D'Erpt - toponiemen

Naam:

 

Acker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert deze veldnaam op verschillende plaatsen in Veghel.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Akker betekende oorspronkelijk het gemeenschappelijke (cfr. gemene akker) landbouwland bij een nederzetting. Jonger is akker in de betekenis van “een perceel bouwland (uit deze complexen)”, vrijwel altijd in de vorm “bepalend bestanddeel + akker”, waarbij het eerste lid wijst op bezit, ligging, vorm, teelt, enz.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

De oudste vermelding van ‘akker’ komt voor in het Fragmentum Bladiniense uit de 9e eeuw. Akker wordt geïnterpreteerd als: bouwland behorend bij de dorpsgemeenschap. Deze omschrijving slaat op de bekende dorpsakkers c.q. gehuchtakkers. Ook is gedacht aan de betekenis van ‘het omheinde veld’. Er wordt een verband verondersteld tussen frequentie van akkernamen en bevolkingsdichtheid in het oude Toxandrië. Volgens Molemans zouden akkernamen het meest voorkomen op de oevers van de Weerijs met de zijbeken en langs de Dommel. In de zuidelijke Belgische Kempen ontbreken ze, maar ze worden wel aangetroffen in Belgisch Limburg. Het dichtstbevolkte deel van Toxandrië zou het noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen en het aansluitend Nederlands territorium omvat hebben.

 

In de Baronie schijnen dorpsakkers en daarmee ook nederzettingen frequent te liggen langs Weerijs en Mark. Akker, kouter en es dekken aanvankelijk hetzelfde begrip, nl. het gemeenschappelijk ingesloten bouwland van een bevolkingsgroep.

 

In het oosten van Nederland kunnen twee hoofdgroepen in de bebouwingswijze onderscheiden worden, nl.: grote aaneengesloten akkercomplexen en kleine met bomen en akkermaalshout omgeven stukken akkerland in de vorm van ‘kampen’. Binnen de dorpsakkers waren geen heggen of wallen. De scheiding tussen de percelen moest met ploegvoren, scheikeien of bomen worden aangegeven. In Belgische toponymische studies over het zuiden van het oude hertogdom Brabant wordt regelmatig gesteld dat rond het gebruik van de dorpsakkers in de zgn. dorpskeurboeken regels waren opgesteld.

Akker­namen komen in de cijnskring Helmond frequent voor, zowel met voor- als achtervoegsels, met persoons-, flora- en faunanamen [redactie].

 

(Helsen 1952:127; Lindemans 1940-1954 dl.3; Gijsseling 1978, Buiks 1990:47; Helsen & Helsen 1978; De Vries 1958; Molemans 1977; Slicher van Bath 1944:2; Buiks 1983 dl.2:28)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 11, 24, 26

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Busselke

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert dit toponiem op meerdere plaatsen in Veghel.

Verklaring door Cornelissen:

 

Deze percelen zullen oudtijds met geboomte of kreupelhout begroeid zijn geweest of in de nabijheid van dergelijke percelen gelegen zijn geweest. Bussele is diminutief van bos (M. Top. Valk.).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Het gaat hier over uit bos ontgonnen percelen. Na de middeleeuwen resteerde er weinig bos in Brabant. De ondergang van de bossen is toe te schrijven aan te intensief gebruik voor houtkap en bosweide en ontginningen voor agrarisch gebruik. Uit andere toponymische elementen blijkt dat er vroeger aanmerkelijk meer bos voorkwam, bv. de vele lo-, hout-, laar- en woud- namen. Het element ‘bos’ is vermoedelijk van later datum dan de eerder genoemde ontginningsnamen en behoort tot een jongere namenlaag. Het diminutief is ‘bussel’ of ‘busselke’, wat overi­gens eerder lijkt te verwijzen naar percelen hak­hout of ge­riefhout dan naar kleinere bosontginningen. ‘Bus’ is te beschouwen als een meervoudsvorm. Na de 13de eeuw gaat bos de oude elementen ‘lo’ en ‘hout’ min of meer vervangen. Het heeft oorspronkelijk meer betrekking op (laag) struikgewas. In het mnl. kennen we ‘bosch/busch’ = struikgewas, vnl. braambos en vlierbos, maar ook hoger geboomte.

