|
Naam:
|
(in, aen) ‘t Akert |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
loco
dicto die akart [Hs-4 (+/- 1380)]
ad
locum dictum op Akert in loco dicto die snelvenne [Hs-4
(+/- 1390)]
twee
streepen land int akart [BP 1190-182v (1417)]
akart [GVEIIE2-39 (+/- 1500)]
twee
stucken in d’akert aent Snelven [GVE15-45 (1624)
lant
de steen int aeckert [GVE2-120 (1702)]
‘t
boekstuk bij akart [GVE13 (1792)]
de
akert [kad. (1832)], [V.]; D 311-339 (bo: 15.29.70; wa:
25.60)
het
akert [N (1839)]; D 339 (bo: 3.51.50)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Waarschijnlijk is akart en aeckert een samenvatting van
aa-akkers
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
In ‘Akert’ is het bekende t-suffix herkenbaar als
verzamelnaam van akker. De oudste vermelding van ‘akker’
komt voor in het Fragmentum Bladiniense uit de 9e eeuw.
Akker wordt geïnterpreteerd als: bouwland behorend bij
de dorpsgemeenschap. Deze omschrijving slaat op de
bekende dorpsakkers c.q. gehuchtakkers. Ook is gedacht
aan de betekenis van ‘het omheinde veld’. Er wordt een
verband verondersteld tussen frequentie van akkernamen
en bevolkingsdichtheid in het oude Toxandrië. Volgens
Molemans zouden akkernamen het meest voorkomen op de
oevers van de Weerijs met de zijbeken en langs de
Dommel. In de zuidelijke Belgische Kempen ontbreken ze,
maar ze worden wel aangetroffen in Belgisch Limburg. Het
dichtstbevolkte deel van Toxandrië zou het
noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen en het
aansluitend Nederlands territorium omvat hebben.
In de Baronie schijnen dorpsakkers en daarmee ook
nederzettingen frequent te liggen langs Weerijs en Mark.
Akker, kouter en es dekken aanvankelijk hetzelfde
begrip, nl. het gemeenschappelijk ingesloten bouwland
van een bevolkingsgroep.
In het oosten van Nederland kunnen twee hoofdgroepen in
de bebouwingswijze onderscheiden worden, nl.: grote
aaneengesloten akkercomplexen en kleine met bomen en
akkermaalshout omgeven stukken akkerland in de vorm van
‘kampen’. Binnen de dorpsakkers waren geen heggen of
wallen. De scheiding tussen de percelen moest met
ploegvoren, scheikeien of bomen worden aangegeven. In
Belgische toponymische studies over het zuiden van het
oude hertogdom Brabant wordt regelmatig gesteld dat rond
het gebruik van de dorpsakkers in de zgn.
dorpskeurboeken regels waren opgesteld.
Akkernamen komen in de cijnskring Helmond frequent
voor, zowel met voor- als achtervoegsels, met persoons-,
flora- en faunanamen [redactie].
(Helsen 1952:127; Lindemans 1940-1954 dl.3;
Gijsseling 1978, Buiks 1990:47; Helsen & Helsen 1978; De
Vries 1958; Molemans 1977; Slicher van Bath 1944:2;
Buiks 1983 dl.2:28)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 6, 7, 9-11, 19 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Appelenweert |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Den
hessel beempt int akartssche thiende bij den appelweert
[Hs-I0 (1519-1538)]
appelenweert aan het havel [RAV-23 (1530)]
huijs, hoft, boomgart en aengelegen lant alnoch twee
lopens in de valstraat alnoch een lopens in de akerse
thiende, alnoch een hoijbemt genaamt den appelenwerdt,
groot omtr. 9 karren hoij [N (1661)]
hoij
in appelenweert [GVEI2-20 (1778)]
appelenwaard [N (1838)]; D 387 (h: 77.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Weerd/waard: ingedijkt land (Alblasserwaard,
Stevensweerd, Bolsward). Kil. weerd insula
amnica. Land dat vaak onderloopt. De naam appelweerkomt
nu (1955) niet meer voor, maar blijkens de vermelding "enen
aabeempt" ligt het voor de hand te besluiten, dat het
een laagliggend en nat land moet zijn geweest (Hs-I0).
