Donkerstraat - toponiemen

Naam:

 

Beukelaar

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Et de mansu seu bonis dictum ten buekelaer [GVIE-2 (1374)]

 

de hoeve 't goet op beukelaer [BP1187-101v (1411)]

 

ad locum dictum aent beukelair, aent beuchelair in die Heze [Hs- (± 1500)]

 

aent buekeler in verrenberch [Mrv23-110 (1533)]

 

buuckelaar [GVE2-52 (1702)]

 

27 roijen aent beukelaer [GVEI2-48v (1778)]

 

beukelaar [kad. (1832); N (1843)]; B 1045, 1046 (w: 92.70), 1139-1273.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Afleiding met personijicerend suffix -elaar, van beuk. Perceel begroeid met beukebomen

(Hs-). Volgens Van Passen (1967 -133) blijkt een laar in de kempen ovet het algemeen de

betekenis te hebben gehad van onbebouwde (gemeenschaps)grond waarop men het vee liet grazen (Top. v. Neerpelt. M.).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Varianten met een verzamelsuffix zijn o.a. Boekt en Bokt en met een tot de lo-formatie behorende uitgang, nl. -el in bv. Beukel.

 

Beuken groeien het beste op leemhoudende vochtige gronden. Het element kan zijn afgeleid van het germ. * boko mnl. boeke, boucke = beuk (Fagus silvatica). De beuk komt zo­wel in het wild als aangeplant voor. De vormen met een verzamelsuffix -t herinneren ons aan middeleeuwse ontginningsactiviteiten, waarbij de ontbossing van het gemengde eiken- en beukenbosarsenaal ter hand werd genomen om meer cultuurgrond voor de akkerbouw te creëren. Deze vorm van ontbossing is al in de vroege middeleeuwen ingezet en naarmate de bevolking toenam werd die intensiever [redactie]. (Buiks 1990:56; Helsen 1978:126.)

 

Laar kan vele betekenissen hebben. Helsen interpreteert het als woeste, onbebouwde gemeenschapsgrond of heide en minderwaardig grasland, waar men de dieren liet grazen en russen kon steken. Ook verstaat men er een intensief benut bos onder. De Bont prefereert de betekenis van omheind terrein, anderen die van een open plek in het bos waar hout gestapeld en gehaald kan worden. Roelants wijst erop dat er van de 14de tot de 16de eeuw verschillende plaatsnamen op -laar zijn ontstaan. Dittmaier neemt als betekenis ‘om­hei­ning’ over, maar voegt eraan toe dat het geen gewone omheining is van bv. een groene haag, maar een van planken en balken, die vooral berekend was op kweekdieren.

 

Smulders vestigt de aandacht op ‘laar’ door diverse voorbeelden te geven van oorspronkelijke laarnamen die evolueerden naar andere schrijfwijzen, bv. Herlaer > Halder, Swelaer > Sweelders, Vellaer > Velder, Geerlaer > Geelders, Hollaer > Holder etc. De FN ‘van Elderen’ verklaart hij  als afgeleid van Ellaer > Elder(en). Hij wijst er op dat toponiemen eindigend op -lder in oorsprong laarnamen geweest kunnen zijn.

 

Tavenier propageert een systematisch onderzoek naar de landschappelijke aard van alle laarvermeldingen. Volgens Theuws komt het element -laar in nederzettingsnamen vooral voor buiten de bevolkingsconcentraties die hij voor het Maas-Demer-Scheldegebied heeft uitgekarteerd. De laarnamen zouden volgens hem in verband gebracht kunnen worden met vochtige, natuurlijke omstandigheden. De macroregionale spreiding lijkt hier op te wijzen. Dat laarnamen niet voorkomen in bv. de valleien van Maas en Schelde zou erop duiden dat een groot deel van deze gebieden al bewoond was toen deze namen werden gevormd en dat ze een latere fase van verdere of interne kolonisatie aangeven. Volgens hem vertegenwoordigen de laarnamen een jongere namenlaag en derhalve jongere bewoning.