 

Gijsseling 1954; Buiks 1969:69; Moerman 1956:40; de Bont 1993:86.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 7, 9. perceel nr. 7 heette het Voorste Busselke en nr. 9 het Agterste Busselke.

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

op d’ Erpt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Jan Willem Peters op eerpt [HH147-12 (1621-1691)]

 

Hendrick Willems op derp [GVE224 (1702)]

 

groes onder Vorstenbosch op erpt [GVE12-139 (1777)]

 

derpt [kad. (1832)]; B 1, 12, 13, 14 (w: 1.05.90; b: 32.60; hu: 01.10)

 

een huisje gelegen te Veghel op d'erpt, ter plaatse genaemt de Hoogakkers [N. (1845)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging in het grensgebied tussen Veghel en Nistelrode onder Vorstenbosch aan het Schuttersveld. De betekenis van dit toponiem is duister.

Verklaring door Beijers en Van Bussel

Derp, dorp: het centrale gedeelte van een nederzetting, de dorpskom, meestal het centrum rondom de parochiekerk of de plaats waar de bewoning het dichtst was.

 

Molemans 1976:274; Helsen 1978:40.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 5, 6, 10-14, 17

Opmerkingen:

 

De verklaring van Beijers en Van Bussel: “Derp = Dorp” is ongeloofwaardig, omdat het Veghsele Derp een samenvoeging is van “De Erpt” en bovendien ver van een of andere dorpskom gelegen is. Het suffix (de uitgang) “-t” wijst op een collectief, zoals bijvoorbeeld nog in “geberg-te”.

 

Dr. M. Gysseling, De oudste toponiemie van de Kempen in: Brabant Heem (1950) 102-107, gaat in op de betekenis van de plaatsnaam Erp. De oudste vermelding luidt Erthepe. Het suffix “-pe” brengt hij in verband met het germaanse “-apó”, wat op water wijst. In “Erp” ziet hij het Germaanse “erthó-“, wat “aarde” betekent.

 

Het is goed mogelijk dat de Vegelse veldnaam Erpt dezelfde verklaring heeft, maar dan met het extra suffix “-t”. De Hoge Akker was al voor 1190 in particulier handen, het betreft een heel oud akkercomplex. Dit zal de “aarde” of het bouwland zijn, waarnaar de veldnaam De Erpt verwijst. Het water kan de Leijgraaf zijn, Deze beek stroomde ten oosten van de Hoge Akker.

 

 

 

 

 

 

Naam:

 

Diependael

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Van den diependaal en het heyvelt [GVE2-24 (1702)]

 

een heyvelt den diependael [GVEI2-33 (1778)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging. Het woord "diep" kan in het Middelnederlands behalve de diepte ook de samenstelling van de bodem aanduiden. Het bekende liedje: "dan zijn de paadjes diep, ja diep", is hier een voorbeeld van. Hier betekent "diep" misschien "modderig, moerassig".

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel

Een diep kan een natuurlijk of gegraven water zijn, een geul in een water, afgeleid van het germ. * diub = die­pe of moerassige plaats. Waar dit element voorkomt in combinatie met ‘straat’ gaat het om wegen die lager liggen dan de onmiddellijke omgeving. Een dergelijke ligging kan ontstaan doordat de akkers langs de straat bolvormig zijn en iets hoger liggen vanwege hun zware esdek. Ook kan zo’n Diepstraat tussen twee wallen in liggen waardoor de straat relatief laag kwam te liggen. Diep duidt in het algemeen op laagte.

Moerman 1956:50; Buiks 1984 dl.9:26.

 

Dal- en daal-namen zijn reliëfnamen die wijzen op een depressie in het landschap. Meestal zijn het laaggelegen hooilanden die vanwege hun bodemstructuur bij regen makkelijk onder water lopen. Ze werden ‘dal’ genoemd omdat ze lager lagen dan de aangrenzende percelen. Overigens zijn er daal-namen die geen verwijzingsfunctie hebben naar depressies of bodeminzinkingen, maar verband houden met kloosternamen zoals bv. Catharinadal en Hertoginnedaal e.d. [redactie]. Later verschijnt het identieke begrip ‘del’ of ‘del­len’. Delberg, samengesteld uit dal + berg, is een stuifzandgebied met hier en daar een diep dal.

