De gevolgde werkwijze voor de reconstructie

Als er een perceel van de gemeenschappelijk wildernis van Veghel verkocht werd moest uit dat perceel voortaan een jaarlijkse belasting, of cijns betaald worden aan de overheid. Door uit te zoeken welke percelen vanaf wanneer met een cijns belast waren, zijn historische kaarten van Veghel te reconstrueren.

De eerste uitdaging was om alle met een grondcijns belastte goederen precies te lokaliseren. Hiervoor ging ik uit van het kadaster van 1832. In de cijnsregisters van Helmond zijn de namen van de cijnsbetalers slechts tot aan 1783 bijgeschreven, en de namen in de cijnsregisters van de hertog gaan niet verder dan 1777. Bovendien werden een aantal hertogelijke cijnzen vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw afgelost. Om de met een grondcijns belastte percelen te lokaliseren, moesten dus eerst de eigenaars van de percelen in Veghel vanaf 1832 terug in de tijd gereconstrueerd worden.

De werkwijze was daarbij als volgt:

 

1.    Ik begon met het maatboek van 1792. Het maatboek van 1792 en een aansluitend maatboek van 1810 geven de namen van eigenaren van de percelen tot aan circa 1820. De landmeter liep bij de samenstelling van het boek van 1792 van perceel naar perceel, en heeft de percelen ook in die volgorde in het maatboek opgenomen heeft. Omdat de namen doorlopen tot 1820  was vrij snel een redelijk betrouwbare aansluiting te maken met het oudste kadaster van 1832. Hierbij werden ligging, namen van eigenaars, veldnamen, grondgebruik en perceelsgrootte vergeleken met de gegevens uit het kadaster van 1832.

 

2.  Met behulp van beschrijvingen van percelen in de akten uit de notariŽle archieven uit de periode 1820-1832 werd deze reconstructie daarna verbeterd en werden onduidelijke situaties opgehelderd. In deze notariŽle akten worden vaak de nummers uit het maatboek vermeld, wat het werk vergemakkelijkt.

 

3.  Alle nieuwe erven ofwel uitgiften uit de periode 1781-1832 werden hierna gelokaliseerd. Dat waren er ongeveer 1100.

 

4.  Met behulp van akten uit de rechterlijke archieven werd hierna van 1792 teruggewerkt tot aan 1777. Daarmee werd een aansluiting gemaakt op de verpondingregisters. Deze vormen een bijna aaneengesloten reeks van 1702 tot aan 1810.

 

4.  Een ander nuttig hulpmiddel is een tiendkaart van Veghel van rond 1900.

 
Zo konden veel van de met een cijns belastte percelen met redelijke zekerheid gelokaliseerd worden. De wiskundige precieze waarop ik gehoopt was, bleek helaas een illusie. Het probleem was dat bij verdelingen en samenvoegingen van goederen cijnzen niet altijd aan hetzelfde perceel verbonden bleven. Naar schatting zo’n 5 tot 10 % van de cijnzen verhuisde naar een ander perceel voor elke eeuw dat ik verder terugwerkte in de tijd. Voor de zeventiende en achttiende eeuw is de schade nog te overzien, maar voor de late middeleeuwen wordt die verstoring substantieel. Omdat de boeren hun meeste grond in de regel niet ver van huis hadden liggen, “wandelden” de meeste cijnzen niet ver “van huis.” Beemden of hooiland lag wel vaak wat verder weg, en daar trof ik enkele cijnzen aan die oorspronkelijk in een andere uithoek thuis hoorden. Voor de oudste reconstructie liet ik me behalve door de cijnzen ook leiden door landschappelijke gegevens zoals bodemsoort en grondwaterstanden en hier en daar ook de veldnamen. Ook was het nuttig dat de cijnsbedragen een betrouwbare indicatie geven voor de grootte van de oorspronkelijk uitgegeven percelen.

Over het algemeen pastten de gezworenen goed op hun gemeint. Voor een groot aantal kleine percelen van slechts enkele roeden groot, werd door de boeren betaald. Vaak was dat pas achteraf. Dan werd er zonder toestemming een schuur of een huis op de hei gezet, of zonder het te vragen een stukje wildernis ontgonnen. In de regel lijken de boeren daar niet mee weggekomen zijn. Als akkerland aan de wildernis grensde kon de boer er af en toe "een voor bijploegen". Dergelijke onregelmatigheden waren moeilijker op te sporen.


Martien van Asseldonk

Toelichting     Downloads     Thema's     Kaart van Veghel