Foto's Huizen Kroniek

Kroniek van het jaar 1942


Doc. GAvB.   12 februari 1942: 'Alle kolen bij de handelaren gevorderd.'

28 februari 1942: 'Nergens niets meer te koop, zelfs geen schop of riek. Alle andere benodigheden zeer schaars.'

Gesprek van Marc van den Berkmortel met Tijn en Mien van den Tillaart op 13-2-2011   De agrarische organisaties kwamen in duitse handen (Landstand). Van een echt verenigingsleven is in de oorlogsjaren dan ook geen sprake.

Jubileumboek 90 jaar fanfare, 17.   Tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen de verenigingen in Zijtaart op een laag pitje door, totdat ze in 1942 door de bezetter verboden werden. In 1942 zegde alle leden van de fanfare schriftelijk hun lidmaatschap op, omdat men anders bij de 'Kulturkammer' van de NSB moest spelen. Pastoor Smolenaars verborg het vaandel goed en de instrumenten vonden een goede schuilplaats bij de vele boerderijen. Uit een oud notulenboek is een bladzijde uitgescheurd. De ledenlijst van 1942 heeft men wijselijk vernietigd...

Herinneringen van de kinderen van Bakel in de jaren tachting door Jan van Bakel in Canada op schrift gesteld, collectie Mari Brugmans.   Frieda van Bakel, geboren op 3 mei 1930, herinnerde zich haar jeugdjaren. Thuis werkte Frieda graag op het land met vader Frans van Bakel en haar broer Harry. Het begon in de lente, eerst zaaien, dan hooien en ten slotte de graanoogst. In de late zomer was de aardappeloogst klaar en in de herfst ging Frieda naar het veld om knollen en wortelen voor het vee te plukken. Frieda molk de koeien niet graag en ze kon het ook niet goed. Vader zei altijd: “Je moet zo melken dat het schuim boven de emmer uit komt.” Frieda kon slechts een paar belletjes laten ontstaan. Na het eten, als de afwas klaar was, zat het gezin allemaal aan tafel en schilden aardappelen voor de volgende dag. 's Avonds baden ze altijd de rozenkrans. Frieda hield het meeste van de winteravonden, als ze allemaal rond de oude kachel zaten. Moeder, Corrie en Frieda stopten sokken en vader Frans van Bakel maakte manden van dunne wilgentakken. Vader las ook vaak.


Interview met Johan van Sleeuwen op 1 maart 2007.   Johan van Sleeuwen had een nogal wild paard, ‘de Karhengst’ genaamd. Johan: “Dat was een harde kerel.” Was het een hengst? “Nee, dat was een merrie.” Johan trekt een broekspijp omhoog en laat een afdruk van een hoefijzer zien. Een souvenier van de Karhengst. “Die kenden ze wel op Zijtaart. Daar kon alleman nie mee werken. Die had een stang in zijn mond met draad er omheen.” Johan heeft dat paard zes jaar gehad, onder andere tijdens de oorlogsjaren.


Herinnering van Graard van Eert verteld op 23 februari 2007.   Graard van Eert, Cor van Berkel en Bert van den Nieuwenhuijzen uit Mariaheide hielpen met de BB (Bescherming Burgerbevolking). Ze zaten in een kiosk in Veghel op de markt, overdag alleen, ‘s nachts met zijn drien. Ze hadden telefoon en als ze gewaarschuwd werden moesten ze op een knop drukken om een sirene te laten loeien. Hij heeft dat meerdere jaren gedaan, tot begin 1944. Zijn meid, Jans Zomers, kwam vaak door het raampje kijken, maar durfde toch niet naar binnen te komen. Tandarts Hoyng en keienlegger Van Gorcum hadden de leiding.