Moerman 1956: 56; Molemans 1976: 239; Buiks en Leenders 1993 dl.3: 234; Buiks 1988 dl.24: 23; Buiks 1990: 77.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 18

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Gerrit Poulusse Velt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Een groesvelt en geregtigheden gelegen in de creugestraat genaamt Gerrit Paulusse

velt, groot ontrent drie karren hoijgewas, een seijde de heijde van Veghel [RAV112-67

(1796)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging in de Kruigenstraat. Het eerste lid is een persoonsnaam.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 4. Perceel nr. 3 grensde aan het Poulusse Velt.

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Heufke

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De twee corte stueken 't hueftken genaemt [GVE15-16 (1624)]

 

het lant en groes int hoefken (Zontvelt) [GVE2-278 (1702)]

 

landt het huefke (straet zuydzeyde) [GVE12-346 (1777)]

 

het heufke [N (1838, 1861)]; B 640, 641 (b: 46.70), D 115 (St.Oedenrode) (b: 27.80).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Diminutief van hoef (hoeve).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 15

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

aen de Heyde

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Dat gelden Aert Claeus kynder aan die heij [GVIE2 (1437)]

 

huis in loco dicto aen die heye den langen ecker in loco dicto henneberch [Hs- (1519-1538)]

 

aen den hertgang de hey [GVE12-1 (1778)]

 

landt over 't heyke, 't campke [GVE12-30 (1778)]

 

de heide [kad. (1832)]; D 361 (b: 10.50) (St.Oed.). de hei, de heide, het heike [N (1886, 1891, V.]; B 171 (he: 9.46.20), C 5, 6 (w: 59), 399 (he: 19.72.30), E 638-640 (w: 55.40; hu: 57.00; de: 1.70.00), 692 (he: 14.72.50), 694 (he: 15.61.40), 1532, 1533 (he: 3.45.20), F 465

(he: 20.63.51).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Hei, heide werd meestal gebruikt ter aanduiding van het tegenwoordige Mariaheide, maar ook voor het heidegebied (vroeger van St.Oedenrode) zuidelijk van Eerde, en evenals "heike" voor percelen ontgonnen heide. Anno 1832 kende Veghel nog uitgestrekte onontgonnen heidegebieden: Hogerduinen, Beukelaarsbroek, het Reibroek onder Zijtaart, het Dubbele tussen Eerde en Veghel, het Wuiten en het Vensbroekje nabij Vorstenbosch en nog verscheidene kleinere gebieden. De Veghelse heiden zullen meestal laaggelegen geweest zijn. Zoals elders in de Kempen, is heide de gangbare benaming geworden ter aanduiding van de, meestal met heide begroeide, gemeentelijke gronden, die zeer uitgestrekt waren. Andere namen ter aanduiding van deze gemene gronden zijn Aard (zie Eerde), Gemeente en Vroente.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Achter elk gehucht lag destijds een uitgestrekte gemene vroente, aard of veld, die in Brabant meestal wordt aangeduid met ‘gemeynt’. Later werd ‘heide’ de gangbare benaming voor deze omvangrijke gemeenschappelijke velden, begroeid met droge heide [Erica] of met dop- of hommelheide, de natte of platte heide. De heidevelden hadden een economische betekenis voor de locale agrarische bedrijfsvoering. Ze dienden als weideplaats voor koeien en schapen geleid door een door een buurtschap aangestelde herder of scheper. De ingezetenen mochten op de heide turf steken, plaggen maaien en leem uitgraven voor de huizenbouw. De talrijke vennen deden dienst als rootputten of als visvijver. Er werd honing gewonnen door het plaatsen van bijenkorven. Regelmatig werden stukken van de gemeynt aan particulieren verkocht.

 

De heidevelden, de onontgonnen gemeenschappelijke grond, was begroeid met heidestruiken en andere lage vegetatie. In Brabant was het de naam voor de gronden met een typische flora en fauna: struikheide op de droge gronden, dopheide op de wat nattere heide­gronden samen met gagel, jeneverbes en brem. Na ontginning kon heide ook een perceel bouwland aanduiden dat door middel van een omheining van levend hout uit de zgn. ‘gemene heide’ werd geïsoleerd.

 

Enklaar 1941; de Bont 1993:93; Molemans 1976:338; Spierings 1984:31,32,225,226. ; Berkel & Samplonius 1989:106; Mennen 1992:53; Buiks 1990:­103; Helsen 1978:119.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 5, 6, 10, 17, 25, 28, 29

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Heyvelt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Benaming voor vele verspreid liggende percelen.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Perceel nr. 16

Opmerkingen:

 

Met heide begroeid perceel.

