Foto's Huizen Kroniek

Kroniek van het jaar 1944

Filmpje over operatie Market Garden in September 1944

Foto's en bericht van Marc van den Berkmorel d.d. 21 en 31 december  2010  



Enkele foto's van een munitiekist uit de Tweede Wereldoorlog, achtergebleven op Pastoor Clercxstraat 14 na de oorlog. Een dergelijke kist bevatte 24 granaten, 40 mm. voor het zogenaamde Bofors Anti Aircraft Gun. Deze projectielen waren Q.F. (quick firing, tot 120 projectielen per minuut) en H.E. (high explosive, deze moesten ook ontploffen in de lichte metalen van de vliegtuigen).

Een dergelijk wapen heeft gestaan op het perceel gelegen tussen waar nu Hein Vogels woont en de varkensstal van Adriaan van de Tillart aan de Hemel. Dit was toendertijd een boomgaard van Janus van de Ven (later Cor van de Ven).

Annie Van den Berkmorel - Timmers herinnert zich: "Dat jaar gingen we naar dit perceel aan de hemel. Daar gingen we zakken halen met lange staven. Deze staven gebruikten we om de kachel mee aan te maken. Deze bleven lang branden en waren daardoor voor dit doel uitermate geschikt."


Het gaat hier om een zogenaamde kardoeskoker of kardoeszak. De grote kanonnen gebruikten geen huls om een granaat af te schieten maar een zak met lange kruitstaafjes (lijkt op een soort dikke spaghetti). Soms bestond de inhoud van een huls ook uit zo'n zak. Dit is echter geen fosfor maar cordiet. Cordiet of Cordite N brandt inderdaad goed, maar ontbrandt niet spontaan als het in aanraking komt met zuurstof zoals fosfor.

 
Gesprek van Marc van den Berkmortel met Tijn en Mien van den Tillaart op 13-2-2011  

Mien en Tijn herinneren zich beide nog de duitse les, die ze op de lagere school kregen. In Zijtaart gaf Zr. Theodrika les aan de klassen 5, 6 en 7. De 7e klas kreeg verplicht 3 uur per week duitse les. Dit deed Zr. Theodrika natuurlijk met tegenzin, maar het moest. Veel duits werd er daarom ook niet geleerd, als het maar niet ‘stonk’ als er controle was. Ze weet nog wel dat ze een halfvol geschreven schrift van Toos Bosch moest overnemen. In die tijd was er een tekort aan alles en een niet volgeschreven schrift werd niet weggegooid. Tijn kan zich alleen nog Ein Maus, ein Maus in unserem Kornhaus herinneren. Ongetwijfeld een stukje landbouwonderwijs om de ongediertebestrijding te promoten.

Mien van de Ven herinnert zich ook nog de schilderijen van Mien van den Tillaart (van Hoeve Corsica), die in de gang van het klooster hingen. Ze heeft eens verzucht: ‘Was ik maar Mien van den Tillaart, dan kon ik ook zo mooi schilderen’. Ze had toen eens moeten weten, dat ze door de trouwen met Tijn van den Tillaart zo zou gaan heten...

 

Doc. GAvB.   Hoewel de 'Straat' van Zijtaart al in 1920 van electriciteit was voorzien, waren de boeren van 'Achter Zijtaart' (nu Leinserondweg) in 1944 nog verstoken van deze voorziening. In 1944 namen de inwoners van deze buurtschap zelf het initiatief. Op 8 januari 1944 gaven in eerste instantie zich 10 gezinnen op voor aansluiting op het electriciteitsnet. Twee dagen later werd er over vergaderd bij Bert Vervoort, alle voordelen en kosten werden besproken. Zo moest er elk jaar een bijdrage geleverd worden voor onderhoud, zoals reparaties en carbolineum voor de palen. Twee gezinnen trokken zich toen terug, acht gingen door. Op 12 januari 1944 werd een comissie benoemd die de plannen verder moest uitwerken. In die comissie hadden Martien van Boxmeer, Bertus Brands en Graard van Boxmeer zitting. Al op 22 januari 1944 werden de eerste lichtpalen gezet. Twee palen waren 13 meter hoog om over het Duitste telefoonnet heen te kunnen. Deze palen moesten zo hoog zijn om storing van de telefoon te voorkomen. In plaats van koper werd ijzerdraad gebruikt, wat nogal wat spannings- en vermogensverlies opleverde. De draad, die geleverd werd door Klomp Buters, werd deels zwart betaald en deels wit met boter- en eierbonnen. De bedrading binnen werd aangelegd door Jan van Himbergen. In juni 1944 was het werk voltooid. Men gebruikte veelal 40 Watts lampen en beperkte het aantal lichtpunten. Ook moest afgesproken worden wie wanneer het wasmachine aanzette. Het was bijna niet mogelijk dat twee buren tegelijk wasten. Dit gaf hier en daar wat irritatie. Het noodnet bleef tot 1951 in gebruik.

*Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 158-159; foto's: collectie Liesbeth Vissers - vande Tillaart: boven: Irma, onder Bert Meijer met Irma.  

Enkele maanden na het drama met Fientje eind 1943 komt er via koerierster Gré van Dijk een joods meisje van anderhalf jaar bij de familie van de Tillaart (Hoeve Corsica). Aan Bertha van de Tillaart wordt gevraagd of zij een adres kon vinden voor het kindje. Bertha durfde niemand te vragen, vooral omdat in Zijtaart iedereen, die bereid was te helpen al wel een onderduiker had. Bertha krijgt van thuis toestemming om Irma op te halen bij het station van Veghel. Gré van Dijk bracht het meisje en Bertha zette het in een mandje achter op haar fiets en nam het kindje mee naar huis. Berta vertelt: “Voor de buren was zij een Rotterdams meisje, dat geen ouders meer had; voor vreemden was zij mijn dochtertje. ’t Was een heel lief meisje, dat eigenlijk Selma de Windt heette, maar die wij Irma noemden. Na de oorlog heeft een tante van haar Irma teruggehaald.” Met pijn in het hart staat de familie Van de Tillaart en vooral Bertha na de oorlog het meisje af. Sedertdien is het contact behouden gebleven.

Na Irma arriveerde een onderduiker uit Amsterdam, Bert Meijer. Hij zal tot na de bevrijding van ons land blijven. Bovendien verbergt men op Hoeve Corsica enige tijd een meisje, genaamd Stientje Keizer en vervolgens Alie Heemskerk, ook uit Amsterdam. Dit allemaal, ondanks het feit, dat de schrik er goed inzit na het ophalen van Fientje. Constante spanning en angst voor iets onverwachts beheerste het leven op Hoeve Corsica. Bertha van de Tillaart herinnert zich verder: “Van alle onderduikers in de buurt kwam er dikwijls een stel ’s avonds naar ‘Radio Oranje’ luisteren. Aangezien het toestel in de zolder boven aan de trap was ondergedoken, lagen wij ooit met tien man op de trappen naar boven. Ook waren er verschillende Joden ondergedoken in Uden, die door onze verzetsmensen van bonkaarten werden voorzien. Nadat een hele tijd Van de Hoogenhoff dat gedaan had, maar bang was dat het in de gaten liep, heb ik dat verder gedaan. Je zat wel voortdurend in spanning na het ophalen van Fientje.”

Herinneringen van de kinderen van Bakel in de jaren tachting door Jan van Bakel in Canada op schrift gesteld, collectie Mari Brugmans.   Ook bij Frans van Bakel op Zondveld verbleven tijdens de oorlogsjaren onderduikers. Dat waren Willy en Maria Bressers, hun zoon Adrie en het zusje van Maria, Edith, ze kwamen allemaal uit Eindhoven. Er was een stel uit Eerde en een gezin uit Veghel. Deze mannen moesten in Duitsland gaan werken en waren gelukkig dat ze voor ons op de boerderij konden werken. Ze kregen hun maaltijden en een bed in een schuilplaats. Een paar van deze mannen waren Harry Bos en Henk Nieboers. Het was een gevaarlijke taak om deze mannen in huis te nemen, want de Duitsers kwamen regelmatig controleren en als ze onze bezoekers ontdekt hadden, hadden ze vader naar een concentratiekamp kunnen sturen.

 
De documenten zijn van Ties Habraken, die op 19 juni 2007 vertelde.   1944 Oorlog doc a.jpg (292544 bytes)1944 Oorlog doc b.jpg (459462 bytes)Eind januari 1944 kreeg Ties Habraken een oproep om naar Duitsland te gaan werken. Ties: "Ge kunt wel gaan, maar ge weet nie wat ge kloar makt. Ge weet nie of ge terug komt."

Ties dook een paar maanden onder bij buurman Cor van Berkel, totdat er een Ausweis voor hem geregeld was. Andere jongens uit Zijtaart zijn wel in Duitsland gaan werken. Ties: "Gerard van Willem Kremers ging naar Duitsland werken. Hij kwam terug met een Duitse vrouw en met een kleine, Wim. Willem Kremers was helemaal niet blij met zo'n vreemde troela. Het is allemaal wel heel goed gegaan naderhand, maar toen wist Willem niet wat ie moest doen. Hij was wel blij dat Gerard weer terug was, maar hij wist niet wat hij aan die meid had. Gelukkig woonde ie in een dubbel huiske met twee woninkskes. Daar is Gerard toen bij in gaan wonen. Daar hebben ze toen een tijdje samen gewoond."

Gesprek met Piet van de Tillaart (Hoeve Corsica) op 28 juni 2007.   Piet van de Tillaart: "Op een gegeven moment kreeg ik een oproep om naar Duitsland te komen werken. Ik dook direct onder. Ik sliep achter ons huis in een oud schuurtje met een strooien dak. Daar zat een vlondertje in en ik sliep daar boven op. Onze vader nam contact op met Billeveld, Hekellaan 6 in Den Bosch. Hij bracht steeds boter en eieren voor die man mee, en vroeg of ik geen Ausweis kon krijgen en vrijstelling om naar Duitsland te gaan, omdat ik thuis onmisbaar was. Dat heeft maanden geduurd, toen was het geregeld."

Doc. GAvB.   22 februari 1944: 'De petroleum was zeer schaars, al was die op de bon. In het zwart kostte die per liter fl. 3,--'.

Gesprek met Sjaan Schepers - van Nunen op 9 juni 2008.   In 1944 ging ik in Veghel op de Leest dienen. Daar kreeg ik altijd soep zonder ogen, en erpel met ogen. (Soep zonder vet en aardappelen met de pitten er nog in.) Ik kreeg er twee gulden per dag, dat was goed betaald.

Doc. GAvB.   Op 8 maart 1944 werd vliegveld Volkel gebombardeerd en op 19 maart 1944 moesten veel boeren met paard en kar daar naar toe om gaten dicht te maken.

Interview met Johan van Sleeuwen op 1 maart 2007.   Johan van Sleeuwen en zijn broer Bert gingen niet naar Volkel om er te werken. De Duitsers kwamen werkweigeraars ‘oplaoien’. ’s Nachts sliepen de twee daarom niet thuis. Tussen hun ouderlijk huis (later adres Zondveldstraat 11) en Jekschot, in ‘de Buunders’ had hun vader een veewagen staan. Daar sliepen ze toen in.

Doc. GAvB.   Aantekening van Gerard van Boxmeer over de zomer van 1944: 'Achter de schop (stond) heel de weide onder water. Ook het steegje en hof voor het huis diep onder water, een ruiter bonen (stond) tot aan de bonen in het water. Bij H. van de Ven stond het water tot aan de schuurdeuren. Bij Antoon van de Linden stond heel de weg onder water. Bij ons dreven de planken door de groep. De hof voor het huis stond 50 cm onder water. Men zegt dat het de natste zomer is sedert 1870.'

 
Verteld door Janus en Dina van Nunen op 15 april 2007.   "Dokter Kersemakers kwam bij ons aan, met zes vrouwen van de militaire politie. Kersemakers zei: “Ik durf niet in Veghel te blijven.” Hij had ook zijn eigen vrouw bij. Een van hun mannen, Jan Gras, een hoge baas, is later nog vaak bij ons geweest. Vier van die vrouwen waren in verwachting. De zijn naar Jan van de Linden gegaan, diens vrouw was ook in verwachting. Dokter Kersemakers wilde de kelder zien. Hij liet zandzakken aanbrengen voor het keldergetroalie (kelderraam). Hij zei: “We moeten er een aks en een schop inleggen, zodat we ons weer uit kunnen graven als dat nodig is.” We hadden ook een schuilkelder, maar die zag hij niet zo zitten, daar durfde hij niet in. Berta van Doorn kwam in die tijd bij ons. Er was een parachutist gevallen en die was gewond. Kersemakers wilde niet meekomen. Berta zei: “Dat kun je niet maken, je moet komen helpen.” Uiteindelijk is hij toch gegaan. De Engelse parachutist is toen naar Erp naar Harry Otten gebracht, en vanaf daar verder naar Engeland.

 
Verteld door Janus van Nunen op 15 april 2007.  

"Piet van de Linden had in Eindhoven een motor gesjacheld, geruild tegen bonnen en zo, een Norton. Hij vroeg: “Janus durfde gij er het eerst op te rijden. Ik zal wel zeggen hoe ‘t moet. Ge hoeft ditte mar los te laten en dan gaat ie.” Ik reed drie vier rondjes door het veld. Piet durfde het toen ook. Onze Johan durfde niet. Piet: “En durfde naar jullie huis te rijden.” Ik ben toen over het karrespoor naar ons huis toe gereden.

De ondergrondse, dat was toen Jan van Loo, die zat toen op Zijtaart, die wilden de motor vorderen om de Canadezen te helpen, maar Piet wilde zijn motor houden. Piet ging de motor een eind in de grond begraven en er aardappellof overheen gooien. Toen we daar mee bezig waren, kwam er een klein vliegtuigske overgevlogen en die draaide met een scherpe bocht over ons heen. Onze Johan had zijn goei kleren voor de kerk nog aan en schoot met zijn kleren door de prikkeldraad. Maar hij vloog weer door. Wat later kwam de ondergrondse de motor halen.“Dat kun je niet maken, wij moeten de Canadezen helpen. Wij moeten de oorlog winnen,” zeiden ze. Piet heeft hem toen maar laten vatten. Piet heeft er nooit niks meer van gezien en er niks voor teruggekregen."

 

Doc. GAvB.   5 juli 1944: 'Engeland bombardeerde Volkel, 's-Hertogenbosch, Boxtel en Eindhoven.'

 
Verteld door Piet van de Tillaart (Hoeve Corsica) op 28 juni 2007.  

Piet: “Het vliegveld Volkel was gebombardeerd. Dat was al een keer eerder gebeurd, maar dit keer was het veel erger. Wij moesten er naar toe komen om de om kraters te dichten. Wij hadden twee paarden, maar als je een bewijs had van de rijksveearts dat de paarden dragend waren, dan hoefden de paarden er niet heen. Die veearts was dokter Bussemakers, hij woonde in de NCB laan. Hij dronk nogal veel. Ons vader ging er naar toe met een fles drank en onze paarden waren meteen dragend. Bussemakers schreef een briefje en onze paarden waren vrijgesteld.

Onze Theo en ik moesten wel naar Volkel toe, om er te gaan werken. Ik gaf op, dat ik voerman was. Toen kreeg ik het goed. Ik moest een ossenkar met twee grote houten wielen besturen. Ik denk dat de Duitsers die kar in Polen of zo gevorderd hadden. Hij werd getrokken door twee luie ossen. Daar heb ik plezier mee gehad, ik moest wel een paar minuten roepen, voordat die beesten aankuierden. Op een afstand kon je bijna niet zien dat de kar vooruitging. Maar wel sterk, die beesten.

Op een keer stond ik met de kar helemaal achteraan de startbaan bij de bossen, terwijl wel zo’n 40 man de kar met zand aan het laden waren. Plots klonk het alarm, een luchtaanval. Alle boeren renden hals over kop naar de bossen, weg van de barakken, want daar zouden bommen kunnen vallen. Als je al die mannen met hun karren over de startbaan zag vluchten, het was net Ben Hur. Dat ging met geweld.