 

De Bont geeft voorbeelden afgeleid van boomnamen zoals Mispelaar, Kerselaar, Pruimelaar, Appelaar, No­te­laar e.a. Laar werd soms voorafgegaan door een ‘-h’ en werd dan ‘hla­r’. Het gaat dan om een verwijzing naar een oude door de mens beïnvloede landschappelijke situatie. Waar Gijsseling spreekt over ‘bosachtig moerassig terrein’ voor dit element, meent Blok een verfijning te moeten aanbrengen en spreekt van ‘...een deel van een al of niet moerassig bos, dat door mensen speciaal gebruikt werd om te kappen of om vee in te weiden en dat daardoor een open plek in het bos werd.’ In deze definitie wordt niet een oorspronkelijke natuurlijke gesteldheid aangege­ven, maar juist een oude vorm van menselijke ingreep in de natuur. Als zodanig moet ‘laar’ als veen- en moerasindicator terughoudend worden gebruikt. De Bont veronderstelt dat het kappen van bos voor het aanleggen van akkertjes vanaf de vroege middeleeuwen geleidelijk is verlopen. Soms zullen aanwezige open plekken, de ‘laren’, als uitgangspunt hebben gediend. Door het kappen en plat branden van delen van het bos werd een geschikt gebied langzaam maar zeker van zijn bosbegroeiing beroofd.

 

Helsen 1978; Molemans 1977; Dittmaier 1963; de Bont 1969 dl.3; Gijsseling 1956; Helsen 1944; Buiks 1992:45; Roelandts 1946:­41; Smulders 1952:59; Tavenier 1968:442; de Bo 1881:193; de Bont 1993:72; Blok 1991:24; Theuws 1988:181.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 6

Opmerkingen:

 

 

 

 

 

Naam:

 

Aen den Blauwen Steen

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De blauwe steen [RAV 157-67 (1691)]

 

eenen grooten ende verheven blauwen steen of sarck in een kelder daaronder in de groote kerck int coor van O.L. Vrouw, dienende tot grafsteen [RAV98-167 (1726)]

 

den morgen of den blauwen steen Vechel aen de Heeselar (leen van ’t leenhof ten Bogaerde te Dinther) [Mrv92-110v (1773)]

 

aen den blaauwen steen op de Hoge Boekt. [N. (1878)]; D 68 (b: 72.00)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Genoemd naar een blauwe steen, identiek aan de opgegraven Blauwe molensteen of Blauwe Kei steen.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 10, 11. Het toponiem wordt ook vermeld aan de overkant van de weg, zie de toponiemen van Rutsel.

 

Opmerkingen:

 

De door Cornelissen vermeldde grafzerk heeft niets met dit toponiem te maken.

 

Ondergrondse kavelstenen dienden vaak als perceelsbegrenzing. Bovengronds werd boven die steen een tweede steen of verklikker geplaatst. (Frans Theuws en M. van der Heijden (redactie), Archeologie van de Brabantse Akkers, 141-142.)

 

 

 

 

Naam:

 

aen Bloemegat

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Dat blomenstuc in dat blomengat [BP1190-328 (1418)]

 

bloemengat (blommengat) russelt, hoge boekt [Hs- (1539)]

 

bloemengat (blommengat) [Hs- (1675)

 

bloemengat (bloemmengat) [Hs- (1703)]

 

5 ½ lant bloemegat [GVE12-86 (1778)]

 

bloemengat [N. (1838); D 29 (bo: 63.10)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Landerijen te Veghel aen de Boekt. Gat = synoniem voor moerassige plaats. Ook drinkplaats voor vee. Het woord kan verschillende betekenissen hebben: zeegat, geul door ondiepe gronden; kolk, visgat, wiel en ten slotte plas, ven. Dit woord is natuurlijk niet het got. gatwo, mnl. gate, Hgd. Gasse.

 

Perceel waar veel bloemen groeiden/geteeld werden. Mogelijk ook teruggaand op persoonsnaam Bloemen. Mogelijk ook afgeleid van bloem in de betekenis van bloesem, gewestelijk b.v. in Brabant (W.N.T.). Of van bloem, het fijnste van het meel, soms voorkomend als bloemen (W.N.T.)