 

 

 

 

Naam:

 

aen de Hooge Heijde

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Het campke, hoge heyde [Hs- (1662)]

 

uyt huijs en hoff gelegen aan de hooge heyde off brederse heyde [HH163-9 (1714-1783)]

 

de hooge heide [kad. (1832)]; B 303-350.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging onder Mariaheide aan de oostzijde van de Lage Heide. Benoeming naar de

ligging te opzichte van de Lage Heide.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 5-8, 12, 13, 22

Opmerkingen:

 

Voor een bespreking van de ligging van de Hoge en Lage Heide, klik hier.

 

 

 

Naam:

 

Kleynveldje

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Het kleinveld [N (1864, 1877)]; A 265 (w: 37.00), B 803 (w: 61.40); klein veld [V.-]; F

1104-1105 (w: 18.60).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Benoeming naar de oppervlakte.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 7

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Creugestraat

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Groes aen de creugestraet [GVEI2-33 (1778)]

 

creugherstraat, havelt [GVIIE13 (1792)]

 

de kruigestraat [kad. (1832)]; D 340-369

 

de kreugestraat [N (1839)]; D 362-371 (hu.,schu., erf, b en w: 3.64.00)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied nabij het Havelt. Het eerste lid is wellicht 'kruigen" dialect voor "kruiwagen".

 

Ligging:

 

Percelen nrs. 2 en 4 grensden aan de Creugestraat

Opmerkingen:

 

Deeze straatnaam kwam in Veghel op twee plaatsen voor, op het Haveld en op d’ Erpt.

 

De verklaring van Cornelissen overtuigt niet. Het is moeilijk om een kruiwagen met deze weg in verband te brengen. De weg lijkt niet zo smal dat die alleen met een kruiwagen begaanbaar was.

 

 

 

 

Naam:

 

aen de Leege Heyde

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Leege hey [Hs- (1664)]

 

de leegh hey bestaet in 23 huyssen ende begint in den buender genaemt den junger aen muylengraeff is toegemeten yder 4 roeden [GVIIB28 (± 1700)]

 

van eenen acker aen de leeg heyde [HH163-4 (1714-1783)]

 

lege hei [Mh- (1954)]

 

de lage heide [kad. (1832)]; B 351-393; [N (1843)]; B 409-415 (hu: 09.10; mo: 03.42; w:

89.60; b: 1.64.30).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied onder Mariaheide aan de noordzijde van de weg naar Uden, ongeveer vanaf de kerk oostwaarts tot aan de Beekgraaf vlakbij het gedenkteken. Benoeming naar de ligging. Ten oosten van dit gebied begint het niveau van de bodem te stijgen. (Uden ligt aanmerkelijk hoger dan Veghel)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1, 19, 21, 23

Opmerkingen:

 

Voor een bespreking van de ligging van de Hoge en Lage Heide, klik hier.

 

 

 

Naam:

 

Nieuwveld

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Het nyvelt, heyde [GVIIE13 (1792)]

 

het nieuwveld [N (1838, 1848, 1861, 1888)]; B 729-731 (w: 1.27.00), D 933 (b: 68.30), 1010 (b: 27.50), E 780 (w: 21.20), F 186, 187 (b en w: 1.17.40), 453 (b: 66.20)

 

't nieuwe veld [V.-]; A 869 (verk.) (b: 16.94.00); nieuw veld [V.-]; F 288 (b: 67.60), 458-459 ged. (he: 26.06.80).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Benoeming naar het (recente) tijdstip van ontginning.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 2

Opmerkingen:

 

Dit perceel werd in 1791 van de gemene gronden gekocht.

 

 

 

 

Naam:

 

Nootevelt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Het nooteveldeken (doorenhoek) [GVE2-219 (1702)]; nootenvelt in valstraat [RAV159103 (1746)]; het notenveldje [N (1883)]; E 392 (b: 43.20).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging in het Keselaar onder Zijtaart, tevens aan de Doornhoek onder Zijtaart (mogelijk hetzelfde perceel). Het eerste lid zal een persoonsnaam zijn vgl. Johannes Hendrikus Noten, 1869 (Kl.Bev. V.).

 

Ligging:

 

Deel van perceel nr. 11

 

Opmerkingen:

 

Het Nootevelt op d’Erpt is door Cornelissen niet opgemerkt.