Op zekere dag was onze Theo de kar mee af aan het laden bij een bomkrater vlak bij de barakken. (Theo was toen 17 jaar.) Hij ging in de put, omdat het zand onderin niet goed zat. Een mof stond er te commanderen dat het niet goed was, en onze Theo moest uit de put komen en de mof ging toen zelf in de krater. Onze Theo gooide toen een volle schep zand bij die Mof in zijn nek. Hij deed verschrikkelijk lelijk, die dikke mof. “Wer hast das gemacht!!” Niemand zei iets. Het bleef doodstil… Niemand verraaide onze Theo. Sommigen waren als straf een paar dagen zonder eten in een bunker opgesloten. Eentje had er een keer een potje vet op zak. Dat mocht niet, die ging toen de bunker in. Ik zie hem nog op een kist staan die dikke mof. ‘s Avonds als we afgewerkt waren, dan had hij onze Ausweisen in zijn hand en dan riep hij vanaf die kist onze namen af: “Petroes!! Lambertoes!! Van Den Tillaart!!”

 

Doc. GAvB; Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), verliesregister 1939-1945.   

 20 en 21 juli 1944: 'Zeer veel vliegtuigen in de lucht, op veel plaatsen werd gebombardeerd.'

Datum

21 juli 1944

Tijd

01.35 ’s Nachts

Plaats van crash

Veghel (weg Veghel-Uden)

Vliegtuigtype

Lancaster

Vliegtuig nummer

ME691

Eenheid

Squadron 75

Eerste vlieger

P/O H. Whittington



 

Verteld door Janus van Nunen op 15 april 2007; informatie ove de Crash: Marc van den Berkmortel (Horst) en Toon Verbakel (Volkel)  

De precieze datering van het volgende verhaal is nog niet bekend. Toon Verbakel uit Volkel denkt aan een verband met de volgende crash.

 

Datum

25 juli 1944

Tijd

00.30 uur ’s nachts

Plaats van crash

Veghel (weg naar Erp)

Vliegtuigtype

JU 88R-2

Vliegtuig nummer

751086

Eenheid

8./NJG 2

Eerste vlieger

Uffz. H. Wieden


Dit toestel kwam neer langs de straatweg Veghel-Erp, nabij het pompstation van de W.O.B. Het was voor een nachtjacht opgestegen van Fliegerhorst Volkel (25-7-1944 te 00.30 uur) en kwam al vlug na de start in moeilijkheden. Wieden was de enige gesneuvelde en werd begraven op het Ehrenfriedhof te Orthen-'s-Hertogenbosch en op 16-11-1949 overgebracht naar Ysselsteyn - graf CE.2-37. Twee bemanningsleden (Uffz. Wallner en Ogfr. Stomke, resp. Bordfunker en Schutze) overleefden.

"‘We lagen in de bedstee op bed. Er werd geroepen. “Wat hoor ik toch,” zei ons moeder. Even later werd er op het venster gebeukt. Ik ging naar voordeur met een kaars. Ik deed de ketting op de deur, en toen de deur een stukje open. “Offen machen!”  Een Duitser stak zijn pistool door de deur. Ik deed de ketting eraf. “Licht an!”  Ik zeg tegen onze Johan: “Doe de bromolielamp aan.” Ik was bang, want we hadden naar de Engelse zender geluisterd en dat was verboden. Toen zag ik iets in de boomgaard. Een parachute. “O, parachute,” zei ik. “Ja,” knikte hij. Ons moeder zei: “Goddank dat je goed geland bent.” En ze ging in de weer om hem wat melk te geven.

Hij was wezen bombarderen in Engeland en neergeschoten. Er waren er nog drie meer geland in de buurt. Hij wilde opbellen naar de Wehrmacht. Hij vroeg om paard en kar. “Telefonieren.”  Het was om kwart over 3 ‘s nachts. We hadden de parachute binnen in de hert gehaald. Hij keek in de Spiegel. Hij had een wond op zijn lip. Ik zeg: “Johan vatte gij de transportfiets, dan breng ik hem naar Piet van de Hurk.” “Diechtbei,” zei ik, en ik hield mijn handen kort naast elkaar, om dat uit te beelden. “Diechtbei. Fahrad.” Ik kende een paar woordjes Duits. “Jawohl,” zei hij. We mochten de parachute niet houden, die moest mee. We liepen allebei te voet, de parachute voor op de bakfiets.

Om half vier klopte ik bij Piet van de Hurk op de deur. Piet sliep boven. “Janus, bende gij het.” “Ja. Ik heb hier een Duitse parachutist, die moet de telefoon hebben.” Piet deed open. De Duitser trok meteen weer zijn pistool. Hij vertrouwde geen man. Maar Piet die kon goed praten, die zei: “Kom maar mee.” De Duitser heeft toen de Wehrmacht gebeld. Piet zei: “Ik werk het wel met hem af. Ga maar gerust naar huis.”  ‘s Morgens ben ik nog naar Piet wezen horen. Die nacht waren er nog twee meer bij Piet aangekomen. Ze waren hen vanuit Den Bosch op wezen halen.”

Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 159.   Op een gegeven moment werd er in de vroege morgen om kwart over vijf hard op de voordeur gebonst van Hoeve Corsica. Dochter Bertha van de Tillaart was ineens klaar wakker. Bertha: “Ik haalde de verduistering voor het raam weg, opende het raam en keek neer op vijf petten. Iemand riep: “Kan die deur niet open!” Ik zei: “Jawel, ik kom.” Ik schoot gauw iets aan, pakte het joodse meisje Irma uit haar bedje en stopte haar diep onder de dekens bij mijn zus in bed, wat natuurlijk toch niet geholpen zou hebben, als ze haar gezocht hadden. Ze kwamen voor mijn broer Piet, die in Duitsland moest gaan werken; die mocht thuis blijven wegens onmisbaarheid op de boerderij. Toen dat in orde bleek, vertrokken zij weer. Bert Meijer, de onderduiker, doorslapend in het achterhuis en Irma boven in bed, maar de schrik had ons goed te pakken.”

Gesprek met Piet van de Tillaart (Hoeve Corsica) op 28 juni 2007.  

"Op een zomeravond sloegen onze twee waakhonden aan. Een van die honden deed zo lelijk. Onze vader eruit en hij ging door de staldeur naar buiten. Daar stond "De Kin" uit Veghel. Zijn echte naam is Van Bussel, hij was een zoon van de bakker. Die heulde met de Duitsers. De Kin had de Gestapo meegebracht en ook Schuurmans, een politieman uit Eerde. De Kin zei: “Roep de hond terug of ik schiet ‘m kapot.” Ons vader riep de hond terug en twee man liepen recht naar boven om mij uit bed te lichten. Ik werd naar beneden geduwd om voor de Kin te verschijnen. ”Ik heb een Ausweis,” zei ik. Dat geloofde hij eerst niet. Maar toen hij het zag en dat ik vrijstelling had gekregen, veranderde zijn houding als een blad aan de boom.

Toen zei De Kin: “Ik moet die hond hebben.” Dat was een Duitse herder. Dat was geen doetje. Die hond was op de politieschool bedorven. Ons vader was een echte hondenman, hij had die hond via ene Leenders te pakken gekregen. Ons vader zei tegen de Kin: ”Als je hem een band om doet, dan mag je hem meenemen.” Hij haalde een ring. De Kin wilde die om de nek van die hond doen. Die hond sprong op hem af en beet de Kin in zijn schouder. Die tuimelde naar achteren. Zijn uniformjas was kapot, hij bloedde. Hij trok zijn revolver om de hond af te knallen. Ons vader sprong er direct voor. “Nee”, zei ons vader. “Ik heb je goed gewaarschuwd.” De Kin deed lelijk, was aan het schelden. Het ging ‘r op. Uiteindelijk zakten ze af. De hond bleef op Corsica.

Toen ze weggingen vroeg Schuurmans: “Hoe moeten we bij Johan Ketelaars komen?” Bij Johan Ketelaars (Max) zat ook een onderduiker. Die woonde op de Doornhoek, waar later Ties Verbruggen woonde, Ties is met een dochter van hem getrouwd. We stuurden de Duitsers helemaal over Zijtaart om. Onze Tjeu sprong meteen op zijn fiets en fietste binnendoor door de Hemel naar Ketelaars om hen te waarschuwen. Hij bonste op de deur. Er werd eerst nog niet opengedaan en hij zag de auto van de Duitsers al aankomen. Gelukkig ging de deur open en de onderduiker is meteen door het raam gesprongen en een korenveld in gevlucht. Onze Tjeu kon ook op tijd wegkomen. De Duitsers hebben de onderduiker niet te pakken gekregen. “Hij is al weg, hij is naar Duitsland werken,"  zeiden ze bij Ketelaars."

Foto liquidatie De Kin, Beeldbank WO2, informatie: Wikipedia   In april 1944 werd in Den Bosch het verzet verder georganiseerd met de oprichting van “Knokploeg De Margriet”. Het wordt al snel één van de actiefste knokploegen in Brabant.

"De Kin" was de bijnaam van de 23-jarige bakkerszoon Piet van Bussel uit Veghel. In februari 1944 naar Den Bosch verhuisd. Hij hield zich bezig met het opsporen van jiongemannen die de onderdoken om de tewerkstelling in Duistalan te ontlopen, Hij opereerde vooral 's nachts. Knokploeg De Margriet wil "De Kin" definitief uit de weg ruimen. Het is de bedoeling dat dit buiten de stad gebeurt, om mogelijke represailles tegen de bevolking te voorkomen. Hij laat zich echter niet in de val lokken.

Willy roept de hulp in van Theo Dobbe. Deze geeft zijn Nijmeegse ploeg opdracht De Kin neer te schieten zodra de gelegenheid zich voordoet. Kleine Piet en Lei, twee jongens van de Nijmeegse ploeg, zijn op dinsdag 8 augustus 1944 in Den Bosch als ze De Kin zien lopen met zijn hoogzwangere vrouw. Zonder verder aarzelen wordt hij in de Kerkstraat neergeschoten. Ook de NSB-burgemeester van Oss wordt door verzetsstrijders doodgeschoten. Knokploeg De Margriet voert succesvol een overval uit op het distributiekantoor in Cuyk en Rosmalen. De jacht op verzetsgroepen wordt intensief.

Op 14 augustus worden drie leden van Knokploeg De Margriet aangehouden. Het hoofdkwartier van de knokploeg moet ontruimd worden. Een getuige: 'Willy is toen direct zijn spullen, waaronder natuurlijk belastend materiaal, gaan halen. Toen ik hem na terugkeer vertelde dat het heel vlug moest gebeuren, zei hij, terwijl hij weer terugging: "Nog één koffer en dan is alles weg." We hebben Willy nooit meer gezien.' Willy Andriessen wordt gearresteerd, overgebracht naar Kamp Vught en met drie medestrijders van Knokploeg De Margriet op 19 augustus 1944 door een Duits vuurpeleton omgebracht.

 
Herinneringen van de kinderen van Frans van Bakel, in 1980 op schrift gesteld door Jan van Bakel.   

In 1943 kwam Corrie van Bakel van school af en ging in Veghel in het gezin van Kersemakers, onze huisarts, werken. In 1944 kwam Frieda van Bakel van school af en zij bleef thuis helpen. Frieda gaf de jongere kinderen te eten en ’s avonds waste ze hen en bracht hen naar bed. Frieda herinnerde zich dat haar broertjes Nico en Theo gemakkelijker schoon te krijgen waren dan de andere jongens. Zij waren dikker en hadden een gladde huid. Marinus moest veel harder gewassen worden en de knieën van Martien werden nooit schoon, ongeacht wat ze gebruikte. Er waren veel luiers te wassen, want er waren altijd wel twee of drie baby’s. Er moesten elke dag 12 paar klompen schoon gemaakt worden. Ze moesten met een soort wit zand en krijt geschuurd worden, en dan schoon gespoeld, en op de vensterbank gezet worden om te drogen. De melkbussen moesten schoon gemaakt worden met wit zand en soda om ze glimmend te houden en vrij van roest. Alle vloeren moesten geschrobt worden, zelfs de cementen vloer op stal. We bestrooiden de huiskamervloer niet meer met wit zand, en dat betekende dat er vaker geschrobt moest worden. Maandag en donderdag waren wasdagen.

Doc. GAvB.   14 augustus 1944: 'De Engelsen beschoten de schepen hier in het kanaal.'

15 augustus 1944: 'Een grote luchtmacht bombardeerde Volkel. Een grote rookwolk steeg de lucht in (..)' Op die dag stortte er op het vliegveld Volkel neer:
 

Vliegtuigtype

Ju88

Eenheid

StabIII/JG2

3 september 1944: 'Wederom Volkel gebombardeerd.' Op die dag stortten er op het vliegveld Volkel neer:
 

Vliegtuigtype en nummer

Bf109 G-6
65626

 

Vliegtuigtype en nummer

Me262 A-2a
170016

Eenheid

Kdo. Schenck

 

Vliegtuigtype en nummer

Ju88 A-4
140307

Eenheid

II/KG6

 

Vliegtuigtype en nummer

Ju88 A-4
800626

Eenheid

II/KG6

 

Vliegtuigtype en nummer

Ju88 A-4
884590

Eenheid

6./KG6

 

Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 141.   A.F. Oomen, leraar aan de Ambachtsschool: “Op zondag 3 september 1944 stonden de Duitsers gepakt en gezakt met de auto’s van de BBA klaar om ter versterking op te rukken naar Turnhout. Toen we uit de negen uur H. Mis kwamen, was het al een doorgaande rij van auto’s, tanks, gevechtswagens, motors, motorbakfietsen. Van deze laatste zelfs een met een boerenkar er achter. (..) Op maandag 4 september werd het nog erger. De weg naar Uden was overvol met voertuigen. ’s Avonds hoorden we vreselijk zware ontploffingen; later hoorden we, dat de hangars in Volkel werden opgeblazen.”  Op 5 september vlucht NSB-burgemeester Sassen weg uit Veghel.

 
Gesprek van Marc van den Berkmortel met Tijn en Mien van den Tillaart op 13-2-2011  

In de nacht van 4 op 5 september 1944 liet het udense verzet op Duifhuis een trein ontsporen. Een van de deelnemers vertelde hierover:

Jan van Sleeuwen en nog drie andere mannen gingen allereerst in Boekel twee derailleurs halen. Dat zijn  ijzeren apparaten, die op de rails werden geschroefd en die zorgden dat de trein bij passage ontspoorde. Jan was als enige gewapend en had een pistool met één patroon tot zijn beschikking. Als plaats waar de ontsporing zou plaatsvinden koos men de grens tussen Uden en Veghel bij Duifhuis, om op die manier bij eventuele represailles de aandacht iets van Uden af te leiden. Het aanbrengen gebeurde ook door vier man, waaronder weer Jan van Sleeuwen. Nadat ze op de spoorrails waren geschroefd, wachtten ze, tot de trein kwam. Hij was laat en reed langzaam. Bij het passeren ontspoorde hij inderdaad, maar door de lage snelheid alleen aan de voorwielen van de locomotief.
 

Na de ontsporing werden door de Duitsers boeren van Duifhuis uit hun bed getrommeld om de inzittenden van de trein, een groot aantal Duitsers en enkele Duitse vrouwen, met paard en kar naar Uden te brengen. De hiervoor beschreven ontsporing, alsmede andere ongeregeldheden, die zich op de spoorlijn bij Eerde voordeden, waren er de reden van dat de Duitsers in het vervolg vlak voor iedere trein een lorry met Grüne Polizei uitstuurden en dat op spoorwegsabotage hoge represailles in het vooruitzicht werden gesteld.

Zo werd er tijdens Dolle Dinsdag een trein gesaboteerd aan de Grootdonkweg (halverwege Hoeves en spoorbrug over de Zuid-Willemsvaart, waar nu de A50 ligt). Deze trein ontspoorde en werd beroofd. Repressailes bleven gelukkig uit, waarschijnlijk omdat de Duitsers andere dingen aan hun hoofd hadden in die dagen.

Tijn van den Tillaart kan zich Dolle Dinsdag (5 september 1944) nog goed herinneren (‘Chaos, Nederland bevrijd, de Duitsers vertrekken’). Duitse legers kwamen vanuit Boxtel en Tilburg. Nederlandse boeren moeten deze duitse militairen met paard en kar naar Duitsland vervoeren vanwege bovengenoemde acties van het (udense) verzet; iedereen een aantal kilometers, dan nam een andere boer dit transport weer over. Omdat er echter zo weinig paarden en karren voorhanden waren, is de vader van Tijn vanuit Eerde tot Kranenburg (bij Kleef) in Duitsland moeten ‘varen’ voordat hij weer naar huis mocht terugkeren. Tijns vader is uiteindelijk 2 dagen onderweg geweest.

 

Doc. GAvB.   5 september 1944: 'In het kanaal bij de Zijtaartsche weg, een minutieschip uitgebrand, heel den dag nog ontploffingen.'