Mnl. weert, waert: 1) riviereilandje, 2) laagliggend
land dat vaak onder water loopt (Molemans, 1979-976).
Ligging in de Haveltse beemden, zuidelijk van het Havelt
in de Akert. Het eerste lid is mogelijk een
volksetymologische vervorming van de oudere toponiemen
Epperenwaard, Opperenwaard, Eppenwaard en Oppenwaard en
zou dan een persoonsnaam kunnen verbergen. Benoeming
naar appels lijkt in de drassige Haveltse beemden niet
waarschijnlijk.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
den appelweert (1427, Ferdinand Smulders)
Men kan hier denken aan de boomvrucht zoals o.a. in
Appelhove; osa. apeldere = appelboom. Appelbomen komen
nog in het wild voor in ons land. Bomen stonden vaak op
grenspunten van percelen. In Appelscha wordt de
persoonsnaam Appel vermoed. In ‘Apoel’ kan een afleiding
gezien worden van het suffix -apa wat een waternaam
aanduidt.
Moerman 1956:29; Buiks 1988 dl.4:9; v.Berkel &
Samplonius 1989:20
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 13, 15-18, 20, 22, 23. perceel nr. 2
grensde “aen de Appelenweert” |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Boekt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Sita
in prochia de Vechel ad locum dictum op die boect [GVIE2
(1438)]
de
boekt [Hs(1682)]
lant
en venneke op de boekt [GVE12 (1778)]
de
boekt [N. (1874, 1884, 1892)]; D 57 (b: 37.90), 211 (b:
27.10), 222 (b: 78.20).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Een
groot deel van het huidige Veghel-Zuid, oostelijk van de
Aa droeg van oudsher deze
naam.
Het winkelcentrum ter plaatse is ernaar genoemd.
Plaats waar beuken groeien. Boek = beuk. De -t- duidt op
de kollektieve suffix (Hs-).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Varianten met een verzamelsuffix zijn o.a. Boekt en Bokt
en met een tot de lo-formatie behorende uitgang, nl. -el
in bv. Beukel.
Beuken groeien het beste op leemhoudende vochtige
gronden. Het element kan zijn afgeleid van het germ. *
boko mnl. boeke, boucke = beuk (Fagus silvatica). De
beuk komt zowel in het wild als aangeplant voor. De
vormen met een verzamelsuffix-t herinneren ons aan
middeleeuwse ontginningsactiviteiten, waarbij de
ontbossing van het gemengde eiken- en beukenbosarsenaal
ter hand werd genomen om meer cultuurgrond voor de
akkerbouw te creëren. Deze vorm van ontbossing is al in
de vroege middeleeuwen ingezet en naarmate de bevolking
toenam werd die intensiever [redactie]. (Buiks 1990:56;
Helsen 1978:126.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 10, 19 |
|
Opmerkingen:
|
|
|
Naam:
|
Dirk Jan Deenen beemt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 21 |
|
Opmerkingen:
|
Eigenaar van vóór 1702 |
|
Naam:
|
Geerbeemtje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Het
geerbeempie (den heuvel) [GVE2-136 (1702)]
eenen hoybeemt, houtwasch en geregtigheden gelegen aant
Havelt genaemt het geerbeemtje, een seijde Peter van
Eert, ander seijde Claas Versteegde, een eijnde J. v.d.