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Men herkent dit element o.a. in Bloemenakker, waarmee een akker bedoeld kan zijn waar vroeger veel onkruiden voorkwamen waarvan sommige bloemen hadden, zoals bv. de bolderik, de gele ganzenbloem (door de boeren vaak goudsbloem genoemd), de korenbloem en de klaproos. Bloem of blom kan ook wijzen op het witachtig opdrogen van de grond nadat er geëgd was, het zgn. opzomeren. Bloemen kan duiden op bloeiende planten, maar ook overdrachtelijk gebruikt worden: mooi of goed.

 

Ook de familienaam Bloemarts of Bloemaerts of Blommarts komt in de cijnskring ver­spreid voor en kan aanleiding geweest zijn tot het ontstaan van dit element. (Goossenaerts 1956/1958; Buiks & Leenders 1993 dl.3:338; Beij­ers 1992:92).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 4

Opmerkingen:

 

Het toponiem lijkt hier verdwaald. De veldnaam heeft betrekking op percelen aan de overkant van de weg, zie de toponiemen van Rutsel.

 

 

 

 

Naam:

 

in den Bloemenhof

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Aen die donck aen bloemenhof [Mrv30-56 (1584-1589)]

 

stucxken in den bloemenhoff [GVE15-95] (1624)]

 

den kleijne bloemenhof [GVE2-304 (1702)]

 

huys etc. genaamt bloemenhof, ter plaatse den blauwen steen [RAV98-167 (1726)]

 

landt en hoij ’t rijtje genaemt bloemenhof [GVE12-67 (1778)]

 

tegen sijnen acker den bloemhoff [GVC17 (1790)

 

bloemenhof [N. (1835, 1836, 1862, 1869)]; [V.]; D 4-11 (bo: 2.35.60), 13 (b: 71.20), 25 (b: 42.50), 28 (b: 89.10), 63 (b: 29.80), 626 (b: 1.04.20)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

De benoeming Bloemenhof geldt voor verschillende percelen, een op de Leest bij het oude zwembad, de andere grenzend aan het Bloemegat. Mogelijk is Bloemenhof in dit geval identiek met Bloemengat, evenals de Bloemenacker.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 4

Opmerkingen:

 

Het toponiem lijkt hier verdwaald. De veldnaam heeft betrekking op percelen aan de overkant van de weg, zie de toponiemen van Rutsel.

 

 

 

  

Naam:

 

(aen, in) de Donckerstraat

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Donkerstraat [Hs- (1534)]

 

twee stueken aen 't doncker straetken [GVEI5-71 (1624)]

 

eenen aeker teulants genampt de streep gelegen te Veehel in de donckerstraet [N (1715)]

 

een pareeel teullant canten houtwasch voorpoting en gerechtigh. in de donkersstraat, ontr.

3 1. [RAV112-120 (1797)]

 

de donkerstraat [N (1843, 1865, 1876)]; D 102-104 (b, w: 1.9.70), 113 (b: 56.70), 115 (b: 59.70).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging op de Hoge Boekt, een zijweggetje van de oude weg naar Erp nu prof Oppenheimstraat, leidend in de richting van de Blauwe Kei - dr. Schaepmanlaan. Het beginpunt van dit oude weggetje lag ongeveer tegenover de zuivelfabriek St. Lambertus.

 

Molemans vermeldt ook: "straat zonder vaste ligging, die verlegd kon worden over de braakliggende akker van de driejaarlijkse wisselbouw" (Lindemans 1935, -16; De Brouwer 1955, -40).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Donkerstraat kan een straat zijn zonder vaste ligging die verlegd kon worden over de braakliggende percelen ten gevolge van de driejaarlijke wisselbouw. Ook komt het element voor in de betekenis van een smal straatje met aan weerszijden houtgrachten of houtkanten waarvan de takken in elkaar verstrengelen en een boog vormen. Soms ook een verbinding tussen of een weg langs ter plaatse bekende donken [redactie].