 
Verteld door Theo van Rijbroek op 2-1-2011    “In de oorlog lag bij Janus Ven (Doornhoek 1) een munitieschip. Dat werd bewaakt door de Duisters, van die jonge gasten van een jaar of 17, vertelde ons vadder. Die soldaten schoten op drie overvliegende Engelse jagers. Bij de Keldonkse brug draaide er eentje om en hij kwam laag overgevlogen. Een enorme herrie. Hij begon al te schieten toen hij er hoogte van ons huis waar, tak-tak-tak. De kogels zijn door het anker heen gevlogen.”

 
Doc. GAvB.   6 september 1944: 'Heel den dag gebulder van kanonnen en ontploffingen. Ramen en deuren schudden.'

10 september 1944: 'Al een aantal dagen geen vliegtuigen meer te horen.'

12 september 1944: 'Veel vliegtuigen en gedonder van kanonnen.'

 
Brabants Dagblad, 29 september 1994; ‘Luchtlanding in Brabant', uit ‘Four stars of Hell' door Laurence Critzbek (New York); Het Huisgezin, 23 oktober 1954.   Op 17 september was was de lucht plotseling vervuld van zwermen geallieerde bommenwerpers die de Duitse vliegbasis Volkel te grazen namen. Het gebeurde met zo’n geweld dat men in Veghel ijlings de ramen open moest zetten, omdat anders de ruiten zouden springen.

De strijdkrachten voor de operatie ‘Market Garden' omvatten de grootste Airborne-aanvalsmacht in de geschiedenis. De opdracht was de kanaal- en rivierovergangen in handen te krijgen en te houden, voor zover die lagen in het opmarsgebied van het Tweede Leger van Eindhoven tot en met Arnhem. De 101ste divisie moest de bruggen en de corridor tussen Eindhoven en Grave bezetten. De opmars zou plaats vinden op een uiterst smal front van meestijds maar één enkele weg. Het stadje Veghel was strategisch gezien een belangrijke plaats, want de Zuid-Willemsvaart liep er juist langs en er was een verkeersbrug en een spoorbrug. De eerste opdracht aan de soldaten was te voorkomen dat de Duitsers deze bruggen zouden opblazen.

Bij
Son zweefden vele valmschermen omlaag met munitie, licht geschut en ander oorlogsmaterieel. Getrokken zweefvliegtuigen vervoerden parachutisten. Van Veghel uit was dit goed te zien en het veroorzaakte groot enthousiasme: dit moest de bevrijding zijn waarop iedereen zat te wachten sinds op 3 september Brussel en op 14 september Maastricht was bevrijd. De parachutisten landden bijna zonder tegenstand. Binnen drie uur waren alle doelen in veilige handen. Het dorpje Eerde werd ingenomen en in Veghel werd en commandopost gevestigd. In Veghel vierde de bevolking feest.

Doc. GAvB.   17 september 1944: 'Een geweldige luchtmacht boven Brabant. Schuilkelder gemaakt bij Hendrik van de Ven voor onze beide gezinnen. We waren nog maar halverwege toen we er al in moesten. Hevig geschut vanuit Veghel richting Keldonk, een ontzettend lawaai. Zeer laag en langzaam kwamen grote transportvliegtuigen over.' De H. Mis was half zingend en half stil vanwege overvliegende vliegtuigen en het bombardement van het vliegveld Volkel.

 
Verteld door Harrie van Asseldonk op 25 september 2007.    "Op 17 september 1944 waren we malen (vaarsen) aan het drinken geven achter Van Stiphout bij het Laarsven. Toen zagen we een vliegtuig overkomen en er sprongen een stuk of tien parachutisten uit. Wij naar huis om het tegen ons vader te vertellen. Ons vader zei: "Dan zijn het er zo meer." Hij had een clandestiene radio verstopt op zolder in een mand met todden en luisterde naar de engelse zender. Zodoende wist hij al dat de bevrijding er aan zat te komen."

Verteld door Jan van Zutphen op 27 februari 2007.   Op de 17e september "leek het net alsof ze manden met aardappelen uit het vliegtuig gooiden. Heel de lucht hing vol met parachutisten."

Verteld door Annie Berkmortel - Timmers op 21 februari 2006.  

"Die morgen (17 september 1944) kwam Johan van de Rijt naar ons vader (Willem Timmers) met de melding over parachutisten, die volgens hem (bij wijze van spreken) "uit de grond opkwamen". Ik dacht dat ze werkelijk uit de grond kwamen. Ik zie de lucht met die parachutisten nog voor me, een indrukwekkend gezicht voor een zesjarige.

Toen de parachutisten geland waren, begon het echte gevecht voor ons: het bemachtigen van de parachutes! Ik weet zeker dat er minstens twee op ons land terecht zijn gekomen, een rode en een witte. Ons vader heeft nog ruzie staan maken met Willem Kremers over een parachute. Van de rode maakte ze jurken en die witte bruidsjurken. Ik heb nog een foto, waar we die bruidsjurken aan hebben.” Van de touwen werden tassen gemaakt. Een evacué uit Elst, die was ondergebracht bij de familie Van de Rijt, was daar heel handig in. Zij heeft voor half Zijtaart van die tassen gehaakt."

 

Verteld door Janus van Nunen op 15 april 2007.     Janus van Nunen: “Toen de parachutisten vielen, dat was toch zo mooi om te zien. Pastoor van de Bult was net op ziekenbezoek bij ons, ik was net uit het ziekenhuis, ik had een blindedarm-operatie gehad. Wij hadden nog hooi en koren in het achterhuis. Toen zei onze Johan: “Ze zijn aan het kanaal aan het schieten. Één granaat en het hele huis staat in brand.” Toen hebben wij al het koren dat al net binnen was gehaald in acht mijten op de akker gezet. “Zie-zo,” zeiden we, “als er nou een granaat valt, dan branden we niet af.”"

Dr. Frans Goorts, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 200-207.  

In Veghel vonden op 17 september 1944 een tiental Duitsers de dood, vijftig worden gevangen genomen, terwijl het restant vluchtte. Kolonel Johnson koos het huis van dokter Kerssemakers uit als hoofdkwartier. Op Verzoek van Gijs Bosserts en zijn mensen (van de ondergrondse) trokken boeren met karren de plaats binnen en brachten miliaire uitrusting, die was achtergelaten op het landingsterrein. De mensen in Veghel waren als het ware stapelgek van blijdschap. Ze vlogen elkaar om de hals, handen werden gedrukt, dansen werden uitgevoerd op straat. Tonnen bier, kannen melk, manden met fruit werden voor de binnenstromende troepen klaar gezet en aangeboden. In Veghel doemde weldra een nieuw straatbeeld op; mannen met een oranje band om hun arm. Gewone jongens uit Veghel en omgeving met het geweer over de schouder, die de straten schoon veegden van ongewenste elementen. Gijs en Ko Bossert van de ondergrondse hadden kolonel Johnson als het ware opgevangen na de landing en direct contact tot stand weten te brengen. In vrijwel elk Veghels gezin bevonden zich Amerikaanse militairen die zich tegoed doen aan melk, appels en peren. De Veghelse mensen konden genieten van sigaretten en chocolade. Ook in Zijtaart werden militairen ingekwartierd.

’s Avonds kwam de eerste opdracht door. Er moest een bredere brug gelegd worden naast de bestaande brug over de Zuid-Willemsvaart. Ton Kuyper van de ondergrondse nam contact op met de directeur van de ambachtsschool en zocht diverse leraren op. Men sleepte ijzeren balken naar het kanaal.

In de nacht van 17 op 18 september voerden de Duitsers in een mistbank een verassingsaanval uit langs de oostkant van de Zuid-Willemsvaart. Vanaf het aanbreken van de dag werden de Duitsers teruggedreven. Nog twee andere aanvallen werden die nacht afgeslagen.

Gesprek van Marc van den Berkmortel met Tijn en Mien van den Tillaart op 13-2-2011     Tijn herinnert zich dat in Eerde de gesneuvelde soldaten en parachutisten met de hoogkar vervoerd werden. Eén sprekende herinnering is een gedode soldaat, die in zithouding was gestorven. Door het op en neer gaan van de kar was het net of deze soldaat van voren naar achteren bewoog tijdens het vervoer. Tijn heeft zelf op de 17e september gewonden parachutisten en soldaten gereden naar Veghel. Gewonden van de “Valpartij”.

Herinnering van Graard van Eert verteld op 23 februari 2007.   Op maandag 18 september ging Graard van Eert met paard en wagen munitie rijden voor de Engelsen. Dat werd georganiseerd door het verzet. Graard: “Ik ben naar het verzamelpunt gereden, maar er is toch niks gekomen, het was niet nodig.”

Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 211-214.  

In de morgen van de 18de september werd verder gebouwd aan de brug. Plotseling zware ontploffingen. Alles vloog weg om dekking te zoeken. Enige tijd later werd het werk weer hervat, maar burgers lieten zich die dag vrijwel niet meer bij de brug in aanbouw zien. 's Avonds was de brug klaar.

Brabants Dagblad, 29 september 1994.   Bekwame Duitse officieren slaagden erin de uit Frankrijk vluchtende troepen van allerlei eenheden samen te brengen in gevechtstroepen. Deze dwongen op 18 september de geallieerden bij Eerde voorlopig uit te wijken naar Veghel. Ook bij de tweede serie luchtlandingen op 18 september moesten de para’s zich meteen verweren tegen Duitse gevechtstroepen, die vanuit Den Bosch in de richting St.-Oedenrode en in de richting Veghel opereerden. Er zat in deze acties weinig verband. Waarschijnlijk had het Duitse opperbevel in deze fase geen helder inzicht in de situatie.

Gesprek van Marc van den Berkmortel met Tijn en Mien van den Tillaart op 13-2-2011   Op maandagmorgen 18 september 1944 10:00 uur brandde het ouderlijk huis van Tijn van den Tillaart in Eerde af. Een baken in zijn herinnering. Hoewel er in Eerde wel een brandspuit aanwezig was (waar nu De Brink staat), maar een brand blussen was in die periode onbegonnen werk. Verder was de burrie van deze spuit te smal: De toen in gebruik zijnde paarden pasten er niet tussen!

‘Luchtlanding in Brabant', uit ‘Four stars of Hell' door Laurence Critzbek (New York); Het Huisgezin, 23 oktober 1954.   In Veghel had de feestviering op 18 september zijn normale verloop. De mannen van de ondergrondse waren er talrijk. De geallieerde troepen konden over vrijwel alles inlichtingen krijgen, zelfs over de binnenlandse toestand in Duitsland. De ondergrondse gebruikte het stadhuis als hoofdkwartier en de godsganselijke dag snelden ernstig-kijkenden jongelieden met oranje-banden om hun arm en Duitse geweren over hun schouders in en uit met geheimzinnig boodschappen-in-staatsbelang. De meesten echter mengden zich onder de geallieerde  soldaten aan de overkant van de straat, bij de hotelbar. De landverraders werden uit hun huizen gehaald om kennis te maken met de lang-uitgestelde vergelding. De landverraders werden in het ruim van een schip opgesloten, waar iedereen hen kon bezichtigen. De vreugde in de straten werkte aanstekelijk. Jonge meisjes die sjerpen van parachutezij droegen, vormden kettingen en dansten van blok naar blok, terwijl ze als maar liedjes zongen. Rijzige geestelijken reden op de fiets rond en groetten alles wat maar een Amerikaans uniform droeg. De commandopost van de geallieerden was gevestigd in het huis van een dokter.

 
Doc. GAvB; de foto is gemaakt bij sluis IV en komt uit de collectie van Harrie Vervoort. De vierde foto werd gestuurd door Marc van de Berkmortel.   18 september 1944: 'De Amerikaanse en Engelse troepen staan voor Eindhoven.'

19 september 1944: 'Deze troepen trekken van Eindhoven door de gemeente Veghel. Eenieder liep of fietste naar sluis IV waar deze troepen passeerden. Heel den dag verzetten de Duitse troepen zich aan de zijkanten van de Corridor. Vanuit Eerde, Keldonk en de Erpse weg werden de Amerikaanse en Engelse troepen aangevallen.'

Sluis IV op 19 september 1944


Graard van Boxmeer, 19 september: 'In 1 uur tijd kwamen over ons volgens de radio zo'n 550 vliegtuigen.'

 
Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 216-218, 225.  

Het is fantastisch. Juichend en zwaaiend staat de bevolking de gehele dag langs de wegen, waar de colonne doorheen trekt. Hossend en zingend trekt de mensenmassa door de straten. De parachutisten worden er bij betrokken, of ze willen of niet. Het is feest. Plotseling verschijnt de harmonie. In optocht gaat het met muziek door de vrije Veghelse straten.

 

Foto's Johan van Eerd, met dank aan Marc van den Berkmortel  

Duitse bespieders klommen in de toren van de Veghelse kerk om het 501ste regiment te zien landen. Mensen uit het plaatselijke verzet sabotteerden ondertussen hun auto en toen ze weer omlaag kwamen kregen ze hun auto niet meer gestart. Zij werden toen de eerste Duitse krihsgevangenen in Veghel. Let op de paratrooper met zijn SCR-300 radio aan de rechter kant van de ingnag van de kerk op de eerste foto.

 

Foto's Johan van Eerd, met dank aan Marc van den Berkmortel   Op de tweede foto is een Opel  Olympia te zien die wordt meegesleept werd door een jeep. Op de dag van de bevrijding zag kolonel Johnson de auto rijden. Hij gaf bevel om de chauffeur door zijn hoofd te schieten en de auto niet te beschadigen.

De Eerdse postbode Jan Deckers schreef in zijn dagboek *17 september: "Bij het vallen van de avond van het eerste treffen met de vijand plaats. Vanuit Schijndel kwam een duitse auto met flinke vaart afzetten. Op de bocht voorbij den molen trof hij het. Er ontwikkelde zich een kort maar fel geweervuur. De Duitser dolf het onderspit." Mogelijk betreft dit hetzelfde incident.

 
Brabants Dagblad, 29 september 1994.  

De “corridor” was een feit, maar nog lang geen voldongen feit. Bij Best en Son moest bitter gevochten worden om de doorgang open te houden. Dat kostte driehonderd Duitsers het leven.

In het algemeen slaagden de geallieerden er in hun posities bij Eindhoven en St.-Oedenrode te handhaven en bij Eerde een sterke defensieve stelling op te bouwen. Aan een confrontatie met de vijand hadden de geallieerden geen behoefte, zolang de corridor niet bedreigd werd. Maar daar ontkwamen ze niet aan. Nog op dezelfde 19e september kreeg een in Veghel achtergebleven bezetting een Duitse aanval vanuit het zuidwesten af te slaan.

Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 219.   Diverse keren worden die dag groepen krijgsgevangen gemaakte Duitse militairen Veghel binnengebracht. Vanaf 20.00 uur zijn de straten in Veghel verlaten door de bevolking. Dit, op verzoek van kolonel Johnson. Rond half negen in de avond waren er zuidelijk van Veghel vliegtuigen te horen. Even later was er boven Eindhoven een oranje gloed te zien, welke ontstaat door de grote oranje lichten, welke in de lucht hangen. Dan klinken er geweldige ontploffingen. De Duitsers bombarderen Eindhoven. Plotseling klinken de vliegtuigen heel dichtbij Veghel. Men duikt de schuilkelders in. Dichterbij klinkt geweervuur.

Verteld door Janus van Nunen op 15 april 2007.  

Ook bij ‘de Rijke’ van Nunens lagen Engelse en Amerikaanse soldaten ingekwartierd. Janus van Nunen: “We hadden een planken zolder, daar lagen wel vijftig Amerikanen ingekwartierd. Twee grote bazen zaten in de achterste kamer. Er werd gekookt in een grote pot op stal, het leek wel een soort kanon. Ook andere soldaten uit de buurt kwamen bij ons eten halen. Bij de meeste boeren zaten er zeven, bij ons vijftig. De koei waren buiten. Op stal stond een tafel om te eten. In een hoek zaten de bazen over een landkaart gebogen. Toen wij daar aankwamen werd de kaart opgevouwen. Dat gebeurde twee keer, toen zei ik tegen onze Johan: “Hier moeten wij niet meer komen.”

‘s nachts reden ze met een jeep rond het huis. De bazen wilden in in bad. Wij gingen nooit in bad. We staken alleen maar af en toe onze kop in een emmer water. In de fornuisketel werd water heet gestookt. Er werd een houteren kuip in het bakhuis gezet en ze waren tevreden. Ze gebruikten nooit onze WC. Ze hadden zelf een WC boven de loop gemaakt.