Heuvel, voorts spits uijt [RAV112-210v (1799)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op Havelt en op de Heuvel. Benoeming
naar de vorm. Verspreide ligging. De primaire betekenis
van geer is speer en overdrachtelijk een puntig
toelopend stuk (Verwijs en Verdam II -1497; Schönfeld
1950112; Bach 1953-263; Dittmayer 1963-87; M. Top. Bach
-169).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Geer behoort tot het levende taalbezit en is een
vormaanduiding. Het is een driehoekig stuk land of
althans een stuk land waarvan twee overstaande zijden
niet evenwijdig lopen. Als die zijden bovendien nog krom
waren werd later gesproken van een Amerikaanse of
Vlaamse geer. Een modern equivalent is ‘spie’ of ‘tip’,
een puntig toelopend stuk land. In de Baronie treft men
complexnamen aan met ‘geer’. De geernamen voor
afzonderlijke percelen hebben nagenoeg allemaal
betrekking op akkers. Bij weilanden en beemden was
volgens Buiks de vorm immers van veel minder belang dan
bij de akkers.
Buiks 1990:93; Moerman 1956:70; de Vries 1962:62; v.Berkel
& Samplonius 1989:63
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 3 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Gelijke Beemden |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam aan het Dorshout.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Liggend in of identiek met de Dorshoutse beemden. "Gelijk"
hier wellicht in de betekenis
van
vlak, vrij van oneffenheden (W.N.T. -1169).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 14 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Grooten Beemt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op Zijtaart en op
het Ham.
De
groote beemt, ham [RAV-158 (1738)]; D 739,799,818, 819
(ho: 2.50.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Beemd was en is nog steeds de gangbare naam voor
hooiland. (MM.) |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2 |
|
Opmerkingen:
|
Hier lagen een Grote en een Kleine Beemt bij elkaar. |
|
Naam:
|
Hagelvelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Hagelkruisen werden in het veld geplaatst als
afweerteken. De ‘laatste kruisdag’ houdt verband met de
sinds ca. 800 in West-Europa bestaande boetedagen
gehouden voor het feest van de Hemelvaart van Christus.
Ze werden gevierd met een processie door de velden om
Gods zegen te vragen over de rijpende veldvruchten. Na
1648, de vrede van Munster, werden deze processies naar
de hagelkruisen stop gezet. Grensstenen of hagelkruisen
stonden vaak op prechristelijke geheiligde plaatsen.
Hagel kon zware schade toebrengen aan de gewassen.
Hagelveld zou verklaard kunnen worden als het veld bij
het hagelkruis of dat door zware hagelslag was
getroffen. In Lommel werd het hagelkruis (oudste
vermelding 1394) opgericht aan de rand van het abdijgoed
van Averbode om bescherming af te smeken tegen de
oogstvernielende hagelslag, uit dankbaarheid voor de
vrijwaring van de veldgewassen of als herinnering aan
een door hagelslag geteisterd veld. Het kruis in
Aarle-Rixtel is uniek omdat het als enige bewaard is
gebleven.