 

Molemans 1976:270.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1-9, 12, 14

Opmerkingen:

 

Voor de ligging, zie de kaart met toponiemen. Volgens de kadasterkaart van 1832 was de Donkerstraat was geen straat die eigendom was van de gemeente, maar een recht van overpad over de betreffende percelen. Het verloop dwars op percelen en met aan weerzijden van de straat percelen van verschillende eigenaren wijzen er op dat het verloop van deze niet verlegd werd ten gevolge van wisselbouw.

 

 

 

 

Naam:

 

Heerenacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Heereveltje aent Beukelaer [GVEI2-107 (1778)].

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging aan het Beukelaar.

Ligging:

 

Perceel nr. 2

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een vroegere eigenaar, waaronder verschillende jonckers van Lanckvelt

 

 

 

Naam:

 

Hegacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Die hegecker te Vechel bij die hoeve ten bogaert [BP1l95-155v (1425)]

 

de hegakker, nederbiest [Hs- (1537)]

 

d'lant in den hegecker [GVE15-71 (1624)]

 

landt vant afgebroke erf op den hegacker [GVE12-67 (1778)]

 

genaamd den hegakker, te Veghel aan het hezelaar [N (1830)]

 

hegakker [V.], D66, 67 (b: 1.90.70), 68, 70-72, 97, 98 (b: 2.27.01; hu: 6.50; w: 36.40).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

‘Hegge’ betekent primair heg, haag, omheining van levend hout in de vorm van eik, berk, els en wilg. In veel gevallen is de naam overgegaan op afzonderlijke percelen

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 13-17

Opmerkingen:

 

Mogelijk was deze akker omgeven door een heg.

 

 

 

 

Naam:

 

aan het Hezelaar

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In loco dicto hezellaar [Hs- (± 1390)]

 

tgoet te hezellaer [Hs- (1390-1395)]

 

hezelaer [GVE2-39 (± 1500)]

 

lant aent heeselaer off bunders gat 't rontveltje [GVEI2-52 (1778)]

 

hezelaar [kado (1832)]; B 1105-1138

 

hezelaar [N (1893)], [V.-]; B 1143 (w: 15.70 ), 1148 (b: 84.70).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggende tussen Zeven Eikenlaan, Lindelaan, Hezelaarstraat en Iepenlaan, vroeger

de Watersteeg. Voor 1832 moet de benaming op een groter gebied betrekking gehad

hebben. Was hier oudtijds een open (ontgonnen) gebied, omgeven door kreupelhout?

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

‘Hees’ is over het algemeen laagstammig hout, struikgewas of jonge bomen, afgeleid van het germ. * haisi > hasi > hesi > hees. Het komt frequent voor, zowel in plaats-, gehucht- als veldnamen. Veldnamen zijn deels afgeleid van de gehuchtnaam ‘Hees’ zodat niet altijd sprake is van verwijzing naar de oorspronkelijke begroeiing. Hezemans meldt dat ‘hees’ aanvankelijk zowel in Nederland, België, Duitsland als Engeland voorkomt als jong beukenbos en later struikgewas van allerlei loofhout.

 

Het kan ook de benaming zijn voor een open plek in een bos waar de Keltische god Hesus of Esus werd vereerd. Op de Hees onder Erp stond een heilige eik. In 1761 werd daar ter plaatse het ‘land aan de H.Eik op Heesch’ vermeld. Langs de oude handelsroute Aken-Gulik-Nijmegen moet in de buurt­schap Hees bij Weeze een heiligdom met offeraltaar voor Hesus opgericht zijn geweest. Afleidingen van ‘hees’ zijn heester en heister met als oude betekenis jonge loofboom, speciaal jonge beuk, maar ook jonge eik. Van de gehuchtnaam de Hees zijn familienamen afgeleid als van der Heze, Verhees, Hezemans/Heesmans, Heesakkers e.d., die in de cijnskring verspreid voorkomen. Het element ‘hees’ komt in Brabant al vroeg voor. Het oorkondenboek meldt o.a. Hezia (784), een ge­hucht onder Eersel, Hese (1203), Hesebenne (1225), Heseuuic (1233). 