Eindhoven werd gebombardeerd. Het was vanuit ons aan de horizon te zien. Ik ging naar een baas van de soldaten. “Kom eens mee. Eindhoven. Bombs.” Hij haalde zijn schouders op, het maakte hem niks uit. Ik zei: “Kom ‘s mee.” Ik liet hem een stapel zakken zien, en spijkers en een hamer. Ik hield een zak voor raam om te verduisteren. Toen snapte hij het. Vijf soldaten moesten van boven komen. Alles zat zo helemaal dicht. We hadden 32 raampjes in het achterhuis.

 

Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 223-225.   20 september: Mannen van de ondergrondse melden de aankomst van Duitse troepen rondom ’s-Hertogenbosch. Kolonel Kinnard wordt met het 1e batiljon richting Den Bosch gestuurd. Hij vermeldt 40 gedode Duitse militairen en neemt 418 gevangenen. Kinnard keert terug met de informatie dat de vijand van plan lijkt om vanuit Schijndel een aanval op Veghel te ondernemen. De ondergrondse bericht dat er Duitse troepen op weg zijn vanuit Helmond richting Gemert.

In Veghel staat de bevolking weer langs de route en kijkt naar die onafgebroken passerende militaire macht. De harmonie is weer present en speelt liederen, die door de mensen worden meegezongen. Iedereen is in afwachting van de Prinses Irene-brigade. Maar het wachten duurt lang, waarna in een vrolijke optocht een serenade wordt gebracht aan burgemeester Eliëns en vervolgens ook aan de Zusters Franciscanessen, die hun 100-jarig bestaan in Veghel vieren. ’s Middags vormt zich een stoet met voorop een portret van Mussert, dat wordt verscheurd voor de ogen van de NSB-ers en anderen die in het schip in de haven zijn opgesloten. Verderop worden groepjes jongelui waargenomen met scharen en scheermessen, ze gaan hiermee verscheidene ‘moffen meiden’ te lijf wier haren worden afgesneden. Onder de feestende massa bevinden zich vele mensen uit omliggende plaatsen, die overigens nog bezet gebied zijn. Na even stilte van de muziek klinkt plotseling uit de luidspreker de boodschap, dat op last van kolonel Johnson alle vlaggen en versieringen moeten worden binnengehaald. Waarom? Dreigt er gevaar? De vlaggen worden van de kerktoren gehaald. Binnen een half uur is het uit met de pret. Degenen uit de omliggende dorpen haasten zich naar huis. Dus toch nog Duitsers hier?

Doc. GAvB.   20 september 1944: 'De tot nu toe bekende stukken en ongelukken zijn: bij onze Jan 2 koeien, H. van Zutphen, 4 koeien, (..) Bij Theodorus van de Boogaard op de Hemel huis gedeeltelijk verwoest. Een zoon zwaar gewond. Janus van den Akker zijn huis licht beschadigd. Vanaf maaandag af in de schuilkelder geslapen, +/- 8 dagen, totaal 11 personen (ook G. van de Rijt). (..) Overal nog Duitsers.'

Verteld door Annie van Asseldonk - van den Hurk op 25 september 2007.    Annie van den Hurk (toen elf jaar): "We hadden een schuilkelder waar we ingingen. Ik had grote schrik. De kleinere broertjes en zusjes hadden er minder erg in en het was een heel gedoe om die stil te krijgen. Ze hielden maar niet stil en eentje moest er ook nog de fles hebben."

Na de bevrijding lagen er ook bij Annie thuis (Jan van de Hurk) soldaten ingekwartierd. Annie: "Ik mocht toen op de knie zitten, dat vond ik toch zo skon. Een soldaat zei: "Jammer dat ze niet ouder zijn." In de Erpse steeg waren ook soldaten. Dina Steenbakkers uit d'Eerd werkte bij Bert Raaijmakers. Zij kreeg drinken van die soldaten in ruil voor een kusje. Dat was de eerste keer dat ik een vrouw een man heb zien kussen."

Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 229-232.   21 september 1944: In Veghel komen bij kolonel Johnson berichten over Duitse troepenverplaatsingen. Hij heeft reeds gehoord van Duitse plannen om vanuit Schijndel een aanval op Veghel te ondernemen. Maar nu komen ook berichten binnen over een Duitse colonne tussen Helmond en Gemert. Johnson wacht niet af. Het is beter de vijand stuk voor stuk aan te vallen, dan af te wachten totdat zij verenigd zijn. Een bataljon wordt verdedigend opgesteld aan de zuidoost rand van Veghel. Twee andere bataljons krijgt de opdracht in het nachtelijke duister een aanval uit te voeren op Schijndel.

In Veghel gaat de feestvreugde door, terwijl de karavaan van tanks, pantserwagens, trucks, motoren enz. blijft doorgaan. Tegen het middaguur trekt onder grote vreugde de Irene-brigade door Veghel. Dat duurt zo’n 1,5 uur. In de verte hoort men boven het gedreun van de doortocht uit, in de verte ontploffingen en geschutsvuur.

Mva; Herinneringen van de kinderen van Bakel in de jaren tachting door Jan van Bakel in Canada op schrift gesteld, collectie Mari Brugmans; mededeling van Ties Habraken op 20 februari 2007; verteld door Nel Rietbergen op 17 december 2007.   De nacht van 21 op 22 september 1944: 'Wij 's nachts in de schuilkelder,' schreef Graard van Boxmeer. 'Om 3 uur 's nachts kwam ook Driek van de Ven en gezin, omdat vanuit Eerde zwaar werd geschoten.'

De familie van
Theodorus Van Asseldonk en Jan Vervoort groeven een gezamenlijke schuilkelder tussen beide huizen in. Het was een gat onder de grond, zo diep dat je er net rechtop in kon staan. Het gat was afgedekt met palen, stro en daarover zand. Theodorus van Asseldonk is daar nooit gaan slapen. Die sliep ondanks de overvliegende vliegtuigen en knallen liever in zijn eigen bed. Het was er druk en Piet van Asseldonk zei na één nacht: "Ik ga in mijn eigen bed slapen. Als het er naauwt ben ik er zo."

Jan van Bakel herinnerde zich dat hun gezin (van Frans van Bakel) onder de duiker van een sloot bij hun huis sliep. Dat was noodzakelijk, want het was niet veilig om in het huis te slapen. Vader Frans van Bakel moest de uiteinden van de duiker met zandzakken afsluiten. Zoon Marinus van Bakel herinnerde zich dat hij en zijn broertje Nico op een morgen zonder toestemming van moeder en vader de schuilkelder verlieten. Ze ontkwamen ternauwernood aan een granaat, die eerst een boom raakte, en daarna op een oud schuurtje dicht bij hun oom Bert terecht kwam.

Hannes Habraken had samen met Toon van Eert een schuilkelder gebouwd. Het was een lage hut van palen, daar op en tegenaan stro, en vervolgens afgedekt met een flinke laag zand. "Het leek een beetje op een mangelwortelkuil," vertelde Ties Habraken. De gezinnen Habraken en Van Eert hebben maar één nacht uit voorzorg in de schuilhut gezeten, toen er in Eerde zo gevochten werd. "Maar op Zijtaart is geen kogel verschoten," aldus Ties.

Nel Rietbergen: “We hadden een schuilkelder voor het huis in de tuin. Daar hebben we dikwijls in gezeten. De buren ook, Haske Kuijpers en zijn vrouw Mietje. Mietje was alijd zo bang. Ook bij onweer, dan kwam ze altijd naar ons.”


Verteld door Annie Berkmortel - Timmers op 21 februari 2006.  

“Op een gegeven moment werd het geweld wat te veel. We zaten in de gezamenlijke schuilkelder tussen Van de Rijt en ons in. Daar lagen ook sieraden en geld, hoewel ons vader ons geld in blikken had begraven. Bij Van de Rijt achter is een granaat ingeslagen en toen zijn ons moeder en wij vieren op één fiets naar de Krijtenburg gegaan, waar we bij ome Hannes van Zutphen één nacht in de schuilkelder hebben doorgebracht. Ook zijn we daarna nog bij Jan Vervoort geweest, maar die schuilkelder zat vol. Ons vader bleef trouwens gewoon op de boerderij.”

Verteld door Marinus van de Biggelaar op 20 november 2007.   Jan van de Biggelaar groef een schuilkelder gegraven naast de huidige kapitein Klapwijkstraat. Daar heeft de familie enkele keren geschuild. Maar stel dat er een tank door deze steeg zou rijden, die zou het hele gat docht rijden met de mensen erin. Toen heeft Jan een nieuwe schuilkelder gegraven achter zijn huis. De familie Marinus uit Eerde heeft er ook een tijd geschuild. Miet Marinus - van van de Zanden was een zus van Dora van de Zanden, de vrouw van Jan van de Biggelaar.

Mededeling van Marietje van de Wijgert - Kanters op 14 januari 2007.   Marietje van de Wijgert - Kanters weet niet wanneer het precies gebeurde. Op een gegeven moment kwam er een jeep met Duitse soldaten met hoge snelheid van Zijtaart afgereden. Even later klonken er schoten in de verte. De soldaten waren toen aan de Veghelse brug doodgeschoten.

Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983)232-240; Brabants Dagblad, 29 september 1994.  

22 september 1944: Kort na middernacht wordt de rand van Schijndel bereikt. Om 01.50 uur is Schijndel in handen. Om 10.00 uur zijn de in Schijndel binnengedrongen Duitse militairen uitgeschakeld. Honderden Duitse soldaten worden gevangen genomen, gewond en gedood. Dan komt het bericht binnen dat de Duisters een zware aanval op Veghel hebben ingezet. Hier is slechts een zwakke bezetting achtergebleven. Alles trekt terug uit Schijndel.

In de vroege morgen zijn door de ondergrondse rapporten gestuurd dat de oostelijke strijdmacht van de Duisters van meer dan 400 voertuigen op weg is naar Veghel. In het westen zijn Duitse troepenbewegingen aan weerszijden van de Zuid-Willemsvaart.

Een klein peloton Amerikaanse troepen is vanuit Veghel bezig te pogen Uden te bezetten. Ze komen rond 11.00 uur in Uden aan. Na hun doortocht doorbreken Duitse militairen de weg bij Mariaheide, waardoor de troepen in Uden geïsoleerd worden. Ze worden niet door de Duitsers aangevallen. Kort na 11.00 uur naderen de Duitse trucks en tanks op de weg Erp-Veghel. Om 12.15 uur komt het tweede bataljon terug uit Schijndel Veghel binnengereden. Ze rijden richting Uden de Duitsers, die reeds Veghelse wijken binnenkomen, tegemoet. Om 14.00 uur blokkeren Duitse tanks de Corridor bij Mariaheide en vernietigen diverse vrachtwagens op de weg. De Duitsers komen steeds dichterbij. Achter de melkfabriek gaan ze dwars het akkerland over, kruisen de Udense weg en laten zich zien aan de Zeven Eikenlaan. Twee Duitse tanks die vanuit richting Uden Veghel aanvallen worden buiten gevecht gesteld. De aanval wordt tot staan gebracht en de Duitsers komen niet verder dan 500 meter van de brug. De vijand wordt teruggedreven naar Mariaheide waar ze de Corridor blijven blokkeren.

Op deze foto staan d
e heer Oomen, leraar van de ambachtsschool en Thomas A. Norwood, kapitein van de parachutisten-engineers. De foto is genomen op 22 september, ’s morgens om 11 uur. Rondom de brug over de Zuid-Willemsvaart is het nog rustig. ’s Middags loopt kapitein Norwood een patrouille, richting Eerde. In de Doornhoek opent een Duitse tank het vuur op de patrouille. Norwood, die voorop loopt, waarschuwt de mannen, maar voor hem is het te laat. Hij krijgt zware verwondingen, wordt de volgende dag vervoerd naar Bussel, maar overlijdt onderweg. Hij was ingekwartierd bij Hurkmans bouwmaterialen.

De Duitsers sturen een deel van hun troepen naar Schijndel en 1,5 Duits bataljon valt om 14.00 uur Veghel aan via Eerde, tegelijkertijd met het afsnijden van de Corridor, en bereikt de kanaaloever. De Duitse troepen vallen de brug over het kanaal aan vanuit Eerde. Ze hebben de brug onder schot. Er verschijnen Engelse tanks vanuit het zuiden en de Duitse strijdkrachten trekken zich wat terug naar het westen. Na deze mislukte aanval op de brug doorsnijden de Duitsers de weg Veghel-Sint-Oedenrode. Nu is de Corridor op twee plaatsen afgesneden. Engelse troepen optrekkend vanuit Sint-Oedenrode slagen erin om na een gevecht van twee uur de Corridor van die kant weer te openen.

Een derde grote aanval wordt door Duitse troepen ingezet in de namiddag vanuit het noorden langs de Zuid-Willemsvaart. Juist voor de spoorbrug wordt de aanval teruggeslagen.

Deze foto is op 22 september 1944 gemaakt bij Sluis IV: Generaal A. McAuliffe ontmoet Kolonel Robert Sink, Commandant 506 PIR


De Veghelaren worden verrast door het uitbreken van het militair geweld. Tientallen huizen gingen in vlammen op, voornamelijk boerderijen waaromheen zich de gevechtshandelingen afspeelden, waarbij de bewoners have en goed verloren. Blussen was onmogelijk. Vrijwel geen enkele kelder of kuil bood afdoende bescherming. Wie het aandurfde, vluchtte naar de kelders van het zusterklooster en het ziekenhuis. Het gierende geluid van de granaten en het doffe gebrom van de mortieren.

Aan het einde van de 22ste september heeft de 101e Airborne Divisie Veghel behouden, ondanks de drievoudige aanval. De bruggen zijn intact gebleven en de Corridor ligt in zuidelijke richting open. De gehele nacht en de volgende morgen is men bezig met het zuiveren van het gebied ten westen van het kanaal van Duitse troepen. Voor de volgende dag ligt er de taak om de Corridor in noordelijke richting open te breken.

Gesprek van Marc van den Berkmortel met Tijn en Mien van den Tillaart op 13-2-2011   Vooral op het Hoeves (aan het Duits Lijntje) en de Willibrordushoek (aan de Corridor) zijn vele boerderijen afgebrand. Door het op en neer gaan van het front werd er steeds hevig gevochten. Tijn kan zich herinneren dat op één dag (waarschijnlijk 22 september, MB) de Duitsers en de Americanen 4 keer van positie gewisseld hebben. Telkens probeerden de Duitsers de Corridor te bereiken, telkens werden ze weer afgeslagen. De verbindingstroepen hadden inmiddels zo vaak kabels aangelegd, dat men er op sommigen stukken terrein bijna over struikelde. De amerikaanse soldaten knipten alle prikkeldraden van de weilanden door, als ze ergens doorheen wilden. Het werd dus een totale chaos met loslopend vee, dood vee, gevechten, munitie, mijnen, gesneuvelden en brandende huizen. Vooral dat gevoel is moeilijk in een verhaal te omschrijven, die totale chaos, die totale leegte in een oorlogsgebied. Ook na 70 jaar komen bij Tijn nog geregeld deze herinneringen naar boven.

‘Luchtlanding in Brabant', uit ‘Four stars of Hell' door Laurence Critzbek (New York); Het Huisgezin, 23 oktober 1954; doc. GAvB; Brabants Dagblad, 29 september 1994.   Graard van Boxmeer: 'Op 22 september 1944 begon de strijd in Veghel. Van 22 op 23 september 1944 viel de grote slag op 't Havelt met Duitse en Engelse tanks (..) overwinning van de Engelsen.'

De Duitsers wierpen bij Erp hun beste troepen met een geheel regiment tanks in de strijd met het doel Veghel te heroveren. Dat mislukte. De infanteristen, later geholpen door de Britse artillerie brachten hen tot staan in het open veld tussen Veghel en Erp. Brandende voertuigen verlichtten de velden rondom Veghel.

Vanwege deze veldslag moest Schijndel worden prijsgegeven. De terugkerende Duitsers sloegen meteen aan het plunderen en vorderden de mannen om spitwerk te doen voor de Duitse verdediging. Veel Schijndelaren vluchtten naar omliggende plaatsen. Anderen bleven thuis in de kelder en werden pas eind oktober bevrijd.

Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), verliesregister 1939-1945.  