BA, parochie Zijtaart, PA Zijtaart, parochiememoriaal; mededeling Ties Habraken 20 februari 2007.   Op 7 februari 1942 overleed de 21-jarige Catharina (roepnaam Kato) van de Ven, dochter van Driek van de Ven – Donkers, op de Hoge Biezen (huidig adres Biezendijk 29). Ties Habraken herinnerde zich dat Kato in de winter met slechts n klomp aan haar voeten bij de distributie in de rij gestaan had. Daar stonden lange rijen mensen urenlang in de kou op hun voedselbonnen te wachten. Maar of ze juist daardoor ziek geworden was? Pastoor Smolenaars had in elk geval de euvele moed om op het bidprentje te schrijven dat de dood van het meisje te wijten was aan de ten hemel schreiende toestanden bij de distributiedienst te Veghel. Na het verschijnen van dit prentje heeft men een andere regeling getroffen, waardoor de bezwaren verdwenen. Maar de autoriteiten voelden zich gekrenkt. Hun woordvoerder was Wagenaars uit Den Bosch, een van de vijf landelijke Directeuren van de voedselvoorziening. Er werd een klacht ingediend bij de bisschop van Den Bosch.

De Vicaris-Generaal van de bisschop, F.N.J. Hendrikx, schreef op 18 april 1942 aan Smolenaars: ‘Ik moet afkeuren dat u een dergelijke beschuldiging op een bidprentje uit. Klachten kunt U te bevoegder plaatsen aanbrengen. Ik moet daarom met de eis van de autoriteiten instemmen, dat U uw excuus aanbiedt voor de wijze waarop U de distributie te Veghel hebt aangeklaagd.' Of de pastoor zijn excuus aanbood, is niet bekend. In elk geval dreigden de Duitse bezetters hem op te pakken en naar een strafconcentratiekamp te voeren, als hij niet aftrad. Vicarius Hendrikx weigerde ontslag te geven, maar stond toe, dat Smolenaars tijdelijk zijn parochie verliet. Daarmee namen de autoriteiten genoegen.

Op 19 mei 1942 sprak de bisschop hierover met pastoor Smolenaars. Deze gaf aan op vrijdag 29 mei naar Liessel te zullen verhuizen en stelde als zijn substituut (plaatsvervanger) de rector van het klooster aan, L.N. (Nico) van Delft. De bisdom stelde P. Schuffelen uit Eindhoven, priester van het seminarie aan, om in plaats van Van Delft de diensten in het klooster en de de katechismuslessen in de parochieschool waar te nemen. Van Delft had liever dat hij in het klooster bleef werken en dat Schuffelen de pastoor verving, maar dat werd door het bisdom afgewezen. Wel kon Schuffelen indien nodig Van Delft assisteren in de parochie. Hij kreeg een jaarsalaris van 100 gulden van de kerk.

Op vrijdagmorgen 29 mei zag men steeds personen langs de pastorie fietsen, waarvan men dacht dat het NSB-ers waren. 's Middags werden het er meer. Pastoor Smolenaars verliet de pastorie 's middags om 3 uur. De boeren zeiden: "Het krioelt van de controleurs." Op Corsica woonde toen oud-kapelaan P. Kluitmans bij familie van zijn vrouw. De oud-kapelaan woonde met verlof samen met een vrouw van wie hij kinderen had. Die oud-kapelaan kwam ook op de pastorie en het gerucht ontstond dat hij 'carbo' (een NSB-er) was. Driemaal klopte er een man, op wiens identiteitsbewijs 'carbo wachtmeester' stond, bij de pastorie aan om de pastoor te spreken. De huishoudster stuurde hen steeeds weg met de boodschap dat de pastoor niet thuis was. De derde keer kwam een robuuste kerel de tuin in. Hij sprak daar vervanger Nico van Delft aan. "Het is buitengewoon jammer, dat ik den pastoor niet kan treffen," zei hij, "want ik heb een zeer belangrijke intieme boodschap voor hem." Hij zei gestuurd te zijn door een Van den Heuvel uit Nunen. Van Delft zei dat de pastoor in Deurne was. Maar nee, het het bericht moest direct afgegeven worden. Van Delft vroeg waarover het ging. De man liet toen enkele persoonsbewijzen zien. Van Delft wees ze af met de woorden: "Ik zie al lang dat het een kwestie betreft, waar ik niet van op de hoogte ben." Toen zei de ander: "U begrijpt dat ik nogal eens naar den Engelschen radio luister." Van Delft begreep dat hij geprovoceerd werd en vroeg: "U wilt zeker vragen hoe men naar Engeland kan?" "Ja, dat is de kwestie, daar schijnt de pastoor iets op te weten." Van Delft maakte toen onmiddellijk een einde aan het gesprek met de woorden: "De pastoor weet daar niets op, heeft er nooit iemand over gesproken, wil met zulke dingen niets te maken hebben. U mag hier niet meer over terug komen en behoeft er ook niet over naar Deurne te gaan." De man vertrok. Van Delft fietste meteen naar de deken en burgemeester Elins van Veghel om alles te vertellen. Op advies van de deken belde Van Delft het bisdom op, om te vertellen dat hij geen plaatsvervanger wilde worden, vanwege de risico's. Hij had zijn intrek genomen op de pastorie, maar nu was hij zo geschrokken dat hij 's nachts weer in het klooster ging slapen. Assistent P. Schuffelen vestigde zich op de pastorie. Op maandag 1 juni reisde Van Delft naar Liessel om pastoor Smolenaars te informeren. De vicaris van het bisdom heeft Van Delft naar Den Bosch laten komen en hem toen overgehaald om het ambt toch op zich te nemen. Van Delft schrijft: 'Dit is jammer genoeg gebeurd, want die dienstvaardigheid heeft slechts tegenspoed meegebracht.'