Ter Laan:1949; Knippenberg 1957:22,50; Mennen 1992; de
Brouwer 1955:53; Kuysten 1954:180; Coenen 1992:58.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 5 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
(op) Ham |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Quondam manso dicto vulgaris hamme [GVIE2 (1368)]
in
parochia de vechel in locum dictum op den ham Godefridi
de Erpe [GVIE2 (1391)]
de
hoeve 't goet te ham in Vechel [BP1184-100 (1405)]
hoeve op hamme [BP1437-53v (1438)]
hoeve hamme [GVE2-39 (1500)]
sijn
lant op ham [GVE15-8 (1624)]
1/3
beemt agter ham, twee karre hoijgewas [GVE12-128v
(1777)]
op
ham [kad. (1832)];D 866-984
het
ham in de nieuwe veldjes [N. (1891)]; D 1026, 1027 (b:
66.70).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied aan de noordzijde van de Zuid- Willemsvaart,
grenzend aan Erp. 't Ham is een groot stuk grond in
Veghel. Als toponiem is het gebruikelijk voor spits
toelopende percelen. Dit is in ons geval niet meer na te
gaan. De grenzen van 't ham zijn wel zo vaag, dat
niemand meer precies weet, waar het begin en waar het
einde is. het is een buurtschap. Ook in de hydronymie
komt het woord voor. De naam Hemelrijk kan een
volksetymologische vervorming zijn van 'heem, grens (Lindemans
1928, -150) en rike, gebied, of van ham, hemmekin, inham,
afgeperkt of omheind stuk grond (Frans Claes, Naamkunde
1987 -69).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
ex manso op ham (1391, Schriften Smulders)
Ham afgeleid van ‘hamma’ betekent: landtong uitspringend
in een inundatiegebied. Het kan ook een bocht in de
rivier zijn. De meanderende (grens)rivieren vertoonden
veel bochten en kronkels en de naamgeving ging over op
tegen de rivier aanliggende gras-en hooilanden of
beemden [redactie]. Men dient ook rekening te houden
met de familienaam van den Ham en Hammen. Hamsvoort en
Hamsfort [in Middelrode verbasterd tot Haffert] kan een
voorde zijn bij een inham van de beek. Verwant aan dit
element, maar niet voorkomend in de cijnskringregio, is
het woord ‘hem’ = hoek aangeslibd land, weiland in een
rivierbocht of aan een water. De oorspronkelijke
betekenis van ‘ham’ en ‘hem’ is omheind stuk land, af te
leiden van het ww. hemmen = hinderen.
Gijsseling 1954; v.Berkel & Samplonius 1989:80.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2, 12, 18, 20 |
|
Opmerkingen:
|
Ik sluit me aan bij de verklaring gegeven door Beijers
en Van Bussel.
|
|
Naam:
|
Hanegraeff |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Hanegraaf [RAV159-95 (1776)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. Benoeming naar persoonsnaam Hanegraaf
die in Veghel en omstreken nog algemeen voorkomt.
Benaming voor een waterloop. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 23 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
(op, agter aen) ’t Havelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Uuyt
erffenissen aen dat havelt gelegen [GVIE2 (1443)]
in
die nederboect aent havelt Hs- (1519-1538)]
zijnen hoff ende lant aen't havelt [GVE15-33 (1624)]
uytten aabempt aen't havent [HH163-2 (1714-1783)]
hertgang 't havelt [GVE12-107 (1778)]
het
haveld [kad. (1832)]; D 1131-1256
het
haveld [N. (1883)]; D 1231 (b: 45.10)
In
't goet te hanvelt [BP1184-182v (1405)]
die
hoeve te hanevelt en die hoeve te hanenvelt [BP1208-229v
(1439)]
huis
die hovel aent haenvelt [Hs- (± 1495)]
sitis in prochia de Vechel ad locum dictum aent haenvelt
[GVIDI-3 (1532)]
't
goed van Haneveldt [Mrv1325-4 (1633)]
't
goed van Hanevelt, Vechel, genaemt de Lankveltse hoeve
[Mr92-72 (1780)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Buurtschap en gebied aan de oostzijde van de dorpskom,
zuidelijk van de weg naar Erp. Misschien een nevenvorm
van of ontstaan uit het toponiem Davelaar (zie Davelaar).
Op grond van bovenstaande opgave zou men gelijkenis
verwachten met Hamveld. Maar 't Havelt en 't Ham zijn
twee onderscheiden stukken grond. De namen zijn nog
algemeen bekend. Misschien is een etymologie oorspr.
hovevelt aanvaardbaar. Bij contractie (korte -e- staat
tussen gelijke consonanten) ontstaat hovelt. In
dialectische uitspraak misschien vervormd tot Havelt.
Bij deze constructie zou eveneens een naam "Hoffelt" of
"haffelt" mogelijk zijn. Een tweede mogelijkheid is
wellicht een vorm: ho-veld, een hoog veld.
Haanveld is vermoedelijk
identiek met het Hamvelt. Het eerste lid kan ook een
persoonsnaam zijn vgl. Henrick Willem die Haan 1431 (Kl.V.P.