Datum

22 september 1944

Tijd

14.30 uur

Plaats van crash

Mariaheide (gem. Veghel)

Vliegtuigtype

Auster IV

Vliegtuig nummer

MT281

Eenheid

Squadron 658

Eerste vlieger

Capt. C. McCorry

 

‘Luchtlanding in Brabant', uit ‘Four stars of Hell' door Laurence Critzbek (New York); Het Huisgezin, 23 oktober 1954.   Tegelijkertijd met de Duitse aanval vanuit Erp was er een artillerie beschieting op Eerde die een half uur duurde. Daarna stormden de vijandelijke tanks Eerde binnen. Kolonel Johnson verplaatste zijn commpandopost van Veghel naar een boerderij aan de rand van Eerde in de buurt van een wei waar dode koeien lagen. Veel soldaten sliepen op stal, waar ook een jong varken in een hok zat. Dat varken brak een keer los en kwam tussen de soldaten doorgelopen. De geallieerde troepen hadden er een heel werk aan het varken weer te vangen. Vanwege het Duitse artillerievuur (in Eerde viel zowat één granaat per minuut) werd de bovenverdieping niet gebruikt.

 
Verteld door Dina van Nunen op 15 april 2007.  

Dina van Nunen: “Op Soffelt werd niet gevochten. In Veghel wel heel erg. We zaten op zaterdagmorgen te melken in het veld. De koei hadden we los. Toen schoten ze op de brug op Keldonk. Er klonk een enorme klap. De koei waren vertrokken, die renden weg. Daar zaten we met onze emmer in het veld.”

 

Het Havelt, wel en wee van een Veghels buurtschap (Veghel 2011) 105-110.   De familie Johannes Hazelberg (Nu adres Eeuwsels 6) vertelt hoe zij de slag om het Havelt beleefd hebben.

Zoon Johan: Op het fornuis staan pannen te pruttelen en Gerrie en Thea zijn de tafel aan het dekken, terwijl de andere kinderen al aan tafel zitten te wachten. Plotseling zwaait de voordeur open en komt Willem van de Rijdt met een verschrikt gezicht den herd in. Hij zegt tegen ons moeder: “Bertha, ga zo vlug als ge kunt naar de schuilkelder, want de Duitsers staan al op den Erpse weg.” Willem springt weer op z’n fiets, om zo vlug als hij kan naar zijn gezin in de schuilkelder te gaan. Ons moeder, overdonderd door deze mededeling stuurt ons direct de deur uit: “Ga zo vlug als ge kunt naar de schuilkelder en probeer wel bij elkaar te blijven” zegt ze nog tegen ons. Zelf komt ze wat later, zegt ze, ze moet het eten van het fornuis halen en spullen in veiligheid brengen. En dat gaat allemaal niet meer zo gemakkelijk als je zes maanden in verwachting bent.

Ad: Als door wespen gestoken sprongen we allen, hevig geschrokken, van onze stoelen en gaan door de voordeur, om de hoek van het huis naar De Koop. Dit is de wei van Willem van de Rijdt, tussen ons huis en hun boerderij. We springen over de sloot en kruipen onder het prikkeldraad door en rennen dwars over de wei naar het kekkengat, en weer onder het prikkeldraad door, naar de schuilkelder.

Thea: Ik had onze Johan bij zijn hand en sleurde het huilende menneke zowat dwars door de wei om maar zo vlug mogelijk bij de schuilkelder te zijn, en z’n voetjes konden het maar amper bijbenen.”

Dinie: Gerrie en ik sprongen samen over de sloot en kropen onder het prikkeldraad door. In mijn haast heb ik me niet genoeg gebukt en kwam met mijn benen in het prikkeldraad, gevolg, een hevig bloedende snee in mijn been, huilend van pijn en schrik ben ik de schuilkelder ingekropen.

Johan: Bij de schuilkelder aangekomen roepen we dat we er zijn en Willem schuift het schot opzij en laat ons binnen. In het halfduister ontwaren we de bange gezichten van de hele familie en dienstmeid Miet. Allemaal zitten ze zij aan zij, dicht op elkaar en wij krijgen ook ‘n plekje. Gerarda heeft de kleine Wim op haar schoot en probeert hem gerust te stellen, wat maar ten dele lukt in deze benauwde ruimte. Er wordt niet of nauwelijks gesproken, iedereen is met zijn eigen bange voorgevoelens bezig, en niemand weet wat er komen gaat en of dit voor ons goed af zal lopen, is nog maar de vraag.

Hier hoeven we echter niet lang op te wachten, want plotseling horen we ‘m herrie dat we nog nooit gehoord hebben. (..) Het gieren van granaten en inslagen hiervan, het geratel van machinegeweren is schijnbaar overal om ons heen. De grond onder ons trilt en wij ondergaan dit in het donker van de afgesloten kelder. En ons moeder, ze is er nog steeds niet, waar blijft ze nou, ze zou toch vlug maken? Er zal toch niets gebeurd zijn met haar? Ons vader is nog aan het werk, die komt straks pas!

Moeder: Nadat ik de pannen van het fornuis heb gezet en het vuur heb getemperd, heb ik voor de zekerheid vlug wat etenswaren verzameld en een kan met water in een tas gestopt. Op het moment dat ik de klink van de deur omdraaide en naar buiten wilde gaan, brak de hel los. Voordat ik goed en wel het huis kon verlaten, waren de gevechten in alle hevigheid losgebarsten. Ik vlucht de tegenover het huis gelegen droogstaande sloot in en kruip naar een dieper gedeelte. In de zijkant van deze sloot is een uitholling uitgegraven voor het gele zand voor de zandbak, waarin onze kinderen in de zomer spelen.

Johan: In deze sloot vindt ze, voor zover als het kan, dekking en ze zal er drie angstige uren in doorbrengen. Af en toe, als de toestand het toelaat, waagt ze het om even over de rand van de sloot te kijken. Wat ze dan om haar heen hoort en ziet gebeuren is onvoorstelbaar en grenst aan het onbeschrijfelijke. Soldaten die dekking zoeken in sloten achter bomen en tegelijk schieten met geweren en mitrailleurs. Onophoudelijk vurende tanks en ander rijdend materieel. Ontploffende granaten tussen het vee in de wei. Daar tussendoor het angstaanjagende rallen van de gewonde dieren, waarvan velen het niet overleven. De enorme herrie van het oorlogsgeweld dat onophoudelijk over haar heen raast is oorverdovend. Ze ziet brandende boerderijen van buurtgenoten en bidt en hoopt dat de bewoners het overleven. Voorzichtig kijkend naar haar eigen huis ziet ze dat het nog ongehavend is. (..) Met daarbij de overheersende gevoelens van angst over het lot van haar kinderen in de schuilkelder.

Als de gevechten over en weer voor even verstommen, waagt ze de gang naar de ‘veilige’ schuilkelder. Hier aangekomen ziet ze tot haar geruststelling dat haar kinderen de schuilkelder veilig hebben bereikt. Alleen Dinie huilt van de pijn vanwege haar beenwond en deze wordt met moeders zakdoek verbonden. Ze legt uit, waarom ze zo lang is weggebleven en wat ze in de tussentijd allemaal heeft zien gebeuren. (..) De meegebrachte etenswaren worden uitgedeeld en er wordt water gedronken uit het deksel van de kan. De kinderen praten zachtjes met elkaar (..) Dan begint Gerarda de rozenkrans voor te bidden, en wij bidden na.

Het zal rond de klok van zes uur ‘s avonds zijn geweest (bijna niemand had in die tijd een horloge bij zich) als het schot wordt weggeschoven en wij ons vader door de ingang naar binnen zien kruipen. Een gevoel van opluchting en geruststelling komt, als ware het een warme deken, over ons heen. Vader vertelt wat hij onderweg allemaal heeft gezien aan verwoestingen en dat het Havelt is veranderd in een onherkenbaar gebied van afgebrande boerderijen en de wegen die bijna onbegaanbaar zijn. Hij vertelt maar niet dat hij ook dode soldaten heeft gezien en zelf ook angst had om geraakt te worden. Ook is hij nog langs ons huis gegaan en gelukkig staat dat er nog ingeschonden bij, maar hoelang? En zo gaan we de avond in en bij het zwakke schijnsel van de bromolielamp wordt er weer gebeden. Het schieten is inmiddels ook minder geworden en ook het vee horen we niet meer, of het is allemaal dood.

Totdat we ineens allemaal een vreemd geluid horen en een zwak licht langs het schot naar binnen schijnt. Willem en ons vader zitten vooraan bij de ingang en Willem schuift het schot opzij om te kijken wat er gaande is. Meteen merkt hij dat er een golf van warmte en brandlucht de kelder binnenstroomt. Als Willem voorzichtig naar buiten kijkt, ziet hij dat zijn twee korenmijten, die niet zo ver van onze schuilkelder verwijderd zijn, in lichterlaaie staan (..)

Rond middernacht, het is inmiddels stil geworden, vertelt ons vader later, worden we opgeschrikt uit onze lichte slaap, als rond onze schuilkelder voetstappen en gestommel te horen zijn. Niet lang daarna wordt het schot open geschoven en een hoofd met helm kijkt ons onderzoekend aan. Het blijkt een jonge Duitse soldaat te zijn. Misschien afgekomen op het geluid van een huilend kind in onze kelder. Een gewonde Duitse jongen die de ellende van mensen die niet om deze situatie gevraagd hebben enigszins wil verlichten. Hij maakt ons duidelijk dat hij iets voor ons wil doen. Wij begrijpen uit zijn woorden dat hij etenswaren en drinken uit de boerderij van Willem wil halen. Als hij even later terugkomt heeft hij inderdaad eten en een kan water en appels meegebracht, en hij laat ons allen in grote verbazing achter. Zijn er ook goeie Duitsers? Dat hadden we nog nooit gehoord.

De volgende morgen worden we bruusk wakker geschud dooor een enorme herrie, niet ver uit de buurt. Ons vader gaat kijken en ziet bij Hanneske Vissers een grote tank aankomen, met soldaten er bovenop en er omheen. (..) Nadien zal blijken dat deze tank, precies tegenover onze schuilkelder zich een kwartslag draait en met zijn voorkant, op nog geen halve meter van de zijkant van onze schuilkelder, zich opstelt. Aan een kant afgeschermd door Willem’s boerderij. We horen commando’s schreeuwen en direct daarna is de lucht vervuld van kanongebulder, afgevuurd door deze kolossale tank. Telkens als hij vuurt, dreunt de grond onder onze bvoeten en lijkt het net of hij direct daarna over onze schuilkelder heen zal rijden met alle gevolgen van dien voor de twee families.

Johan (toen nog net geen 4 jaar oud): Ik herinner me nog als de dag van gisteren dat er steeds zand in mijn nek viel en niet wist hoe dat kwam en dat vond ik maar niks.

Het schieten gaat onophoudelijk door en in onze kelder met huilende kinderen in panische angst begint ons moeder instinctief weer de rozenkrans te bidden, want wie weet is ons laatste uur geslagen. Dan wordt plots het schot van de ingang weggeschoven en een Duiste officier (naar later blijkt) gebaart naar Willem dat hij naar buiten moet komen. Willem totaal verrast door deze onverwachte actie, moet met deze officier meekomen naar de boerderij, Gerarda en de kinderen in grote verwarring achterlatend. Onze ouders weten ook geen raad in deze situatie en proberen ons allemaal te kalmeren. Maar later blijkt, moet Willem met een soldaat mee naar de boerderij om met hamer en spijker en ‘n paar latten ‘n kruis in elkaar te timmeren, om dit bij het graf van een zojuist gesneuvelde soldaat te plaatsen. Deze soldaat zat met een verrekijker boven op de tank en coördineerde de inslagen van de afgevuurde garnaten, totdat een Enelse sluipschutter hem in het vizier kreeg en hij dodelijk werd getroffen.

Tegen de middag wordt wederom het schot opzij geschoven en dezelfde Duiste officier zit gehurkt voor de ingang. (..) De officier wenkt ons met zijn arm, dat wij naar buiten moeten komen, omdat, zo probeert hij ons duidelijk te maken, het veel te gevaarlijk wordt in de schuilkelder en wij het op deze plaats niet zullen overleven. (..) Buiten beveelt hij ons om de weg over te steken om vervolgens door de sloot richting Erp te gaan.

Moeder: We gaan de modderige sloot in, de kleinste kinderen in de armen dragend, zien en horen we de gevolgen van deze oorlog om ons heen. Ontploffende granaten treffen het vee in de wei en ik roep naar onze kinderen dat zij zich moeten bukken om vooral niet boven de rand van de sloot uit te komen. Een extra obstakel op onze toch al moeilijke tocht zijn de diepe drinkenskuilen die de boeren in de sloot hebben uitgegraven om het vee van drinkwater te voorzien. Die staan vol water en de kinderen kunnen hier met geen mogelijkheid overheen springen. Willem aan de ene en ons vader aan de andere kant geven de kinderen aan elkaar door en helpen iedereen erover, maar natte voeten zijn hierbij niet te voorkomen. Zo bereiken we de Langsteeg, steken die over, om vervolgens weer door de sloot naar ‘t Rouwveld te gaan. Zo komen we uiteindelijk bij de Eikensteeg uit, gelegen aan de rechterkant van de weg Veghel-Erpseweg. We worden opgevangen door een peloton Duitse soldaten die zich hebben verschansd in de sloten aan weerszijden van de Eikensteeg. Ze bevolen ons om tussen hen in de liggen.

Johan: De bedoeling hierachter laat niet lang op zich wachten. De Duitse troepen hebben inlichtingen gekregen dat er een eskader vliegtuigen met gliders, geëscorteerd door Typhoon-jachtvliegtuigen, in aantacht zijn. Deze geallieerde troepenmacht zal achter de Duitse linies, ergens richting Arnhem, gaan landen. Zonder camouflage en gelegen in het open veld, in een Eikensteeg, laat zich niet moeilijk raden wat er met dit peloton Duitsers gebeurt, als zij worden ontdekt door de piloten van deze Typohoon-jachtvliegtuigen. Alleen om dit onheil te voorkomen, worden wij door de Dyuitsers als “menselijk schild” gebruikt en hopen ze, dat wij door onze bonte kleding, goed zichtbaar, zullen opvallen tussen hun Duitse legeruniformen.

Moeder: We liggen nog maar amper zij aan zij in de sloot als in de verte uit de richting Veghel een aanzwellend gebronm te horen is.

Johan: De kinderen van Willem liggen verspreid van elkaar aan weerszijden in de sloot. Als Willem zijn kinderen wil roepen om bij elkaar te gaan liggen, jaagt een Duitse officier hem met een getrokken revolver terug. En ons moeder die ons Dinie wil helpen die in een kuil gestruikeld is, komt ‘n moment met haar hoofd boven de slootrand uit en voelt meteen daarop een of ander projectiel door haar haren gaan. Opeens ziet ze de vliegtuigen in de verte naderen en de Duitse soldaten, met het geweer in de aanslag, verschansen zich achter de eikenvomen. Dan maken de piloten van de Typhoons zich los van het eskader en komen in duikvlucht op ons af. Laag scheren ze over de boomtoppen. Gelukkig lijken ze ons inderdaad te ontwaren tussen de Duitsers, want hun boordmittrailleurs worden niet op ons gericht. De Duitsers daarentegen schieten als gekken op de overvliegende vliegtuigen en zullen dan ook een glider neerhalen, die in Boekel een noodlanding moet maken, zoals later de ronde doet. (..) Ons vader heeft mij dicht tegen zich aangetrokken en wil mij op deze manier beschermen. Alle andere kinderen liggen tussen ons en ons moeder in.

Als alle vliegtuigen vliegtuigen overgevlogen en uit het zicht verdwenen zijn, ontstaat er een ware chaos onder de Duitse soldaten. Allemaal tegelijk vluchten ze, zo vlug als het kan naar de Erpseweg. Daar houden ze Duitse legervoertuigen staande die vanuit Veghel op de terugtocht zijn voor het geallieerde leger, om mee te kunnen liften naar Erp, bang om afgesneden te worden door het zojuist gepasseerde eskader. En wij? Niet direct beseffend wat de reden is, liggen wij ineens alleen in de sloot. Als we zien dat de Duitsers massaal op de vlucht zijn geslagen, durven we voorzichtig uit de sloot te kruipen en gaan behoedzaam lopend door de velden van het Rouwveld en de Langsteeg naar de Eeuselsteeg en verder naar huis.  

Johan: Met z’n allen op de terugweg door deze d’Uwselsteegt, komen we langs het hekkengat van de wei met koeien van Jan van Asseldonk. In dit hekkengat ligt een dode koe met de poten in de lucht gestoken, en met een strakgespannen volle uier met melk. Nou had ik als kleine jongen van bijna 4 jaar door de boeren van het Havelt al vaak genoeg de koeien zien melken. Maar hiervoor was ik nog te klein, zeiden ze telkens als ik eens vroeg of ik dat ook ‘n keer zou mogen? Maar nu greep ik mijn kans. Mij losrukkend uit vader’s hand, rende ik naar de koe, pakte de strikkels en ging haar op mijn manier, dus zonder emmer, melken.

