betekenis van boerderij.

 

 

 

 

Naam:

 

Hooghuis

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Huis op perceel nr. 15.

Opmerkingen:

 

Leonius van Erpe verpacht in 1388 de hoeve “Te Hezelaer” (mansum dictum "te Hezelaer") in Veghel, met uitzondering van “dat hoge huus”. Hierna vermelding op kadasterkaart 1832. Eertijds samen met het leengoed t’  Overacker  veelal de Hoef genoemd.

 

 

 

 

Naam:

 

Knokkenhoef, Knackenhoef

Vermeldingen door Cornelissen:

 

3 Royen lant in knocke hoef [GVEI2-56 (1778)]

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging. Het eerste lid is wellicht een afleiding van "knook" (zie Knokers).

Mogelijk ook teruggaand op een persoonsnaam vgl. Hendrik Knook 1883 (Kl.Bev. V.)

 

Ligging:

 

Perceel nr. 4 en deel van perceel nr. 3

Opmerkingen:

 

Ook genoemd “Den Hof van Henrick Huijberts Knack”

 

 

 

Naam:

 

De Cruysstraat

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cruysstraat [Hs- (1561)]

 

cruysstraat [Hs- (1600)]

 

lant het braakje aen de cruysstraet [GVE12-75 )1778)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Oude benaming voor Molenstraat, Molenwieken (anno 1700). Benoeming naar een wegkruising of (veld)kruis (M. Top. Valk. -180).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 13a, 14 en 23 grensden aan de Cruysstraet

 

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Molenacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Den molenacker by die aa [BP1180-581 (1390-1395)]

 

den molenacker tegenover dat huis aan die aa [BP1186-122 (1409)]

 

opten moleneckere [Mrv28-13 (1566)]

 

molenacker op agterdijk achter de straat [RAV158-77v (1729)]

 

de molenakker [N (1857)]; G 270 (b: 73.10).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging in de dorpskom, straat nabij de bolken. Benoeming naar de ligging.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 6-8. Perceel nr. 8 wordt ook Langen Molenacker genoemd.

Opmerkingen:

 

Deze akker lag nabij de koenwindmolen.

 

 

 

Naam:

 

Oude Erff

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Perceel nr. 1

Opmerkingen:

 

Verwijst naar een voormalig huis op dit perceel.

 

 

 

Naam:

 

t’ Overacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Een goet gheheyten 't overaeker alias den buleke [MrI322-68 (1448)]

 

jehanne van middegael bij doode godevaerts van middegael huers vader anno 1448 hout een goed gheheyten toveraeker alias den bulcke gheleghen in de prochie van vechel houdende omtrent sesthien loepensaet tusschen erffenisse der kinderen wijlen willem hinckaert ende die ghemeyn strate ter eenre ende erffenisse aelbrechts van beerse ende jan goeyaertss dander sijde [LB-63 (1448)]

 

te overakker alias den buleke bij (oude) molen 15e eeuw, later verbonden met poeijerveldse of ballinghoeve en weihoeve onder mariaheide, ook met kesije, 2 lopense en 't ruIlenstreepken 1 lopense te overakker, alias den bulcke grensde aan hezelaar 15e eeuw familie middegaal, later walraven van erp [Mh- (1954)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Een oud goed dat gelegen moet hebben in de kom van Veghel in de Bolken. Waarschijnlijk te lezen als over-akker, "over" een akker gelegen, of "akker gelegen aan de overzijde van (de Aa?, de straat?).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

De primaire betekenis is ‘aan de overzijde van’ of ‘aan de overkant gelegen’. Secundaire betekenis: hoger gelegen, vgl.de plaatsnamen O­verasselt en Nederasselt [redactie].  Bannenberg 1970 dl.2:129; Buiks & Leenders 1993 dl.2:9.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 9-12 en 13b

+Opmerkingen:

 

In tegenstelling tot wat Cornelissen in navolging van Meuwese schrijft is het leengoed t’ Overacker nooit verbonden geweest aan het leengoed Poeijervelse hoeve (Ballinghoeve, Weihoeve).

 

Vanuit de kerk gezien lag het goed aan de overzijde van de Molenstraat. Het lag vemoedelijk op het hoogste gedeelte van een door wegen omgeven gebied.

 

 

 

 

Naam:

 

Pastorije, Oude Pastorije

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Huis, hof gen't de pastorij, gelegen aent heesselaer [RAV97-2v (1719)]

 

erf de pastorye genaemt [GVE12-67 (1778)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging aan het Hezelaar. Wellicht is hier sprake van een bij de pastorie

behorend erf, mogelijk is ook de eigenlijke pastorie bedoeld.

Ligging:

 

Perceel nrs. 16-17.

Opmerkingen:

 

Hier is de eigenlijke pastorie bedoeld. Het huis was van de tweede helft van de vijftiende eeuw tot in de tweede helft van de zeventiende eeuw in gebruik als pastorie.

 

 

 

 

Naam:

 

Schuppens velt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Deel van perceel nr. 2 en 3

 

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een eigenaar.

 

 

 

Naam:

 

Slotje

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Het huis op perceel nr. 16.

Opmerkingen:

 

De naam staat vermeld op de kadasterkaart van 1832. Het is de naam voor de voormalige Pastorije, of Oude Pastorije. De naam ‘Slotje’ zal samenhangen met het feit dat dit huis omgeven was met een gracht. R108, fol. 18v (11-3-1778): ePRIVATE en omwatert huys met stal, hof, land en groes aent Heselaer, genaamd: 't erf de Pastorije, groot ca. 3 lopens.

 

BAAC, Veghel Peellandstraat. Opgraving in combinatie met inventarisend

veldonderzoek door middel van proefsleuven (april 2011) 117: In de late middeleeuwen werd een grootschalig greppelsysteem in het onderzoeksgebied aangelegd en het is aannemelijk om een verband te leggen tussen dit greppelsyteem en “het Slotje”. Greppels zijn lastig te dateren, omdat ze vaak langdurig zijn gebruikt en regelmatig werden opgeschoond. Het meeste vondstmateriaal dateert uit de greppels dateert uit de periode 1400-1500 wat overeenkomt met de oudste vermeldingen van de boerderij, maar een oudere begindatering wordt niet geheel uitgesloten. Het greppelsysteem begrensde wellicht de boomgaarden, weilanden en akkers die in de nabijheid van de moated site waren gelegen.

 

 

 

 

 

Naam:

 

St. Peters Stock

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Een hoijbemdeken tot vechel teijnen het lant aen st. peters stoxken gelegen [N (1659)]

 

huis aen St. Pieters stock [RAV95-13 (1709)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Een stock is een veldkapelleke met offerblok. Onbekende ligging. Benoeming naar Sint Peter, Sint Petrus; een Sint Petrusgilde is in Veghel niet meer bekend.

Ligging:

 

Perceel nr. 2 lag “ter plaatse genaamd St. Peters Stock”

Opmerkingen:

 

-

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     Bolken