-103v).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Hanvelt (Leenboeken 1312)
Soms staan haantoponiemen in verband met de cijns die op
het betreffende perceel rustte, een haan. Meestal
echter moest de cijnsplichtige kapoenen, ganzen of
hoenders leveren aan de cijnsheffer.
Ook kan het afleiding van een familienaam zijn, nl. de
familie Hanen, die verspreid voorkwam in de cijnskring.
Haannamen kunnen ook refereren aan plaatsen waar
hanengevechten werden gehouden of aan plaatsen waar
korhanen of patrijshanen voor kwamen. Het baltsen van
korhanen in het voorjaar gebeurde op speciale plekken op
de heide. Dit spectaculaire gebeuren in de vroege
ochtend zal niet onopgemerkt zijn gebleven. Korhoenders
komen voor in de overgangsgebieden tussen open
heidevelden en bossen en op de randen van de akkers,
moerasgebieden en broekgronden. De aanwezigheid van
bomen, bij voorkeur in verspreide lage bosjes grenzend
aan open plekken, ontstaan door afbranding, was
essentieel voor hun biotoop. De vogels fourageerden
daarbij op de (kleinschalige) akkers en broedden op de
heide. Benamingen naar vogelnamen komen in de toponymie
frequent voor.
De Vlierdense Haanakker is waarschijnlijk een
verbasterde vorm van de Hagenakker. Zo kan Handelaar
onder Kalmthout gevormd zijn vanuit Haanlaar.
Knippenberg 1954:106; Buiks 1990:99; Trommelen 1994:236;
Buiks & Leenders 1993 dl.3:313; Beijers 1992:146.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2-4, 14, 16 |
|
Opmerkingen:
|
Een iets oudere vermelding dan die gesignaleerd door
Beijers en Van Bussel is de persoonsnaam Willem van
Hanevelt vermeld in de uitgiftebrief van Jekschot in
1311. Havelt is waarschijnlijk een evolutie uit Hanevelt.
De verklaringen gegeven door Cornelissen zijn niet
overtuigend. Beijers en Van Bussel wijzen op de
mogelijkheid van een “cijnshaan”. Daarvoor bestaan geen
aanwijzingen. Blijven over: verwijzing naar een vogel,
of een persoonsnaam (of een onbekende andere
verklaring). Vernoeming van een gebied of perceel naar
een vogel was zeldzaam en vernoeming naar een persoon
gebruikelijk, zodat de verklaring “vernoeming naar een
persoon” de voorkeur verdient.
|
*
|
Naam:
|
Haveltsche Beemt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
haveldsche beemd [kad. (1832)]; D 370-414 (ho: 23.22.17;
w: 16.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Hooibeemden aan de oostelijke Aa-oever nabij het Havelt.
Benoeming naar de ligging. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 14 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Kleinen Beemt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze valdnaam op Zijtaart en op
het Ham.
In
de cleijnen beemt agter Ham [GVEI2-164 (1778)]; den
kleinen beemd [N (1830, 1847,
1848, 1884)]; A 741 (ho: 15.40), D 394, 837 (ho: 83.60).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Beemd was en is nog steeds de gangbare naam voor
hooiland. (MM.) |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 3 |
|
Opmerkingen:
|
Hier lagen een Grote en een Kleine Beemt bij elkaar. |
|
Naam:
|
Melissen Beemt, Melis Wouters Beemt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Melissenbeemt in appelenweert agter havelt [RAV105-184v
(1764)]
hoy
genaamt melisse beemt [GVE12-112v (1778)]
een
hooibeemd gelegen op het ham genaamt meelissenbeemd [N
(1816)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het gebied Havelt/Ham. Het eerste
lid zal een genitief zijn van de
persoonsnaam Melis (zie melisakker) of van de mansnaam
Melis. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1702.
|
|
Naam:
|
Oortsche Hoef |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
oortse hoef (franekevoort) [GVE2-128 (1702)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het gebied de Stad nabij de Heuvel.