Een eindje verder ligt in de wei van Jan van den Oever zijn paard woest om zich heen te slaan. Het is zwaar gewond en niet meer van de dood te redden. Het wordt later op de dag uit zijn lijden verlost. Daags erna wordt er paardenvlees uitgedeeld onder de mensen van Het Havelt.

Het Havelt, wel en wee van een Veghels buurtschap (Veghel 2011) 42-143   Adriaan (Jas) van Stiphout (Kreugenstraat 3) vertelt: Samen met de gezinnen Hazelberg en Van de Rijdt moesten we van de Duitsers in een sloot tegen de Erpse weg liggen. Ondertussen schoten de vlakbij gelegen Duitse soldaten met mitrailleurs naar de Engelsen in de richting van Veghel. Steeds schreeuwde en vloekte een Duitse officier om zijn manschappen aan te porren. Het was voor ons niet uit te houden, wanr we lagen op elkaar in de sloot. (..)

De granaten van de Engelsen die terug schoten kwamen links en rechts van ons neer. Het werd nog gevaarlijker toen  de geallieerden de Duitsers ook met vliegtuigen aanvielen. De Duitsers zaten gehurkt achter de eikenbomen, waar wij vlakbij in de sloot lagen. Ik zag dat er een werd geraakt. Het schreeuwde het uit van de pijn en viel neer. Weer even later lag hij volkomen stil. Zijn twee stijve armen staken omhoog. In zijn linkerhand had hij zijn geweer en in zijn rechter zijn rozenkrans.

Intussen ploften de granaten steeds dichter bij ons neer en je zag telkens een stofwolk. Iedereen krijste en huilde. Maar mijn moeder werd stil en omdat ze er van overtuigd was, dat we allemaal zouden omkomen greep ze de kinderen die dicht bij haar lagen bij de hand en zo werd er een oefening van berouw gebeden. Meteen daarna kwam er een grote Duitse tank op ons afgereden vanuit een weiland. Hij wilde juist de Erpseweg oprijden. Omdat we zagen dat hij niet stopte voor ons, doken we opzij om niet overreden te worden.

Uiteindelijk kwamen we terecht in de schuilkelder van de familie Somers en Verbeek, die ook gevlucht waren. Daar op het stro vielen we door de vermoeidheid meteen in slaap. Echter niet voor lang, want we werden wakker door het gehuil van een baby. Het was donker en vader had met een deken de schuilkelder in tweeën gedeeld. Hij kwam ons vertellen dat de Engelsen een baby hadden gebracht. Wij sliepen weer in. De volgende dag toen het licht was zagen we moeder in het stro liggen met een kindje in haar armen. Het stro was nat van het bloed. Vader wist niet wat hij moest doen en is toen even naar buurman Ties van Dooren gelopen. Ties kwam een half uur later met een Engelse dokter die moeder verzorgde.

 
Brabants Dagblad, 29 september 1994.   De volgende dag, 23 september was relatief rustig. In de Duitse aanval zat niet veel fut meer en een actie ten zuiden van Veghel werd na het verlies van maar één tank gestaakt. Britse grondtroepen, terugkerend van het gebied Grave-Nijmegen, hadden er weinig moeite mee de corridor weer te openen. De Duitsers die de vorige dag uit de richting Deurne waren aangerukt, kozen de weg terug uit angst te worden afgesneden.

Herinnering van Graard van Eert verteld op 23 februari 2007.   Graard van Eert ging toen naar de meid op het Havelt (dat was Jans, dochter van Tinus Zomers aan de Kreugestraat). Doruske van Sleeuwen vree toen met Jans van den Oever. Er was gevochten op het Havelt en Graard en Doruske gingen op de fiets kijken. Graard vertelt: “Veel boerderijen stonden er in brand. Hier en daar lag een lijk en dooie koeien. Bij de Driewegenschei stonden twee tanks tegenover elkaar, de doden zaten er nog in, hoorden we. Mijn schoonfamilie kwam net aanlopen. Ze vertelden hun verhaal. Mijn schoonmoeder (Zomers) was met haar moeder, twee dochters en een zoon een dag tevoren uit de schuilkelder verdreven. Een Duitse soldaat gooide zijn helm naar binnen om zich over te geven. "Alles gansch kaput!" zei hij. Ze moesten er toen uit (moeder, zoon en drie dochters) en zijn met moeite op Boekel heen gevlucht, samen met buurman Piet Verbeek. Tussen Erp en Boekel mochten ze ergens bij andere mensen in de schuilkelder. De kinderen moesten een schuilkelder voor zichzelf graven. Bij Zomers ging ondertussen buurman Bertje van Stiphout hun schuilkelder in. Daar werd toen midden tussen al het volk een baby geboren. Die werd door de soldaten naar het ziekenhuis gebracht. De boerderij van Zomers was niet afgebrand, maar er was geen eten meer in huis. Jans is toen met mij mee naar de Krijtenburg gefietst om eten te halen. Ze kon niet meer terug, want op dezelfde dag deden de Duitsers weer een aanval vanuit de richting Sint-Oedenrode naar Nijmegen waar het Tweede Engelse leger naar toe trok. Toen is ze bij ons op Krijtenburg in de schuilkelder gebleven. Het Duitse leger kwam vlak naast ons huis getrokken. Na een paar dagen kon Jans weer naar huis met het nodige voedsel."

Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), verliesregister 1939-1945.  

Datum

24 september 1944

Tijd

 

Plaats van crash

Zijtaart (bij Veghel)

Vliegtuigtype

Piper L-4

Vliegtuig nummer

 

Eenheid

101ABD

Eerste vlieger

Lt. J.M. Sherry

Een van de oorlogsslachtoffers was Jack L. Williamson van Autagamie county, Wisconsin in Amerika. Jack was tweede luitenant in de 907de Glider Field Artillery Battalion van de 101st Airborne Divisie. Als “Air Observer” moest hij vanuit het vliegtuig, een Pipercub, aanwijzingen geven aan de artillerie. De piloot heette John M. Sherry. Toen ze tussen Sint-Oedenrode en Eerde boven de zwaar bevochten weg vlogen, werden ze vanuit de grond door de Duitsers beschoten. Het vliegtuig stortte in Zijtaart neer, recht voor het huis van Frans Reijbroek (De Kampen 5). Allebei de bemanningsleden kwamen daarbij om. Ze werden in Son naast elkaar begraven. Later werd het lichaam van Jack herbegraven in Amerika en John vond zijn laatste rustplaats op het oorlogskerkhof te Margraten.

Een foto van het neergestorte toestel.





De crash-site. Het vliegtuig kwam neer
recht voor het huis van Frans Reijbroek (De Kampen 5).


Toegestuurd door Marc van den Berkmortel  

Ooggetuigenverslag van Sam Howard. Over dat vliegtuig, die neergeschoten Pipercub. Ik zag dat ding overvliegen en hij scheerde laag over de bomen. Er stonden daar veel bomen, daar waren geen grote open velden, veel bomen, bijna bosachtig. De grote weg daar had aan beide kanten diepe sloten, 3-4 meter diep. Het zuiden van Nederland is erg laag gelegen en modderachtig. Modder… dat hoort bij de oorlog. Hoe dan ook, ik zag het vliegtuig een eind verderop de bomen raken en rook opstijgen. Ik vertelde het luitenant Edwin Blake en wees naar de plek. Dus we gingen er met een klein groepje op af, ik dekk iemand die Toucksberry heette en Henry Keith was er in elk geval bij. We waren met een man of 4-5, met Blake voorop. We kropen door de sloten en zo, naar die bomen en waar de rook vandaan kwam, naar dat neergestortte vliegtuig toe. Het was een van de weerzinwekkende dingen die ik in de hele oorlog gezien heb, en ik heb er nogal wat gezien. Die kerels zaten in dat vliegtuig dat met zijn neus door de bomen heen was neergestort. Ze zaten met hun riemen vast in hun stoelen, de vlammen smeltten hun lichamen… je kon hun huis zien opbollen en koken en vloeibaar worden en van hun armen afdruppen. Het was echt verschrikkelijk, maar we konden echt niets voor hen doen, want ze waren allebei al dood.

 

Times, 12-11-1944  

Luitenant John M. Sherry, man van Mary Ellen Sherrry, 956 Rogers Street (Toledo, Ohio), was observatie piloot in de luchtmacht. In September 1944 kwam hij in Nederland om, Nu is hem posthuum de “Air Medal” toegekend, zo maakte de “War Department” gisteren bekend. Luitenant Sherry is afgestudeerd aan de “Sales College”. Hij kwam om tijdens een gevaarlijke opdracht over vijandelijk terrein, die hij vrijwillig op zich had genomen. Hij wilde hulp bieden aan Amerikaanse troepen die van het hoofdleger waren afgescheiden. Op 13 augustus 1942 kwam hij in dienst van het leger, en hierna diende hij 13 maanden in het buitenland. Hij was de zoon van meneer en mevrouw M.P. Sherry, die aan de Roger straat in Toledo (Ohio) wonen.

Brabants Dagblad, 29 september 1994.   Op 24 september drongen sterke Duitse troepen ten westen van Veghel op in de zandvlakten van Eerde. Ze troffen daar een naar verhouding niet al te sterke geallieerde gevechtsgroep, die maar over drie tanks beschikte. Deze werden kapot geschoten. De geallieerde commandant wilde zich daarom nog niet gewonnen geven. Er ontwikkelden zich gevechten van man tegen man, waarbij de dood niet meer leek te tellen. Tientallen Duitsers werden op de vlucht gejaagd en vijftien gedood. Eerde was een hel. De kerktoren, belangrijk strategisch uitkijkpunt, kreeg verscheidene Duitse salvo’s te verduren. Een voltreffer op een munitieauto deed de torenspits omlaag storten en maakte vele doden. Bij inspectie van de kerk bleek daar geen levende ziel te bekennen, maar afgaande op een mompelend geluid vond men daar in de kelder veertig biddende mensen. Tot overmaat van ramp overrompelden Duitse parachutisten die dag bij Koevering een Brits konvooi, waardoor de corridor nog weer eens geblokkeerd werd, en versterkten de Duitsers ’s nachts hun positie bij de blokkade met tanks, raketinstallaties en infanterie.

Brabants Dagblad, 29 september 1994. Kaartje en identificatie van de bataljons: Marc van den Berkmortel d.d. 5 mei 2010.   In de stromende regen, om drie uur in de nacht van 25 september, trokken drie bataljons geallieerde troepen vanuit Uden naar Veghel om bij Eerde de blokkade van de corridor aan te vallen. In Veghel opgesteld geschut maakte de weg vrij, maar de troepen stuitten op toenemende Duitse weerstand, met name van Duitse tanks die zich langs de route ingegraven hadden. Twee geallieerde bataljons moesten de strijd staken. Om 2 uur ’s middags werden ze afgelost door een reservebataljon, en nu met ondersteuning van tanks. Van twee kanten werden de Duitsers nu op de corridor ingesloten en grotendeels weggejaagd in de snel invallende duisternis. Deze dag gaf de mensen in en om Veghel meer te verwerken dan ze aankonden. Van over het kanaal schoten de Duitsers recht in de Hoogstraat. Tal van panden moesten treffers incasseren. Geen enkel huis bleef onbeschadigd. De straten waren bezaaid met puin en glasscherven. Talloze granaten teisterden grote gebouwen zoals de kweekschool en het klooster van de zusters.

Situatie op 25 september 1944



De twee geallieerde bataljons die de strijd moesten staken waren het 1ste en 3de bataljon van de 501 Parachute Infantry Regime. Het reservebataljon was het 1ste bataljon van de 506 Parachute Infantry Regime, en dat had haar kamp opgeslagen in Zijtaart. De tanks waren, zoals het kaartje laat zien het 44ste Royal Tank Regiment.





Op 24 september 1944 werd deze Sherman Tank van het 44th Royal Tank Regiment vlak bij de Koevering geraakt door een Duitse Jagdpanther. De tank stond onder het commando van Lance-sergeant Walter Worley, en ondersteunde het 506 Parachute Infantry Regime in een aanval om de Duitsers van de “Hell’s Highway” te verdrijven. Worley's tank vloog in brand en hij werd gedood, samen met nog twee andere bemanningsleden .


Bron: www. screamingeagles.nl
http://www.ww2-airborne.us/units /506/506.html (gestuurd door Marc van den Berkmortel)

 

  In de periode van D-Day tot november 1944 leerden de mannen van het 506de bataljon namen kennen als Sint-Oedenrode, Uden, Veghel, Koevering, Nijmegen, Opheusden en Randwijk, terwijl ze van stad naar stad vochten en elke tegenaanval afsloegen. Het 1e bataljon van het 506 PIR hield zich 24 tot en met 26 september op rond Zijtaart en het Zondveld bij de gevechten om de Duitsers van de Logtenburg en Koevering te verjagen.

De A compagnie van het 1e bataljon 506 PIR

gesprek met zuster Theodosia van Asseldonk op 14 november 2004.   Zuster Theodosia woonde in het klooster van de Franciscanessen in Veghel: "Met de bevrijding, toen was ik voort in de verpleging, toen hebben we meer meegemaakt, want toen kwamen al die gewonden. Toen hebben we wel hard moeten werken. Ja, heel veel gewonden kwamen er. Op een gegeven moment kwamen er veel uit Eerde, daar van de Wilbertshoek. Vissers was neergeschoten, een broer van Harrie Vissers, waar ons Nel mee getrouwd is geweest. Wilbertshoek was allemaal afgebrand, dat was toen heel erg. En die mensen kende ik allemaal, omdat ik bij ons Nel gewerkt heb. En toen was ik nog niet helemaal geslaagd, maar toch wel in de verpleging voort. Dus wij moesten eigenlijk dag en nacht werken. We zijn ooit in een heel week niet naar bed geweest. En je had geen tijd eigenlijk om bang te zijn. De patiënten lagen allemaal in het souterain. Boven was het kapot geschoten bij Sint-Jozef. De gewonden lagen onderhand voort in de keuken en ze lagen overal. Maar ja, dat heb ik ook weer overleefd."

Correctie door Piet Vissers uit Eerde d.d. 15 oktober 2013:
dit moet zijn een zus van ome Harrie, nl. tante Dina van der Heijden-Vissers. Deze was door een granaat geraakt en is de dag daarna overleden in Veghels ziekenhuis.

PA Zijtaart, doopboek.   Op 25 september 1944 kreeg Theodorus Gerardus Joannes van Boxmeer, zoon van Hendricus van Boxmeer en Maria Huberta Dobbelsteen wegens oorlogsgevaar een nooddoop te Lieshout. Op 5 oktober 1944 werd hij in Zijtaart herdoopt.

Verteld door Janus van Nunen op 15 april 2007.  

Janus van Nunen: "Die soldaten waren ook maar jongelui. Die wilden graag bij ons binnen zitten. Mondje dicht deed ik met een vinger tegen mijn mond. “Kom maar mee.” Dan zaten ze bij ons en dan moesten ze ook mee het rozenhoedje bidden en aardappelen schillen. Ze zagen geen vader. Eentje tekende een doodskist met een kruis er op. “Father?” Wij knikten: “Ja”.

Na drie dagen kwamen er weer andere soldaten, dan werden ze afgewisseld. Ze gingen naar het front vechten, naar Arnhem. Op een keer kwamen ze aanrijden met een grote zog voor op de jeep. Die hadden ze aangeschoten en die werd kort gemaakt. Piet van de Linden, onze buurman, vroeg, “Gort, zouden wij er ook niks van krijgen?” Ze konden vlees komen halen en wij kregen ook gedures wat. Bij ons op stal hadden we veel appels in de koebak liggen. “Eet maar op,” zeiden wij, “er zijn er zat.” Daar waren ze gek op. Dan kregen we chocolade en sigaretten zoveel als we maar wilden. Ik was geen roker maar we konden er zoveel krijgen als we wilden.

Ze waren van verschillende afkomst. Er waren Engelsen met schotse rokken aan, een groepke protestanten, die hadden op zondag mis in de bogert. Er waren ook katholieken. Bij de put stonden twee grote essebomen, daar stond ook altijd een groep van een of ander geloof. In de Heisteeg lag een troep met helmen met een doodshoofd er op. Die hadden ‘t op Pruisisch goud. Wij hadden een gouden hartje, daar hadden ze ‘t op. En op hennen, als die maar hennen te eten kregen. Dat waren ook Amerikanen, stoottroepers."