 

Moerman 1956; Molemans 1976:477; Helsen 1978:56; Molemans 1975:44; Mennen 1992:46; Hezemans 1970:68; Meu­wese 1955:125; vd Schaar 1969:118; Gijsseling 1960; Smulders 1962; Beijers & Koolen 1988; Beijers 1992: 148,149, 239.

 

Laar kan vele betekenissen hebben. Helsen interpreteert het als woeste, onbebouwde gemeenschapsgrond of heide en minderwaardig grasland, waar men de dieren liet grazen en russen kon steken. Ook verstaat men er een intensief benut bos onder. De Bont prefereert de betekenis van omheind terrein, anderen die van een open plek in het bos waar hout gestapeld en gehaald kan worden. Roelants wijst erop dat er van de 14de tot de 16de eeuw verschillende plaatsnamen op -laar zijn ontstaan. Dittmaier neemt als betekenis ‘om­hei­ning’ over, maar voegt eraan toe dat het geen gewone omheining is van bv. een groene haag, maar een van planken en balken, die vooral berekend was op kweekdieren.

 

Smulders vestigt de aandacht op ‘laar’ door diverse voorbeelden te geven van oorspronkelijke laarnamen die evolueerden naar andere schrijfwijzen, bv. Herlaer > Halder, Swelaer > Sweelders, Vellaer > Velder, Geerlaer > Geelders, Hollaer > Holder etc. De FN ‘van Elderen’ verklaart hij  als afgeleid van Ellaer > Elder(en). Hij wijst er op dat toponiemen eindigend op -lder in oorsprong laarnamen geweest kunnen zijn.

 

Tavenier propageert een systematisch onderzoek naar de landschappelijke aard van alle laarvermeldingen. Volgens Theuws komt het element -laar in nederzettingsnamen vooral voor buiten de bevolkingsconcentraties die hij voor het Maas-Demer-Scheldegebied heeft uitgekarteerd. De laarnamen zouden volgens hem in verband gebracht kunnen worden met vochtige, natuurlijke omstandigheden. De macroregionale spreiding lijkt hier op te wijzen. Dat laarnamen niet voorkomen in bv. de valleien van Maas en Schelde zou erop duiden dat een groot deel van deze gebieden al bewoond was toen deze namen werden gevormd en dat ze een latere fase van verdere of interne kolonisatie aangeven. Volgens hem vertegenwoordigen de laarnamen een jongere namenlaag en derhalve jongere bewoning.

 

De Bont geeft voorbeelden afgeleid van boomnamen zoals Mispelaar, Kerselaar, Pruimelaar, Appelaar, No­te­laar e.a. Laar werd soms voorafgegaan door een ‘-h’ en werd dan ‘hla­r’. Het gaat dan om een verwijzing naar een oude door de mens beïnvloede landschappelijke situatie. Waar Gijsseling spreekt over ‘bosachtig moerassig terrein’ voor dit element, meent Blok een verfijning te moeten aanbrengen en spreekt van ‘...een deel van een al of niet moerassig bos, dat door mensen speciaal gebruikt werd om te kappen of om vee in te weiden en dat daardoor een open plek in het bos werd.’ In deze definitie wordt niet een oorspronkelijke natuurlijke gesteldheid aangege­ven, maar juist een oude vorm van menselijke ingreep in de natuur. Als zodanig moet ‘laar’ als veen- en moerasindicator terughoudend worden gebruikt. De Bont veronderstelt dat het kappen van bos voor het aanleggen van akkertjes vanaf de vroege middeleeuwen geleidelijk is verlopen. Soms zullen aanwezige open plekken, de ‘laren’, als uitgangspunt hebben gediend. Door het kappen en plat branden van delen van het bos werd een geschikt gebied langzaam maar zeker van zijn bosbegroeiing beroofd.

 

Helsen 1978; Molemans 1977; Dittmaier 1963; de Bont 1969 dl.3; Gijsseling 1956; Helsen 1944; Buiks 1992:45; Roelandts 1946:­41; Smulders 1952:59; Tavenier 1968:442; de Bo 1881:193; de Bont 1993:72; Blok 1991:24; Theuws 1988:181.

