Horstjens - toponiemen

Naam:

 

Beemdstuk

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In eenen acker lants genaemt dat beemstuk ter plaatse voorsz. (in d'Eerde) [GO-126

(1545)]

 

een stuck landts int beemtstuck (onder Eerde) [GSO-262 (1617)]

 

een perceel bouwland, groeskanten, houtwas, voorpoting en geregtigheden gelegen te Veghel in het eerde, genaamd het beemdstuk [N (1830)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging in Eerde. Een perceel hooiland van geringe omvang.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 16, 17

Opmerkingen:

 

Stuk is een synoniem van perceel en dat zegt weinig of niets over de omvang. Het beemdstuk was een relatief groot perceel.

 

 

 

 

Naam:

 

Berkacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Berckenakker [RAV158-96v (1730)]

 

een perceel teulland met houtwas genaamd den berkakker [N (1830)];

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging, mogelijk op het grensgebied met Sint-Oedenrode. Omwald met

berkenhout. (MM. -55).

Ligging:

 

Perceel nr. 8

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Braekske, Brokske, Broekje

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Deze velnaam kwam in Veghel op meerdere plaatsen voor. Cornelissen geeft verschillende vermeldingen, onder andere op het Havelt, Ham en ZIjtaart.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Land dat braak ligt, of dat moet gebroken – dat is beploegd – worden, geschikt gemaakt om bewerkt te worden in tuimere zin. Ook (meestal) onbebouwd, weinig renderend bouwland (Molemans, 1979-94).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

‘Braak’ wordt meestal omschreven als braakliggend stuk grond. Mogelijk is ook de oorspronkelijke betekenis van het woord: ‘breken’ = ploegen. Over het braak liggen van grond zegt Draye: ‘Het drieslagstelsel waarbij 1 jaar wintergraan, 1 jaar zomergraan en het 3de jaar de grond braak lag, werd in Vlaanderen in de 14de eeuw al niet meer toegepast. Op de magere gronden van de Kem­pen zal het lange tijd in zwang zijn gebleven’.

 

Volgens Buiks is in de Baronie het braak liggen van grond al snel vervangen door teelt van gewassen als rapen, klaver e.d.. Een bijkomende factor was dat de boeren niet gehinderd werden door de ‘Flurzwang’, een verplichting om op delen van de dorpsakker hetzelfde gewas te verbouwen. Op de braak kon het vee geweid worden, tenminste zolang het braak liggende perceel niet ‘gebroken’ werd. De braak diende behalve voor het herwinnen van de vruchtbaarheid ook voor het verwijderen van onkruid. Om dit laatste te bereiken moest de braak veelvuldig geploegd worden en daarna geëgd. Braak liggende grond werd het eerst geploegd in juni (braakmaand). Tevoren kon het vee er ongestoord op weiden. Men vindt wel eens pachtkontrakten over het braak laten liggen van een deel van de landerijen in het laatste pachtjaar.

 

‘Brakelen’ en ‘brekelen’ zullen vermoedelijk zijn afgeleid van ‘braak’ + lo [elen-uitgang]. Tijdens de braak herstelde de natuurlijke rijkdom van de grond zich enigszins o.a. door de werking van bepaalde vrij levende stikstofbindingsbacterieën. Onvruchtbare gronden lagen het meest braak. Een ‘hoogbraak’ is een hoger gelegen ontginningscomplex. (Buiks 1990:53; Draye 1941; Buiks 1990:72; Buiks & Leenders 1993 dl.5:562.)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1, 2b2, 2b3

Opmerkingen:

 

Brokske is een dialectvorm van Braekske. Brokske werd vervolgens weer begrepen als Broekje

 

 

 

 

Naam:

 

Deyssel Velt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Juxta locum dictum die hoghe desselt [Hs- (± 1390)].

 

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging onbekend. Misschien afgeleid van Middeleeuws "dessel, dissel", kromme

bijl, houweel. Benoeming naar de vorm. Of van mnl. dissel in de betekenis van 1) boom die zich tusschen de beide paarden van een tweespan bevindt en de richting van de wagen bepaalt, 2) kromme dissel, kort sterk gebogen hout vooraan zekere boerenwagens, waaraan de bespanning bevestigd wordt en waarmede de wagen met behulp van den voet wordt bestuurd (Verwijs en Verdam). Benoeming naar de vorm. Ook een afleiding van de plant distel lijkt niet ondenkbaar.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Dijssel / Dissel / Diessel / Dessel

Meestal wordt uitgegaan van een vormaanduiding. Een dissel is een hakwerktuig voor het uithollen en glad maken van hout. Soms kan verwarring met ‘distel’ optreden. Verdam noemt de begrip­pen wagenboom, dissel, krom­me bijl en houweel.