 

Foto's: collectie Piet Vissers uit Eerde, gestuurd door Marc van den Berkmortel  








Deze foto’s zijn gemaakt rond de bevrijding in september 1944 bij Van Dooren op het Dorshout. Van Dooren was daar boer en handelaar in jongvee. Hij is de man in de witte mèrtjas en met de pijp in zijn mond en een pet op. De boerderij van Van Dooren staat er nog steeds.Het betreft de 327ste GIR, dat latere hevige strijd leverde bij de Lambertuskerk, waarbij toen ook een anatal militairen gesneuveld zijn.

Op de tweede foto van links staan: de vrouw van Tinus van Doren, Lloyd Gros, #?, #?, #?,  Louis M. Simpson, Robert Hugh Evans, sergeant Jewell Hayden en een burger. Hurkend: onder andere Tinus van Dooren, liggend: Dennis Parsons.

Op de derde foto: v.l.n.r.: #?, Tinus van Dooren, Maj. Lee O. Jones?, Lloyd Gross (met arm om buurman heen geslagen), Gene Cavanaugh, Bob Galdwin (G/501), burger?, Earl Dunfee (knielend bij rechterpaal met iets in zijn hand) en Jan van Dooren (zoon van Tinus, hangend tegen rechterpaal).

Op de rechtse foto staat Tinus van Dooren met captain Robert Hugh Evans.


Foto's: collectie Piet Vissers uit Eerde, gestuurd door Marc van den Berkmortel  





Deze twee foto's zijn in 1944 gemaakt bij de boerderij van Christ Jonkers aan de Willebrordushoek (Eerde). De foto's zijn genomen door Gerrit Vreijling, een onderduiker die toen bij de familie Vissers ongergedoken was. Aan de linkerkant van de weg liggen op regelmatige afstand schuttersputjes. Deze waren op last van de Duitsers door burgers gegraven. De Duitsers hadden dus wel door dat er langs deze weg wat stond te gebeuren. In die tijd woonden in deze boerder Jan van der Heijden en Dina Vissers, een oom en tante van Piet Vissers. Dina werd in september 1944 door een granaat geraakt en overleed aan de verwondingen. Jan Deckers schrijft in zijn dagboek: "Jan van der Heijden kreeg als gevolg van het ongeluk met zijn vrouw zo'n hevige shock dat hij voor zijn hele verdere leven hulpbehoevend was".



Verteld door Harrie van Asseldonk op 25 september 2007.   Harrie van Asseldonk: "Een week na de luchtlanding stonden er tanks van de geallieerde troepen rond ons huis opgesteld (huidig adres: Weievenseweg 42). Bij ons thuis waren grote mannen, de staf, gelegerd. Die regelden van alles. Er stonden gevechtswagens en er stond ook een keukenwagen. We kregen er kwattas van en ons vader ook sigaretten. Met verrekijkers keken ze over de velden uit naar Duitsers. Die hebben toen ook Duitse krijgsgevangenen gemaakt."

Verteld door Piet van de Tillaart op 28 juni 2007; foto: collectie Liesbeth Vssers - Van de Tillaart.   Op de foto staan soldaten ingekwartierd op Hoeve Corsica. Piet van de Tillaart vertelde: “De middelste soldaat ik ben zijn naam even kwijt, dat was zo’n doetje een. Ons vader was ham aan het snijden. Hij wou die ook op de boterham. Hij vroeg aan ons vader: “Hebt u die ham zelf gemaakt.” “Nee,” had Tinus geantwoord, ”dat laat ik ’t varken doen.” Iedereen lag dubbel van het lachen.”

Verteld door Piet van de Tillaart op 28 juni 2007; de datums van doop en begravenis komen uit het parochiearchief van Zijtaart; foto: collectie Liesbeth Vssers - Van de Tillaart.  

Piet van de Tillaart vertelt: "De Engelsen die bij ons op Hoeve Corsica waren  hadden van die Hauwitzers krombaangeschut. Rond 25 september kregen ze het bericht dat er bij de kanaal aan de verbreding nog Duitsers zaten. Toen hebben ze vanaf ons erf geschoten. Er gingen van die grote hulzen in dat kanon. Daar deden ze elke keer een bos kruit in, van die staafjes. (Dit was een kardoeskoker of kardoeshuls met cordiet. Zie de uitleg bovenaan bij dit kroniekjaar.)

Ze knoeiden er nogal mee, en onze Adriaan verzamelde dat kruit, samen met zijn vriendjes Jaske van Erp en er was er nog eentje meer bij. Dat waren toen jong van een jaar of dertien. Ze stopten het kruit achter hun blouse. De Engelse soldaten kookten hun eten in potten op kerosine, en de jongens stonden daar bij te kijken. “Adriaan ! Eten!!” werd er geroepen. Onze Adriaan struikelde en viel toen op die pot met vuur. Een grote steekvlam, al het kruit achter zijn blouse ontplofte. Ik zie hem daar nog liggen. Ons vader was er als eerste bij en probeerde het vuur uit te maken. Dat kreeg hij ook uit, met hulp van die Engelse soldaten.

Onze Adriaan was vreselijk verbrand. Bij Driekoom Biemans zaten ook soldaten. Een van die Engelsen werd er bijgeroepen. Die wreef wat en prevelde wat en de pijn was weg. Onze Adriaan werd kalm. Hij is toen door ons vader direct naar het ziekenhuis gebracht. Dat was levensgevaarlijk want er werd nog veel geschoten. Onze Tjeu, mijn oudste broer, lag al in het ziekenhuis, hij had een scherf van een granaat door zijn bovenarm gekregen. Adriaan kwam naast onze Tjeu op dezelfde kamer te liggen. We konden er daags erna niet naar toe, omdat er nog veel geschoten werd, maar Adriaan is toen ’s anderdaags om 3 uur ’s middags gestorven. Onze Tjeu vertelde dat Adriaan goed bij bewustzijn was toen hij stierf, en dat hij zonder pijn gestorven is. Het was de tweelingbroer van onze Harrie. Onze Harrie leeft nog. Toen had je nog geen brandwondencentrum en zoiets allemaal.” Adriaan werd op 29 september 1944 in Zijtaart begraven. Hij was geboren op 23 augustus 1931.

 

Verteld door Nel Rietbergen op 17 december 2007.   In 1944 brandde de bergplaats van het ouderlijk huis van Nel Rietbergen - Thijssen af. Haar bejaarde vader, Toon Thijssen, woonde daar toen met zijn jongste dochter Gerarda (die trouwde met Egidius van Kessel). Nel vertelt: “Na de bevrijding waren er Engelsen bij ons gelegerd. Die waren ‘s avonds buiten thee aan het zetten. Engelsen, dat zijn van die theedrinkers. Maar er mocht buiten geen licht te zien zijn, en toen er vliegtuigen overkwamen gingen ze hals-over-kop naar binnen, de schuur in. Daar goten ze opnieuw benzine of zoiets over de brander. Dat veroorzaakte een grote steekvlam tot boven aan het dak. Het hooi vloog in brand. Er lagen al soldaten in het stro te slapen en iedereen moest als de bliksem naar buiten. Met een auto moesten ze bluswater gaan halen in het kanaal. Ze klommen ook op de nok van het dak om de gording door te zaken. Daardoor viel het dak omlaag op het hooi en dat doofde het vuur. Daardoor is het voorhuis gespaard gebleven. Er is nu nog een zwarte schroeiplek op een balk te zien. Nee, dat was niet zo leuk. Hendrik was nog bij de brand wezen kijken.” Het duurde enkele jaren voordat het afgebrandde deel hersteld werd. In 1948 erfde Hendrik Rietbergen het huis en verhuisde hij vanuit Zondveld daar naar toe. In 1950 herbouwde hij het stalgedeelte.

Herinneringen van de kinderen van Bakel in de jaren tachting door Jan van Bakel in Canada op schrift gesteld, collectie Mari Brugmans.   Tonnie van Bakel herinnerde zich een voorval dat zich gedurende de oorlog voordeed bij haar ome Bert en tante Tonia. Er waren blijkbaar Engelse soldaten ondergebracht op boerderijen en sommigen van hen hadden teveel gedronken. Een soldaat rende achter tante Tonia aan en toen ze opzij sprong liep hij recht in een gierkelder.

Geallieerde soldaten gooiden kauwgom en repen chocolade uit hun jeep. Maria van Bakel vertelde dat ze het jammer vond dat ze zo jong was toen de Amerikaanse soldaten bij hun in huis verbleven, want een kusje was nogal wat chocolaatjes waard.


Fotos en informatie via Marc Berkmortel van Piet Vissers in Eerde.   Piet Vissers in Eerde bezit nog een boekje van Engelse soldaat, opgedragen aan een zekere Marie. Marc van den Berkmortel deed naspeuringen en vertelt:




Zoals het er nu op lijkt heeft John Meirion Jones zijn aantekening in dit woordenboekje (zie foto) geschreven voor Marietje Hurkens ('Marie' volgens zijn afkorting). De familie Hurkens heeft langere tijd de was gedaan voor een engelse soldaat. Deze soldaat heeft zijn dankbaarheid willen tonen en Marietje dit boekje gegeven. De familie Hurkens kreeg vaak extra zeep voor de geleverde dienst. Marietje Hurkens is nu 83 jaar, woont nog in de buurt van Piet Vissers.

Inmiddels hebben we contact met John's zoon Huw. John heeft zijn opleiding gehad op Stormy Down Porthcawl, Wales. Daar heeft hij zijn latere zwager Peter van der Sanden leren kennen. Deze Peter van der Sanden kwam via de Prinses Irenebrigade in Wales terecht, nadat hij aan de Zuid-Willemsvaart had gevochten in de meidagen van 1940. Peter trouwt John's zuster Winnifred en kreeg 4 kinderen bij haar. Ná de oorlog is deze familie Van der Sanden weer naar Holland verhuisd. Verder informatie over deze Familie Van der Sanden heb ik nu nog niet. Klinkt aardig Brabants, dus wie weet?

Huw Jones is er niet helemaal zeker van dat zijn vader in Holland is geweest in de oorlog, maar waarschijnlijk lijkt dit toch wel. Waarschijnlijk is hij met de 3e Canadese leger met D-day naar Europa gekomen en heeft hij een rol gespeeld bij de strijd om de Corridor. Daarna is hij een tijdje in de regio gebleven, mogelijk is hij ergens ingekwartierd geweest . Daarna heeft John Meirion Jones deelgenomen aan de strijd in de zgn. 'Battle of the Bulge' (Het Ardennenoffensief). Op 1 januari 1945 is hij daar door een paar vechtende dronken Frans-Canadezen en 'Free Norwegians' in zijn been geschoten. Via Andy Ingham, historicus van 127 Squadron, weten we dat John op het einde van de oorlog mogelijk heeft gediend als Aircraft Engine Fitter in 6127 Servicing Echelon, mogelijk is hij toen nog op B.85 Schijndel geweest bij het 127 Squadron. Hij is in dienst van de RAF 3 keer gevangen genomen, éénmaal zelfs door het verzet die zijn RAF-vleugels op zijn uniform aanzagen voor een adelaar van de Luftwaffe. John leeft inmiddels niet meer, maar zo krijgen we het verhaal wellicht nog aardig compleet. Ook zijn zoon Huw wist hier nog weinig van.

 
Verteld door Annie Berkmortel - Timmers op 21 februari 2006.   "Ik heb in het najaar van 1944 mijn been gebroken en ons moeder (Tonia Timmers - van Asseldonk) die vervoerde me regelmatig per kruiwagen naar een Engels kampement dat zich bevond achter onze mestvaalt. Dan mocht ik de hele dag in zo’n groene tent liggen. Ik vond dat geweldig." Ook bij Jas Vervoort in de schuur waren Engelse soldaten gelegerd. "We kwamen daar altijd voorbij als we naar school gingen en hadden zo’n schrik, vooral van het starten van die motoren."

"Bij Jas van de Tillaart stond een Engels kanon op de plak. We haalden daar van die ronde zakjes met fosforstokjes vandaan. Dat spul brandde goed en we hebben daar nog jaren de kachel mee aangemaakt."

"Wat ik nooit vergeet is het geluid van overvliegende V1’s. Dat was zo’n fluitend geluid en ons was verteld, dat als het fluiten op zou houden ze naar beneden zouden komen. Ik kan me niet herinneren dat er hier in de buurt ooit een naar beneden is gevallen. Onze buurman, Johan van de Rijt, had zo’n schrik van die dingen. Die rende altijd het binnenveld in."

Brabants Dagblad, 29 september 1994.   Op 26 september een keer in de situatie. De Duitse troepen namen ten slotte de wijk in noordelijke richting. De corridor van Valkenswaard naar het noordoosten, die in totaal zo’n dag of zes geblokkeerd was geweest, lag open maar het duurde nog uren voor de geallieerden alle mijnen hadden opgeruimd waarmee de Duitsers de weg hadden verziekt. Pas om één uur in de namiddag kwam het verkeer op gang: een enorme stoet van vrachtwagens, gescondeerd door geniesoldaten, die de smalle “Hell’s Highway” met ijzeren platen verbreedden. Maar de doorbraak naar het noordoosten, die bij Veghel zo moeizaam was bevochten, bleek nog diezelfde 26ste september een diepe teleurstelling voor de geallieerden op te leveren. De laatste luchtlandingstroepen bij Arnhem waren gevlucht of hadden zich overgegeven. Verder dan Nijmegen kwamen de geallieerden niet.

Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 263.   Na 26 september beperkten de Duitsers zich ertoe om het drukke verkeer op de weg zoveel mogelijk te verstoren. De amerikaanse parachutisten vertrokken uit Veghel om elders te gaan vechten. Er bleven nog Britten achter.

Doc. GAvB.   Graard van Boxmeer: 'Tot 31 september 1944 bij dag veel tijd in de schuilkelder, maar 's nachts altijd. Zeer zware dagen, zwaar kanonvuur, mitrailleurvuur en granaten vlogen over ons heen.'

2 oktober 1944: 'In Eerde was de slag nog erger. (..) Op 't Havelt veel koeien en paarden dood. In Eerde ontzettende verwoesting.'


Gesprek van Marc van den Berkmortel met Tijn en Mien van den Tillaart op 13-2-2011   De familie Van den Tillaart in Eerde was tijdelijk verhuisd naar een verblijf genaamd De Logt in Wijbosch, maar op 2 oktober 1944 moest iedereen Wijbosch weer verlaten van de Duitsers. Tijn heeft toen op deze nachtelijk tocht naar De Barrier (tussen Schijndel en Sint Michielsgestel) met de familie een wagen getrokken. Die nacht hebben ze nog een duitse militair ontmoet, verward of dronken, die hen met zijn paard naar Sint Michielsgestel heeft gebracht.

Vooral de chaos bij terugkomst was onthutsend: overal munitie, het huis geplunderd, geen deuren of vensters meer in het huis. De vensters, deuren maar ook ledikanten waren gebruikt om schuttersputten en loopgraven van te maken. Alles was ingegraven in de grond. De hele familie was gewond geraakt door scherven. Tijn en zijn oudste broer moesten als eerste terug naar het ouderlijk huis als een soort kwartiermakers. Ze zijn meteen begonnen met het opruimen van mijnen en munitie, het dichtmaken van kraters en schuttersputten. Op 1 perceel heeft Tijn 7 paarden moeten begraven, in totaal honderden schapen. Op één plaats waren al 100 schapen in een schuur door brand omgekomen. Achter het huis vonden ze nog ingeblikt eten van de Engelsen (corned beef), dat werd opengemaakt, verwarmd en opgegeten. Tijn heeft nu nog een litteken aan zijn vinger van het openen van het blik. Toen hen de vraag werd gesteld: “En, leve ze nog allemaol bij ullie?” drong bij Tijn pas door wat er allemaal gebeurd was en wat er nog meer had kunnen gebeuren.

Gesprek van Marc van den Berkmortel met Tijn en Mien van den Tillaart op 13-2-2011   Tijn heeft vele schuttersputten en bomkraters weer moeten dichtmaken. Hij herinnert zich een perceel van 40 are (4000 m2) waar 200 (!) granaten waren ingeslagen. Tijn komt er meermalen op terug dat het moeilijk is om een bepaalde sfeer te schetsen, het is het totaalplaatje, het gevoel, de leegte die je niet kunt voelen of begrijpen als je het zelf niet hebt meegemaakt. Hij hoopt dit beeld met zijn herinneringen wat beter neer te kunnen zetten.

Verteld door Piet van de Tillaart (Hoeve Corsica) op 28 juni 2007.