  

Ligging:

 

Perceel nrs. 9, 17, 18

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

Hopveldeke

Vermeldingen door Cornelissen:

 

't Hopveldeken in den d'avell [GVEI5-58 (1624)]

 

margriete streep en hopveltje in de Donkerstraet (Creytenborgh) [GVEll-315 (1777)];

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging.

Ligging:

 

Perceel nr. 3

Opmerkingen:

 

Veld waar hop geteeld werd. Cornelissen plaatst de “margriete streep en hopveltje in de Donkerstraet” ten onrechte op Creytenborgh. In de betreffende bron verwijst Creytenborgh naar de woonplaats van de toenmalige eigenaar en niet naar de plaats waar de percelen lagen.

 

 

 

 

Naam:

 

Claes Paulusstreep

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Perceel nr. 2

Opmerkingen:

 

Genoemd naar Claes Pauwels van Gerwen die dit perceel in het midden van de zeventiende eeuw bezat.

 

 

 

 

Naam:

 

Cloot

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Die cloet in den Ham [BP1185-308v (1406)]

 

land den cloet int davelaar [Hs- (15191538)]

 

het cloetken, nederboekt [Hs- (1532)]

 

een stuck landt genaemt de clot (onder Eerde) [GSO-262 (1617)]

 

't clootken in de d'avell [GVE15-20 (1624)]

 

de clooot, in de collick [RAV157-101v (1694)]

 

het vierde part in de cluytiens (franckevoort) [GVE2-128 (1702)]

 

van de clootiens, havelt [GVE2-142 (1702)]

 

land aldaer de cloetjens (creytenborgh) [GVE12-234 (1778)]

 

de cloot, dorhout [GVIIE13 (1792)]

 

de clootjes, akart [GVIIE13 (1792)]

 

1 perceel bouwland genaemt de kloot, op het Beukelaar [N (1829)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Mndl. cloot, ablautend verwant met kluit betekent in de eerste plaats

klomp, kluit, bol, onder meer van aarde, klei, turf (M.Top.Neerpelt, -199). Kloot heeft

ook betrekking op een perceel dat rond is van vorm.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 5, 6

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Margrietenstreep

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Margrieten streep (heselaar) [GVE2-66 (1702)]

 

margrieta streep en hopveltje in de donkerstraet (creytenborgh) [GVEI2-315 (1777)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging op Krijtenburg onder Zijtaart en aan het hezelaar. Het eerste lid is

wellicht een genitief van de vrouwsnaam Margriet. Mogelijk ook benoeming naar

begroeiing met margrieten.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 3

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een eigenaress van vóór 1702.

 

Cornelissen plaatst de “margriete streep en hopveltje in de Donkerstraet” ten onrechte op Creytenborgh. In de betreffende bron verwijst Creytenborgh naar de woonplaats van de toenmalige eigenaar en niet naar de plaats waar de percelen lagen.

 

 

 

 

Naam:

 

Morgen

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Den morgen of den blauwen steen vechel aen den heeselar [Mrv92-110v (1773)]

 

de morgen [V.-]; C 331 (b: 1.00.60).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging op de Hoge Boekt of het Zeelstje. Landmaat die niet precies te

omschrijven is; eigenlijk zoveel land als met één span in een morgen kan worden geploegd

(M. Top. Bocholt, -167).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 10

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Morgengraef

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De morgengrave [RAV161-85v (1770)]

 

land aen den blauwen steen den morgengraaf [GVE12-76 (1778)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging op de Hoge Boekt of het Zeistje. Benoeming naar de ligging nabij een

waterloop de morgengraaf ? Deze waterloop ontleent dan wellicht zijn naam aan de ter

plaatse gelegen morgen.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 11

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Rondveldeke

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Zijn ront veldeken neffen de straet in den d'avell [GVEI5-100 (1624)]

 

het rond veldeken (straat) [GVE2-73 (1702)]

 

de weg in de boektstraat lopende van de groote weg tot het rondveltje [GVIIB26 (1796)]

 

1 perceel weiland genaemt rondveld te veghel [N (1886)]; C 133 (w: 06.70)

 

rond veldje in de hemel [N (1894)]; B 1089 (b: 24.80).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Benoeming naar de vorm.