 

v.Berkel & Samplonius 1989:48; Verdam 1932:138

 

Ligging:

 

Perceel nr. 2c

Opmerkingen:

 

Afgezien van een inham aan de zuidwestzijde heeft het perceel een regelmatige rechte vorm. Dat maakt vernoeming naar de vorm minder voor de hand liggend. Vernoeming naar de plant distel is mogelijk.

 

 

 

 

Naam:

 

Donk

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Van enen .... erfft aen ghene donck ende in die prochie van Vechel [GVIE2 (1424)]

 

donc [GVE2-39 (± 1500)]; de donck, donk, over de brugge aan de leest [RAV157-67v

(1690)

 

huys hof en aangelegen erff 8 1. te Vechel aen de donck en 50 r. aen den

hulserdonck [Dom. l71 (1731-1756)]

 

land in de donk [GO (1754)]

 

de donk [N. (1835, 1871)], [V.]; D 627, 629 (b: 1.34.40), F 898 (b: 45.60).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Donk "lichte ophoging in een depressie".

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Waar ‘donk’ zonder bepaling voorkomt wordt het met het lidwoord gebruikt: bv. ‘op de Donc’. Men treft het vrijwel steeds in samenstellingen aan. Over de betekenis is een zekere consensus bereikt. Gijsseling denkt aan een zandige opduiking in een moerassig terrein en gaat uit van een afleiding van ‘dunga’. Bach spreekt van een ‘flache Erhöhung, Sandbank im sumpfigen Gelände’. De Kempische donken zijn oorspronkelijk gelegen in een broek of moerassige laagvlakte met één zijde op een beek of rivier. Het waren over het algemeen uitgestrekte verhevenheden, bewoond of geschikt gemaakt voor kolonisatie. In de bepalingen die bij het woord voorkomen schijnt vaak een diernaam te schuilen of een verwijzing naar de plaatselijke begroeiing, uiterst zelden een persoonsnaam.

 

Mansion verklaart de oorsprong van ‘donk’ uit de ondergrondse kuil die bij de Germanen als winterverblijf diende voor wevers of ook als vrouwenverblijf en die van buiten werd bedekt met mest om de kou te weren, zodat deze kon uitgroeien tot een kleine heuvel. In de Baronie blijken donken weide- of beemdgebieden te zijn. De meeste donknamen komen ten zuiden van de grote rivieren voor. Soms slijt het element af: Spordonc > Sporing, Spoerdonc > Spoeling, Boedonc > Boeding, Beersdonk > Beersing.

 

Van Osta is van mening dat er onvoldoende topografische en etymologische gronden zijn om het woord te verklaren als ‘hoogte’. Volgens hem wijst microtoponymisch onderzoek in de richting van ‘laag’ of ‘afhellend’ en is het een ondiepe put, inzinking of afzakkend terrein. Hij legt een verband met het ww. ‘dompelen’ voor terreinde­pressies in de direkte omgeving van beken en moerassen, die periodiek overstroomden: een moerassige terreindepressie als tijdelijk ‘ondergedompeld’ land.

 

Gijsseling 1954:100; Bach 1953 dl.2:291; Buiks 1986 dl.9:40; Buiks 1990:140; Moerman 1956:53; Schönfeld 1950; Gijs­seling 1981:75; v.Osta 1991:87 - 115; Helsen 1978­:37.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 9a, 13

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

in d’ Eerde

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Hulsberdonc nabij de Eirde [GZG-272 (1396)]

 

d'eerd [Hs- (1537)]

 

hopvelt aen d'eerde [GVEI5-231 (1624)]

 

hertgang Dorshout en Eert [GVEI2-181 (1778)]

 

in den hoek de eerde [N (1821)

 

kad. (1832)]; F 1-65 en D 152-303 (Sint-Oedenrode).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Kerkdorp van Veghel, zuidelijk in de richting van Schijndel.

 

Aard = gemeenteweide, bouwland, weiland langs een waterloop. Aard verschijnt ook in de vorm eerd. Vgl. Eerde bij Ommen in Overijsel. Afgezien van de etymologie betekent het woord in de Kempen meestal: onbewonnen heide- en bosland in gemeenschappelijk gebruik genomen tot het hoeden van het vee, tot het steken van schadden en tuif en tot het halen van heide als strooisel voor de dieren. Nagenoeg ieder dorp had destijds zijn eigen "aard".