 

 

 

 

Naam:

 

Rydt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Te weten dat derde deel van de rijt [GVIE2 (1422)]

 

hoyvelt die ryth in die nederbiest [Hs- (1519-1538)]

 

twee stucxkens neffen de rijt in den d'avel1 [GVEI5-83 (1624)]

 

int reijtie (den biesen) [GVE2-285 (1702)]; de reydt, crekelhoff [RAVI59-157v (1752)]

 

de rijt [kad. (1832)]; C 461-472

 

de ryt [N (1876, 1882, 1883, 1884)]; C 471-472 (he: 7.09.50), D 108-109 (b en w: 74.10), 172 (b: 62.30), E 1049 (ho: 25.60) 790 en weg. (he: 5.83.10)

 

de rijdt [V.-]; B 404 (b: 56.80); de reytjes [V.-] B 1, 5, 6 (w: 95.50)

 

de rijt [V.-]; D 108 (b: 42.50); de rijtjes [V.-]; E 764-765 (b: 0.18.19; w: 0.20.50).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggend tussen de Heuvel en Blankenburg, tevens verspreid liggende percelen.

Wellicht benoeming naar de ligging aan een rijt "waterloop" (M. Top. Valk.-219).

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Er zijn bij rijt diverse oudere varianten denkbaar zoals ret, retten, rit, ride en de diminutieven rijtke, reitke, rie(t)ke en retke. Het is mogelijk de meest voorkomende waternaam geweest afgeleid van het germ. * ridha = beek, waterloop.

 

In veel gevallen komt ‘rijt’ voor als benaming van landerijen; de naam van het water is overgedragen op het aangrenzende land. Dit getuigt van de ouderdom van de naam. De pri­maire betekenis is kleine waterloop.

 

Volgens Beex zou een rijt vooral het dalvormig begin zijn van een beek, een soort komvormige laagte.

 

Onder Alphen is de naam Rijt al bekend in 1295. Rijten waren al of niet gegraven waterlopen. Het is een soortnaam zoals bv. ven, goor, meer, broek en weijer. De rijten, goren en broeken hadden een regelende functie in de waterstand der riviertjes. Bij veel regen hielden ze veel water vast en bij droogte bleef het wegsijpelende water van de reservevoorraad voldoende om de riviertjes en beken stromend te houden.

 

Beex 1964:26; Buiks 1992:20; Molemans 1976:1334; v.Berkel & Samplonius 1989:153; Buiks & Leenders 1993 dl.2: 97; Buiks & Leenders 1993 dl.3:230.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 7-9

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Schuldersvelt, Schildersvelt, Schuttersveld

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Tegen schuldersvelt aan de laage hey [GV (1790)]

 

een groesvelt, houtwasch en geregtigheden alhier opt erpt nevens schuldersvelt gen't het heijvelt [RAV112-69v (1796)].

 

Het schuttersveld [kad. (1832)]; B 1-32.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Schuldersvelt: Onbekende ligging aan de Lage Hei onder Mariaheide en Erpt.

 

Schuttersveld: Gebied liggende aan de uiterste noordelijke punt van de gemeentegrond, ten noordoosten van het Ven. Vermoedelijk heeft hier een schuttersgilde zijn activiteiten gehad (M. Top. Overpelt, -313) schuttersboomveld, veld "perceel bouwland" gelegen bij de schuttersboom.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1, 4, 21-24, 26, 27. Waarschijnlijk ook nr. 19, 20 en 25. Perceel nr. 28 grensde aan het Schuldersvelt.

 

Opmerkingen:

 

Schuttersveld is een latere vorm of verbastering van Schuldersvelt, die voor het eerst opduikt in het maatboek van 1792. Deze naam heeft hier niets met een schuttersgilde te maken. Ook de variant Schildersvelt komt voor in de bronnen. Vermoedelijk genoemd naar een voormalige eigenaar.

 

 

 

 

Naam:

 

Stouwenslant

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Perceel nr. 20

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een voormalige eigenaar.

 

 

 

 

Naam:

 

Streepkens

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende plaatsen in Veghel.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element ‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk, vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen.

 

(Buiks 1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman 1956:223; Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius 1989:174.)

 

Ligging:

 

Perceel nr. 20

Opmerkingen:

 

-

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     D'Erpt