Ligging:

 

Perceel nr. 12

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Rydt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Te weten dat derde deel van de rijt [GVIE2 (1422)]

 

hoyvelt die ryth in die nederbiest [Hs- (1519-1538)]

 

twee stucxkens neffen de rijt in den d'avel1 [GVEI5-83 (1624)]

 

int reijtie (den biesen) [GVE2-285 (1702)]; de reydt, crekelhoff [RAVI59-157v (1752)]

 

de rijt [kad. (1832)]; C 461-472

 

de ryt [N (1876, 1882, 1883, 1884)]; C 471-472 (he: 7.09.50), D 108-109 (b en w: 74.10), 172 (b: 62.30), E 1049 (ho: 25.60) 790 en weg. (he: 5.83.10)

 

de rijdt [V.-]; B 404 (b: 56.80); de reytjes [V.-] B 1, 5, 6 (w: 95.50)

 

de rijt [V.-]; D 108 (b: 42.50); de rijtjes [V.-]; E 764-765 (b: 0.18.19; w: 0.20.50).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggend tussen de Heuvel en Blankenburg, tevens verspreid liggende percelen.

Wellicht benoeming naar de ligging aan een rijt "waterloop" (M. Top. Valk.-219).

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Er zijn bij rijt diverse oudere varianten denkbaar zoals ret, retten, rit, ride en de diminutieven rijtke, reitke, rie(t)ke en retke. Het is mogelijk de meest voorkomende waternaam geweest afgeleid van het germ. * ridha = beek, waterloop.

 

In veel gevallen komt ‘rijt’ voor als benaming van landerij­en; de naam van het water is overgedragen op het aangrenzende land. Dit getuigt van de ouderdom van de naam. De pri­maire betekenis is kleine waterloop.

 

Volgens Beex zou een rijt vooral het dalvormig begin zijn van een beek, een soort kom­­vormige laagte.

 

Onder Alphen is de naam Rijt al bekend in 1295. Rijten waren al of niet gegraven waterlopen. Het is een soortnaam zoals bv. ven, goor, meer, broek en weijer. De rijten, goren en broeken hadden een regelende functie in de waterstand der riviertjes. Bij veel regen hielden ze veel water vast en bij droogte bleef het wegsijpelende water van de reservevoorraad voldoende om de riviertjes en beken stromend te houden.

 

Beex 1964:26; Buiks 1992:20; Molemans 1976:1334; v.Berkel & Samplonius 1989:153; Buiks & Leenders 1993 dl.2: 97; Buiks & Leenders 1993 dl.3:230.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 1

Opmerkingen:

 

De rijten in Veghel voldoen allemaal aan de beschrijving gegeven door Beex.

 

 

 

 

Naam:

 

Rijtloop, Rijdtgraeff

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Grenzend aan perceel nr. 1

Opmerkingen:

 

Waterloop beginnend in de daar gelegen Rijt. Het element –graeff duidt op een gegraven waterloop. Mogelijk is een natuurlijke loop deels recht getrokken.

 

 

 

 

Naam:

 

Rullenstreepkens

Vermeldingen door Cornelissen:

 

't Rullenstreepken [Mr1322-69v (1433)]

 

item noch een lopensaet lants geheyten 't rullen streepken gheleghen aldair tusschen erffenisse [LB-63v (1448)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging. Het eerste lid zal de genitief zijn van de persoonsnaam

v. Ruilen in de diminutief-vorm vgl. Wouter Wouters van Ruilen, 1447 (BP-133v).

Ligging:

 

Perceel nr. 2

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een eigenaar van vóór 1624.

 

 

 

 

Naam:

 

Streep, Streepkens

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende plaatsen in Veghel.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element ‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk, vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen.

 

(Buiks 1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman 1956:223; Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius 1989:174.)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 2, 3, 9, 12

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Souverijns acker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Perceel nr. 7

Opmerkingen:

 

Vermeld naar Sufferijn Peter Adriaan Goossens die het perceel in 1722 bezat.

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     Donkerstraat