Het eerste lid zal een persoonsnaam zijn vgl. Antonia v.
Oort, 1857 (Kl.Bev. V.). |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 22 |
|
Opmerkingen:
|
De Oortsche Hoef stond verder noordelijk bij de Heivel.
Dit perceel zal tot dit landhoed gehoord hebben.
|
|
Naam:
|
Over de Aa |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert alleen het leengoed Overaa (zie
deel Bruggen). |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Wellicht benoeming naar een ligging "over" de Aa. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 22 |
|
Opmerkingen:
|
Gelegen aan de overzijde van de Aa gezien vanuit het
huis van de bezitter van dit perceel.
|
|
Naam:
|
Rontveltje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op verschillende
plaatsen in Veghel. |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Benoeming naar de vorm. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 4 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Agter Santvoorts Hoef |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 12 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar de ligging. DSe hoef is genoemd naar een
eigenaar.
|
|
Naam:
|
(Aen) de Schopacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Die
scopacker [BP1190-182v (1417)]
(agter)
de schopakker, in akart [GVIIE13 (1539)]
zijn
land int akert neffen de schopecker [GVE15-62 (1624)]
dirk
jan deenen beemt agter schopakker [RA V159-49v (1741)]
de
schopakker [kad. (1832 )]; D 288-310 (b: 9.59.90)
de
schopakker [N (1835, 1836, 1842, 1847)]; D 288 (b:
67.00), 289 (b: 08.40), 291 (b:
48.40), 299 (b: 72.40), 297
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied tussen het Akert en de Haveltsebeemden. Benoeming
naar de aanwezigheid van een "schop", die daar eens
gestaan zal hebben. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 14, 18, 20 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Snelleven |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Land
dat snelvenneken, ad locum dictum op dakart in loco
dicto in snelvenne [Hs- (±
1390)]
snelven of snelleven in akart [Hs- (1542)]; zijn eygen
lant aen 't snelven [GVE1511 (1624)]
snelven of snelleven in akart [GVIIE13 (1792)]
de
snelle ven [N (1841)]; D 311 (moerven: 25.60).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Dit
nog niet lang verdwenen vennetje lag in het Akert.
Mogelijk verbergt dit oude
hydroniem een persoonsnaam Snels, Snelders, Snellen; de
persoonsnaam Snelders was te
Veghel algemeen.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 8 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Streep |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een
langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een
vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in
de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een
deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door
Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element
‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen
beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in
kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een
groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk,
vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen. (Buiks
1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman 1956:223;
Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius 1989:174.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr 7. |
|
Opmerkingen:
|
|
|
Naam:
|
Suurmonts Hoeve |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Suermonts hoeve [GVEI2-155 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 12 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar. Dit perceel was een deel van
dat landgoed. |
|
Naam:
|
Voijermaatje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
beemtje 't voyermaetje [GVEI2-222 (1777)]
landt en hoy int akert het voyermaatje [GVEI2-140
(1778)]
de
voeyermaat, havelt beemden agter de straat [GVIIE13
(1792)]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het Akert enlof aan het Havelt. Het
eerste lid is van het werkwoord
voederen, het tweede lid is maat, maai; het hooi van dit
perceel diende als veevoeder. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 10, 19 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Wuijtenbeemt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Woutersbeemtje in appelenweert [RAV160-33 (1763)]; in
melis wouters beemt [GVE12161
(1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in de Appelwaard in de Haveltse
beemden, tevens mogelijk elders. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 18, 20 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van voor 1702 |
|
Naam:
|
Agter Zijtart |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Gelegen aldaar in zontvelt en zittart [HGB-407 (1356)]
ad
locum dictum zitert [Hs- (± 1385)]
huis,
erf, hof en een stuk land daaraan liggend, 2% lopensz.