 

Piet van de Tillaart vertelt: "Bij de bevrijding is er gruwelijk gevochten in ‘t Eerds Broek. Daar woonde Harrie Ruijs. Die was gevlucht. Anna, zijn vrouw, was hoogzwanger, en is toen onderweg in Eerde in een sloot bevallen. Toen kwamen ze bij ons aanzetten met die kleine en nog twee kinderen, Jan en Dineke. Harrie en Anna zijn toen een paar weken bij ons geweest, en Jan en Dineke zijn zo’n acht-negen maanden gebleven.

Op een gegeven moment werd het wat rustiger en Harrie Ruijs vroeg aan mij: “Ga eens mee kijken of mijn huis er nog staat.” Wij er naar toe. Nou, ik heb nog nooit zo’n slagveld gezien. Geen huis, geen kippenkooi stond nog overeind. Er lag geen steen meer op een andere steen. Overal lagen doden, de loop lag tot boven toe vol met lijken. Een dode soldaat zat tegen een boom met zijn pasternoster nog in zijn hand. Er lag een soldaat zonder benen met een foto in zijn hand, ik weet niet meer wat voor foto, van zijn vriendin, of van thuis. De lijken waren al verkleurd, die lagen er al een paar dagen. De dode paarden en koeien waren opgezwollen. Die lagen met dikke buiken in de wei. Er stonden biezenstruiken en die was op een halve meter hoogte helemaal afgemaaid door een clusterbom, of kettingbom. En het was doodstil. Zo akelig stil. We hebben al tijd niks tegen elkaar gezegd. Geen vogeltje floot, heel de natuur was stil. We zijn zwijgend naar huis gegaan. Ik heb er nog heel lang niet over kunnen praten." Piet raakt nog wat aangedaan nu deze beelden weer bovenkomen.

"
Daar woonde ook familie van mijn moeder, een Biemans, en die had niks meer, alleen een veldje met bieten was er overgebleven. In de herfst gingen wij er die bieten ophalen. Van Grinsven uit Eerde reed met de romkaar over dezelfde weg en reed toen op een landmijn. Het hele span vloog de lucht in Van Grinsven was dood. Wij hadden al drie keer met de hoogkaar over dezelfde weg gereden. We hebben geluk gehad. Misschien dat Van Grinsven uit het karrespoor heeft gevaren."

BHIC, toegang 7699, inv. nr. 305    Op 4 oktober 1944 speelden Harry en Tiny, kinderen van Johannes Martinus van Asseldonk en Maria Hendriks op het Havelt met een handgranaat. Ook Tieske (7 jaar) en Pietje (6 jaar) Verbruggen kwamen toen om. Fragmenten van de bidprentjes. 

Van Harrie (9 jaar): 

Ze speelden met een handgranaat 
Hun spel klonk luid en blij. 
Plots 'n felle knal en zij.... 
Zij schouwden in Gods schoon gelaat.

Vader, Moeder, allen die ik ken 
Ik bid voor U, want ik blijf uw kindje, 
Uw Harrie, uw broertje, uw vrindje. 


En Tiny (7 jaar): 

Zijn liefde tot z'n Jezus was zo groot. 
Hij bleef Hem trouw tot in de dood. 
Want toen zijn lichaam vol was van 't lijden, 
neergesmakt lag in de sloot, 
heeft hij z'n armen, zonder handjes, beiden
samengevouwen tot een bidden zoals Jezus
die met doorboorde handen, bloedendrood
Zich stervend aan Zijn Vader bood. 

Nog even heeft hij lijdend, stil gewacht, 
Toen dapper stervend met zijn Jezus samen, 
Die zei: "Het is volbracht"
heeft hij gezegd: het zij zo "amen",

Vader, Moeder, allen die ik ken
Ik bid voor u, want ik blijf uw kindje, 
Uw Tini, uw broertje, uw vrindje.


Het Havelt, wel en wee van een Veghels buurtschap (Veghel 2011), 78, verteld door Mien Vissers - van Asseldonk.   Vader (Jan van Asseldonk, nu De Eeuwsels 2) was in de boomgaard bij de boerderij aan het appels plukken. Hij hoorde een knal en zei meteen: “Als dat onze jongens maar niet zijn.” Hij liep er direct naar toe, want het was vlak bij ons huis. Hij zag daar zijn kinderen liggen. Later heeft hij verteld hoe onbeschrijfelijk vreselijk het was de zwaar verminkte lichamen van zijn zoontjes daar te zien. Hij is met de militaire ambulance mee naar het ziekenhuis gegaan en met de kinderen die nog iets konden zeggen heeft hij gepraat. (..) De vaders van de kinderen moesten nog een boom omzagen om plankjes te hebben voor de kistjes.

Klik hier voor een filmpje over deze trieste gebeurtenis.

Het Havelt, wel en wee van een Veghels buurtschap (Veghel 2011) 192-193, verteld door Martien Hoevenaars   “Ik was thuis gekomen met een busseltje sprieten, geel van kleur, 10 cm lang. Ik blij, zei tegen ons moeder: “Daar kan onze pa een scheerborstel van maken want die heeft hij geen,” maar ons moeder zei: “Gooi die troep in de kachel, het kan wel vergif zijn.” Ik doe het fornuis open, gooi het erin en ineens een groen blauwe vlam, het was kruit. Ik had mijn rechterarm, voorhoofd en knieën verbrand. Dus ons vader op de fiets met mij naar het veldhospitaal. Mijn voorhoofd, armen en knieën moesten in het verband. Omdat ik gewond was kon ik niet meer met de jongens gaan zoeken naar allerlei troep, dus ik was er niet bij.

Ze zijn ‘s morgens nog bij ons geweest en toen om 12 uur een vreselijke klap te horen was, zei ons moeder meteen: ”dat zijn onze jongens”. Mijn vader (Tinuske Hoevenaars, Heuvel 32-33) ging er vlug naar toe en het waren Harrie en Tini van Asseldonk en Tini en Pietje Verbruggen. Ze hadden een handgranaat gevonden in de sloot en gedemonteerd. Het gevolg was dat Harrie (stukken trui van hem hingen in de struiken) accuut was overleden, net als Pietje Verbruggen. Een ambulance van de Engelsen bracht de gewonden naar Veghel, maar Tini van Asseldonk was een handje kwijt en had een gat in zijn buikje. Ons vader was er bij en zei: “Menneke bid maar wat.” Hij deed zijn handjes bij elkaar en stierf in de ambulance. Pietje Verbruggen heeft nog geleefd, ik denk een week. Leentje van Asseldonk was daar ook vlak bij en haar gezichtje was een en al splinters van de granaat. (..) Mijn moeder zei: “Het zijn engeltjes in de hemel die op een wolk zitten,” en af en toe meende je echt dat je ze zag zitten.”

Doc. GAvB.   Van 5 tot 7 oktober 1944: 'Nog hevig kanongebulder vanuit Gemert, Helmond en Eerde.'

Beeldbank WO2   Enkele publicaties van het militair gezag van 11 oktober 2010. Een derde publikatie van die dag luidt als volgt:





Bekendmaking.


In opdracht van den plaatselijken commandant der geallieerde strijdkrachten wordt het navolgende ter kennis van de burgers der gemeente Veghel gebracht.

1. De verkoop van alcoholische dranken aan ter plaatse gelegerde militairen is verboden.

2. Op het verduisteren dient met zorg gelet te worden. Iedereen wordt verzocht deze zoodanig te doen zijn, dat niet het minste licht naar buiten schijnt. Controle zal hierop worden uitgeoefend.

3. De straten, voornamelijk de bochten dienen onder alle omstandigheden zoveel mogelijk vrijgelaten te worden, zodat de voorbij trekkende onderdelen gee belemmering door op de stratenaanwezige burgers ondervinden.

4. Tegen het plunderen van huizen waarvan de eigenaars niet meer aanwezig zijn, zal met de meest gestrengheid worden opgetreden, alsmede tegen het eigenmachtig gewelddadig optreden van burgers om persoonlijke veten uit te vechten. Eenieder dient te begrijpen, dat onder alle omstandigheden rust en orde een eerste vereischte is voor de gang van zaken.

In Uw eigen en het algemeen belang wordt eenieder verzocht zich aan bovenvermelde punten tstrikt te willen houden.

K.P. Veghel

Doc. GAvB.   Van 12 tot 15 oktober 1944: 'Nog uit vele plaatsen hoorde men de kanonnen bulderen, zoals Boxtel en Tilburg.'

Herinneringen van de kinderen van Bakel in de jaren tachting door Jan van Bakel in Canada op schrift gesteld, collectie Mari Brugmans.   Op een dag stuurde Maria Bressers, die bij Frans van Bakel ondergedoken zat en er eind 1944 nog woonde, een Duitse soldaat die verdwaald was recht naar de geallieerde zone. Twee dagen later kwamen de Duisters met hun geweren in de aanslag om haar te halen. Frans van Bakel was erg zenuwachtig, omdat zijn kinderen er allemaal bij waren en hij wist niet wat de soldaten zouden doen. Een tijdje later werd Maria weer vrij gelaten.

Zoontje Theo van Bakel, geboren op 1 september 1941, dronk heet water uit de tuit van de ketel die op de kachel stond te koken. Hij herinnerde zich onderduiker dat Henk Nieboers hem kwam bezoeken toen hij in het ziekenhuis lag.

In 1920 kreeg moeder Hendrika van der Zanden voor haar zeventiende verjaardag een lange gouden ketting met een gouden horloge, grote gouden oorbellen, een gouden broche en een grote haarspeld. Nu de oorlog afgebroken was, kwamen veel naar geld hongerende mensen langs de deur op zoek naar goud, Ze vroegen moeder of ze haar sieraden mochten zien, maar moeder weigerde dat. Vader moedigde moeder aan om haar gouden sieraden te laten zien en toen ze die zagen, deden ze natuurlijk alles om haar om te praten. In ruil ervaar kreeg ze een horloge voor Corrie. Dit was een ruil waar Hendrika altijd spijt van gehad heeft.

Herinnering van Graard van Eert verteld op 23 februari 2007.   Graard van Eert herinnert zich dat hij met de romkaar reed, en dat er net over de hoge brug aan de linkse kant een granaat insloeg en ontplofte. “Het paard verschoot. En ik ook.” Een paar stappen verder sloeg een granaat in aan de rechtse kant, bij het oude zwembad. “Wij waren toen al bevrijd. De Duitsers schoten toen vanuit Schijndel.”

‘Luchtlanding in Brabant', uit ‘Four stars of Hell' door Laurence Critzbek (New York); Het Huisgezin, 23 oktober 1954.   Aan de westzijde van de Corridor hadden de geallieerde troepen begin oktober een aaneengesloten front gevornmd in de linie Oss – Veghel – Best. Achter dit front stonden nieuwe troepen gereed om Den Bosch en Tilburg in te nemen. Op 23 oktober werd Schijndel ingenomen. Daarna werd Den Bosch bevrijd.

Doc. GAvB.   21 oktober 1944: 'Hevig geschoten, Duitse vliegtuigen in de lucht.'

22 oktober 1944: 'Een 2-ledige luchtaanval op 's-Hertogenbosch.'

23 oktober 1944: 'Nog 6 km van Den Bosch. Hier brandde de strijd los om Den Bosch, geweldig kanongebulder vanuit Eerde, Schijndel en Dinther. Dit alles gericht op 's-Hertogenbosch.'

26 oktober 1944: 'Bij ons alle gevaren geweken.'

Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), verliesregister 1939-1945.   Op 29 oktober 1944 stortte er een vliegtuig neer op de Doornhoek. Ik (mva) herinner me dat Frans Munsters daar in de zestiger jaren is gaan graven en enkele stukken metaal, restanten van de straaljager, opgroef. Jan Vervoort en Martien van Asseldonk volgden later Frans' voorbeeld en vonden munitie.

 

Datum

29 oktober 1944

Tijd

11.00 voormiddag

Plaats van crash

Zijtaart (bij Veghel)

Vliegtuigtype

Spitfire IX

Vliegtuig nummer

MJ397

Eenheid

Squadron 442

Eerste vlieger

S’Ldr. W.A. Olmstead


Piloot Olmstead was in Volkel opgestegen en bombardeerde een truck bij Munster. Toen hij boven de truck vloog liep hij schade op van de ontploffing van een van zijn eigen bommen. De piloot verloor het bewustzijn. Olmstead: "Toen ik bijkwam vloog het vliegtuig op zijn kop, en dook naar de grond. Het was bestuurloos geworden, de vleugels waren krom, de kockpit was ingedeukt en de staart was er af aan het vallen. Het vliegtuig zat vol kogelgaten." Olmstead kon niet meer landen. Boven Zijtaart sprong hij uit zijn toestel.


Bij Van Asseldonk rende men van voor naar achter het huis en terug, niet wetend of het gevaarte voor, achter of óp de boerderij zou vallen. Uiteindelijk boorde een deel van het vliegtuig zich achter de boerderij neer, bij de loop.

Piloot
Olmstead landde in Veghel (Dorshout) op het dak van het huis. Enkele uren later was hij alweer terug op zijn thuisbasis Volkel. Hij overleefde de oorlog en schreef later een boek over zijn ervaringen: "Blue Skies". Een fragment: "Eerst had ik een hekel aan bombarderen, want het kwam er vaak op neer dat je een doel moest aanvallen dat zwaar bewaakt was met afweergeschut. Maar geleidelijk aan begon ik er lol in te krijgen, vanwege het gevoel van trots. De spanning vanwege mijn lef zo kort bij al dat geschut maakte het tot een beroerde, maar tegelijkertijd ook opwindende taak. Als we een legervrachtwagen aanvielen, dan stopte die vaak, voordat wij begonnen te schieten, en dan sprongen er een aantal soldaten uit. Dan zagen we zowel de truck als de soldaten daar staan. De Duitse soldaten stonden dan braaf geschrokken in bevroren posities. Het geluid van de Spitfire had hun spieren verlamd. Dan blies ik de truck op met een stevige druk op de knop, en de soldaten verdwenen in heldere flitsen."

Interview met Jaantje van de Ven - van Sleeuwen op 28 februari 2007.   De vrouwen, oude van dagen en kinderen moesten weg uit Lent bij Nijmegen, de jonge mannen moesten blijven. De familie Ibis, een vader, moeder en dochter waren bij Toon Kanters ‘gedumpt’. Daar aten ze allemaal uit dezelfde pot op tafel. Dat vond de dochter vies en ze wilde er niet meer blijven. Ze ging op een koffer langs de weg zitten. Jaantje van Sleeuwen vertelt: “Meester Rooijakkers kwam toen bij Toon van Sleeuwen aan om te vragen, of wij ze niet wouen vatten. Zo zijn die toen bij ons gekomen.”

Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), verliesregister 1939-1945.    

 

Datum

2 november 1944

Tijd

14.17 uur ’s middags

Plaats van crash

Veghel (Heuvel)

Vliegtuigtype

Lancaster I

Vliegtuig nummer

HK612

Eenheid

Squadron 15

Eerste vlieger

F/Lt. B Early


Doc. GAvB.   Aantekening van Graard van Boxmeer van 12 november 1944: 'Het water zeer hoog, doordat de duikers overal in elkaar zijn gereden door de tanks. Bij ons achter de schop stond de weide voor 1/3 deel onder water. Een varken geslacht, kon bijna niet uit de schop door de hoge waterstand.'

Verteld door Jan van Zutphen op 27 februari 2007.   Ook bij Hannes van Zutphen waren Engelse soldaten ingekwartierd. Ze dobbelden om sigaretten. Een van die soldaten had alles gewonnen, heel zijn helm vol sigaretten. Hij schudde ze om op tafel. Voor ons. "Ons vader rookte niet. Onze Theo en ik waren de man, we rookten ze gelijk op. Zo zijn we aan het roken geraakt," vertelde Jan van Zutphen, toen 14 jaar. 

Doc. GAvB.   Op 14 december 1944 had Zijtaart voor het eerst sinds de invasie weer electriciteit.

23 december 1944: 'Vele V1 bommen kwamen over Brabant. (.,) Van 20 tot 24 december 1944 waren de berichten zeer slecht.'

Het prentje komt uit de collectie van Erna van den Elsen, Boxtel.   Spotprent gedrukt bij het vertrek van de Canadese en Amerikaanse soldaten uit Veghel in december 1944. De Volgens de prent werd het vertrek door de plaatselijke meisjes betreurd. "Tommy Tjoklat" betekent "Tommy Chocolade".

Bouwstijlen - Thema's - Groei - Organisaties - Veldnamen
Afkortingen - Toelichting verenigingen - Toelichting Huizen - Toelichting Kroniek - Downloads