 

Mansion maakt onderscheid tussen een stam "aard" en een stam "aarde". Hij meent dat "aard" een volksetymologische spelling is. het vereenzelvigt het element - aard met mnl. aert, dat gezegd wordt van bouwland, vaste grond, landstreek. Aarde staat voor

eerde en is verwant met ohgd. Era = aarde, land.

 

Aard daarentegen spruit uit germ. + arthu "landbouw" voort en is verwant met ags. eard = woning. Het is een afleiding uit de bekende wortel -ar- (ploegen) (lt. aratrum, gr. arotron ploeg). Aard is dus zonder twijfel oorspronkelijk een ploegland geweest, maar in het Nederlands heeft zijn betekenis zich ontwikkelt tot "veld, open plaats" en onder meer "land bij een rivier", "aanlegplaats".

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Mogelijk is de verklaring: beploegde grond of bouwland. Als er een relatie bestaat tussen Eerde en ‘eert’, een dialectische vorm voor ‘aarde’, dan kan gedacht worden aan zandleem­grond of zwarte teel­aarde. Een derde mogelijkheid is een verband met ‘eerd’, ‘ert’ wat veelal vruchtbare grond langs een beek aan­duidt. Of is Eerde een gebied wat eens behoorde tot de ‘aard’ van Sint-Oedenrode [redactie]?

 

Molemans 1976:304; Buiks 1983 dl.6:26; v.Berkel & Samplonius 1989:54.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1-10, 13-17

Opmerkingen:

 

Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gemeintes van Sint-Oedenrode en Veghel ooit “aard” genoemd werden, dus die verklaring ligt weinig voor de hand. Ik sluit me aan met de verklaring “bouwland”.

 

 

 

 

Naam:

 

in de Grootdonk

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Hoeve de grootdonck [Mrv91-46 (1712)]

 

grootdonken [GO- (1754)]

 

de grodonk [kad. (1832)]; F 284-366

 

de grootdonk [N. (1835, 1877)]; F 178-185 (w: 92.70; b: 1.57.90; he: 21.10; hu: 13.90; tu: 17.20), 458, 459 (he: 26.08.80).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggend onder Eerde. Vanaf de rivier de Aa en de Zuid- Willemsvaart komende begint het landschap ter hoogte van de Grootdonk in de hoogte toe te nemen, wat zich voortzet in de richting van de Eerdse bergen. Men kan hier dus wel spreken van een "grote donk".

 

Ligging:

 

Perceel nr. 2b

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Hopvelt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

't Hopveldeken in den d'avell [GVEI5-58 (1624)]

 

hopvelt op de cuylen [GO- (1754)]

 

margriete streep en hopveltje in de Donkerstraet [GVEll-315 (1777)]

 

't hopveldeke [GVEI2-41 (1778)]; het hopveld, het hopveldje [N (1847, 1856, 1861, 1883),

V.-]; A 1062 (b: 31.90), E 810 (w: 22.20), F 260 (b: 36.00), 261, 262 (b: 71.90).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Benoeming naar de teelt.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 5

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Horstje

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De horst [N (1848)], A 62-64, 69 (b en w: 58.46).

 

Beemd strekkende van erf die cromhorst tot 't erf die monichoeve [BPI212-21 (1442)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging in het gebied de Kampen bij het Ven. Mndl. horst, hurst, kreupelhout (M.Top.

Bocholt, -132).

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Horst, een afleiding van * hursti, is een beboste of met struikgewas begroeide opduiking in een moerassig terrein. Volgens Marley bevindt zich een concentratie van horstnamen in Westfalen. Vanuit dat gebied zou het element zich verbreid hebben over NO Duitsland, Nederland en Engeland. Hij definieert het als ‘verhevenheid met secundaire begroeiing na oorbaarmaking door vuur’. Het germ. * hursti zou nl. ook brand of gloed betekenen. Een zeer vroege vermelding is die van Bochursti op de Veluwe (806), maar volgens Blok staat deze naam op zichzelf en begint de ‘grote stroom horstnamen’ pas later.