ter plaetse genaemt op zitart [GZG-1225 (1466)]
zijtart [GVE2-39 (± 1500)]
aent
sytart [Hs- (1519-1538)]
een
stuck landts den sijttart [GSO-262 (1617)]
den
ecker opt zijtert neffen marten donckers lant [GVE15-65
(1624)]
op
citart (citart) [GVE2-224 (1702)]
landerijen in vechel en twee hoeven in zyttert [Hs-
(1747-1794)]; het seitaart [N (1852)]; D 743 (b: 05.70),
753 (b: 44.50), 755 (b: 48.30), 760-780 (hu: 06.00; b:
2.56.50; ho: 5.81.10), E 524-534 (b: 3.49.10; w:
2.15.30; og: 83.90; hu: 12.30; tu: 06.50; bg: 30.20);
536-540 (b: 2.67.20; w: 1.08.40), 569 (bh: 2.22.40), 661
(de: 1.00.90), 672, 673 (de: 3.03.30; he: 59.20), F 654
(de: 76.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Een
der drie Veghelse kerkdorpen, zuidelijke ligging ten
opzichte van de kom van Veghel;
aan
de secundaire weg van Veghel naar Lieshout, tevens
benaming voor een boerderij ter
plaatse. De volksetymologische interpretatie is "bezijden
de aarde (de Eerde, Eerde)
(Meuwese Veghelse Courant 1954).
Ook
Zittaart, dat we o.a. vinden in Zittert - Lummen (1132
Zetrud), te Deurne (1647
sittert) en te Rillaar (sitterstraat), zou
oorspronkelijk een weidenaam zijn, als afleiding
met
een verzamelsujfix van de plantnaam zegge (F. Claes,
Naamk. 1987 -66).
Wij
zien Zitterd al dan niet met paragogische konsonant,
verwant met het Nederlandse
"zijde" (nhd. Seite).... De oorspronkelijke betekenis
van zijde is: "het lang-gestrekte".
Franck van Wijk s. v. I zijde, zij.
Zitterd is dan een gesubstantiveerde eigenschap of
toestand (bnw. + aard, eerd) van het type een dieperd,
een dikkerd, een slimmerd. Het gehucht Zitterd onder
Oerle is inderdaad een in de richting noord-zuid lang
uitgestrekt gehucht. Gelet op de "eenzijdige" ligging
van Zitterd, nl. aan de rechterzijde van de (thans harde)
weg oerle-Veldhoven, zouden we ook met Zink, Christmann
en Baets kunnen meegaan, die Zitterd laten teruggaan op
"Sit(w)ert", "seitwärts gelegener Gemarkungsteil". Maar
ook dan is (en blijft) het grondwoord Nederlands zijde (nhd.
Seite). (De Bont Dialekt Kempenland. Geografische namen
-222-223).
Ook
het Veghelse Zijtaart is een lang uitgestrekt gehucht en
eveneens is het gelegen aan een zijde van een weg, nl.
de weg Veghel-St.Oedenrode. Een uitgebreide bespreking
van het toponiem Sittard en verwante vormen is te vinden
in Naamkunde 6e jaargang 1974 afl. 1-4, pg. 51 tlm 87.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Rond de verklaring van dit element zijn diverse
hypothesen ontwikkeld, waarvan er geen enkele
overtuigend is.
Er is gedacht aan een afleiding van het mhd. ‘sitwert’,
zijwaarts gelegen op een berghelling. Anderen geven de
voorkeur aan een afgeleide vorm van * setr + öd in de
betekenis van zomerweide voor het vee, ook runderstal en
als collectief: verzameling van runderhutten.
Lindemans gaat uit van ‘seiruth’ < ofra. seiture of het
mlat. seitura of segatura van het lat. ww. secare =
maaien; het zou dan gaan om een gemeenschappelijke
maaiweide, vergelijkbaar met ‘dagmaat’, wat men in één
dag zou kunnen maaien.
Dittmaier lanceert een betekenisverwantschap met
‘Sonder/Sunder’ = afgezonderd gebied, ontwikkeld vanuit
het mlat. secretarium = afgezonderde ruimte. De eind-t
zou dan een overblijfsel zijn van het grondwoord -rod =
rooiing. Dan krijgt het woord de betekenis van ‘een met
het doel van rooiing afgezonderd deel van het woud’.
Gijsseling ziet er een afleiding in van het germ. *
sigidrôpu, een kollektief bij * sigidra = plaats waar
zegge groeit.
Moerman 1956:209; Helsen 1978:130; Lindemans 1948:106;
Dittmaier 1953:287; Gijsseling 1960; Knippenberg
1951:20; Schönfeld 1980:24,104,174; de Bont 1969:222.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 22 |
|
Opmerkingen:
|
Zijtaart lag aan de andere kant van de Aa. De verklaring
van Cornelissen overtuigt niet, omdat Zijtaart in de
middeleeuwen niet langs de weg Sint-Oedenrode Veghel
lag, maar de naam was van een paar boerderijen, later
gehucht, aan de huidige Leinserondweg.
Oude
schrijfwijzen zijn onder andere: Zitert (1385),
Zitart (1466), Sijttart (1617), Zyttert
(1747-1794) en Seitaart (1852).
De naam komt in meer plaatsen van
Nederland voor, zoals in:
- Limburg, het stadje
Sittard (vermeld in 1147 als Sitter)
- In Vught (De Sittard
in 1832, enkele percelen langs een oude maasarm)
- In Deurne (veldnaam
Sittert in 1647)
- Het gehucht Zitterd
onder Oerle (Zittert in 1340)
De naam van het stadje Sittard
in Limburg zou afgeleid zijn van Siter, van het
Oudhoogduitse sîte, hoogte of
berghelling, en de plaats lag dan ook op een hoogte.
De nederzetting is ontstaan in de Karolingische tijd,
tussen 700 en 1000. Het Veghelse Zijtaart lag niet op
een berghelling. Als de naamsverklaring van Sittard
klopt, dan hebben Zijtaart en Sittard niet
dezelfde oorspronkelijke betekenis. Dat hoeft ook niet,
al lijken de namen veel op elkaar.
In 1340 wordt het gehucht
Zittert ten zuiden van Oerle vermeld. Als verklaring
van deze naam wordt gegeven: Sitwert = zijwaarts.
Het gehucht ligt zijwaarts van de weg Oerle - Veldhoven.
Cornelissen vond dat een aannemelijke verklaring voor
Zijtaart: gelegen zijwaarts van de weg Veghel –
Sint-Oedenrode. Ik geloof het niet, want het oude
Zijtaart was slechts een klein gebied langs de
Valstraat en dat lag niet langs de weg Veghel –
Sint-Oedenrode. Ook de verklaring van wijlen de Erpse
pastoor Meuwese ‘bezijden de aarde (Eerde)’ is om
dezelfde reden ongeloofwaardig. Ook de verklaring
‘zijwaarts van de Valstraat’ overtuigt niet.
In de literatuur wordt de naam
Sittert ook verklaard als een afleiding van de
plantnaam zegge met een verzamelsuffix (toevoeging –t).
Zegge is een gras- of rietsoort. De plant komt voor op
natte grond langs bronnen en beekjes in loofbossen. Deze
verklaring past wel in de geografische gesteldheid van
het oude Zijtaart. Dat lag in een drassige
omgeving en oude veldnamen in deze omgeving (zoals
Loo acker, ter Eijken, Perlaar,
Bobbelaar en Keselaar) wijzen er op dat hier
langs de Aa in de Late Middeleeuwen nog bos was. Deze
ligging is vergelijkbaar met De Sittard in Vught,
dat langs een oude maasarm lag. Maar misschien betekent
de naam Zijtaart iets heel anders?
|
|