 

Gijsseling 1981; Marley 1972:26; Helsen 1978:48.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 6, 7

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Campke

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert de veldnaam Kamp op meerdere plaatsen in Veghel.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Kamp, lat. campus, is oorspronkelijk een synoniem van veld in de betekenis van "open, onbebouwd veld". Hier heeft kamp de secundaire betekenis van: een individueel uit het veld gewonnen en door een heg of een houtkant besloten perceel (M. Top. Valk., -160).

 

Als meervoud duidt het hoofdzakelijk een gebied aan onder Eerde, enige kilometers

ten zuiden van het viaduct, aan de oostelijke zijde van de weg naar St.Oedenrode.

Diminutief van kamp.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Kampnamen komen veelvuldig voor in het oostelijk deel van Brabant en vormen de tegenhanger van de Westbrabantse ‘heiningen’. Het woord is afgeleid van het lat. * campus en lijkt oorspronkelijk dezelfde betekenis gehad te hebben als ‘veld’, nl. de open, woeste, soms hoger gelegen vlakte en in een latere fase als aanduiding voor omheinde of afgesloten ruimte of een door tuinen of hagen omgeven perceel. Het Brabantse cultuurlandschap wordt omschreven als een typisch landschap van kampontginningen.

 

Volgens Vervloet zouden individuele kampontginningen zich op deze zandgronden in optima forma ontwikkeld hebben, omdat het systeem van de ‘gemeynten’ bestond, die aanvankelijk door de bewoners gemeenschappelijk werden gebruikt, maar waaraan men op gezette tijden percelen kon onttrekken door verkoop aan individuele ontginners. Andere benamingen die hetzelfde begrip benaderen zijn look of gelookt, hof, goed en erf. Ze worden veelal vermeld in combinatie met een persoonsnaam of familienaam . Volgens Jansen gaat het vnl. om kleine akkertjes ontgonnen uit hei of bos, waaromheen een haag van de oorspronkelijke begroeiing is blijven staan. Dit type ontginning zou m.n. in West-Frankrijk op een uitgebreidere schaal voorkomen; daar spreekt men van ‘boccage’ en ook deze dankt die naam aan individuele ontginningen. Hendrikx spreekt over een ontwikkeling, die zich ongeveer vanaf de 10de eeuw inzette, van oorspronkelijke eenmansvestigingen of los gegroepeerde boerderijenzwermen, bestaande uit boerderijen met huiskampen en veebochten waaromheen zich langrepelakkers en aangelagen bevonden. Deze werden omringd door bos, dat voor beweiding werd gebruikt. Door afsplitsing groeiden hier bepaalde gehuchtkernen uit.

 

Vervloet 1984:54; Claes 1987:67; de Vries 1962:90; v.Berkel & Samplonius 1989:94; Jansen 1978:242; Hendrikx 1989:56.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 9b, 10a

Opmerkingen:

 

Een kamp is over het algemeen een uitgifte van de gemeint uit de late middeleeuwen of recenter.

 

 

 

 

Naam:

 

Noordevelt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Noortvelt eerde [GVIIE13 (1792)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging onder Eerde.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 9

Opmerkingen:

 

Afgeleid van “Van Oorte Velt”. Een deel van dit perceel was in 1738 eigendom van Hendrik van Oort

 

 

 

 

Naam:

 

Oude Wey

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Deel van perceel nrs. 2b1 en 2b4

Opmerkingen:

 

De naam wordt vermeld in 1798. Voormalig weiland. In het maatboek van 1892 en het kadaster van 1832 zijn deze percelen bouwland.

 

 

 

 

Naam:

 

Streepen

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende plaatsen in Veghel.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element ‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk, vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen. (Buiks 1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman 1956:223; Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius 1989:174.)

 

Ligging:

 

Deel van perceel nrs. 2b1 en 2b4

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Tomas Akker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Een stuk lant genaemt thomasacker gelegen binnen de parochie van veghel [GOI26-11 (1555)]

 

van een stuck lants genaamt den thomasacker [HHI63-7 (1714-1783)]

 

dirk thomasse de horstjens, dirk thomasse in de grootdonk [N (1844, 1886)]; F 280 (b:

47.10), 286 (b: 61.40)

 

thomasse ter plaatse keseler [N (1883)]; E 393 (b: 37.70)

 

dirk thomassen [V.-]; F 280-281 (b en w: 47.10 en 49.20).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Benoeming naar de mansnaam Thomas of de persoonsnaam.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 13

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Van de Haagen Veld

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 14, 15

Opmerkingen:

 

Violgens een beschrijving uit 1738 waren deze eprcelen eerder in handen van Cornelis van der Haagen.

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     Horstjens