Verteld door Nel Rietbergen op 17 december 2007.   Nel: “De Duitsers waren Smolenaars aan het zoeken. “Ik meende dat ik nooit bang waar,”  zei hij, “maar toen verging ik van de schrik.” Ze waren hem voor aan het zoeken en hij ging er achter uit vandoor, op de fiets op huis aan, richting Deurne.”

Herinneringen van de kinderen van Bakel in de jaren tachting door Jan van Bakel in Canada op schrift gesteld, collectie Mari Brugmans.   In 1942 trof een diphterie-epidemie Zijtaart. Ook Marinus en Jan, kinderen van Frans van Bakel kregen deze ziekte. Ze moesten zes weken in het ziekenhuis liggen en daarna hadden ze thuis nog een periode van herstel. Petronella Peters, een meisje van tien jaar oud, dat naast de winkel van de smid in Zijtaart woonde, overleed op 4 april 1942 aan de ziekte. Toen zij stierf maakten de schoolkinderen onder leiding van de leerkrachten een liedje voor haar. De kinderen zongen het bij haar begrafenis.

Verteld door Ant Vervoort op 14 juni 2007.  

Ant Vervoort: “Ik mocht nergens naar toe, ook niet naar Soffelt kermis. Ik was wel bij de KVO en de missienaaikring, maar ging nooit mee op reis. Ons moeder kon niet fietsen, die bleef altijd thuis, en daar was ik toen ook tevreden mee.” Op mijn vraag of er ooit jongens die verkering zochten met haar kwamen buurten, zwijgt Antje. Dit lijkt nog een teer punt.

Ant is altijd thuis blijven werken. Vooral in het huishouden en wat boerenwerk, zoals de zog en de hennen voeren, en hooi binnen halen. Dat was heet en stoffig werk. Een keer zat ze op de hooibalken. Het hooi werd omhoog gestoken en zij bracht het met een gaffel naar achteren. Het hooi was veel hoger dan de leer (ladder) en ze durfde er niet meer af.

W.H.Th. Knippenberg, 'Romeinsche munten uit Midden Brabant, opgespoord', in: Oudheidkundige Mededeelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden}, N.R. XXV (1944), 91-106.  

Als je op Google 'muntschat Jekschot' intikt, dan krijg je het volgende verhaal van Knippenberg: 'In 1939 ontving ik te Nijmegen mijn benoeming tot leraar klassieke talen en oude geschiedenis op het Klein Seminarie "Beekvliet" te Sint-Michielsgestel. Toen echter op 21 april 1942 Beekvliet als gijzelaarskamp door de Duitse bezetters werd gevorderd, moest de school toch doorgaan en werd ik op 20 mei van dat jaar samen met een oudere collega en alle leerlingen van de zesde klas gymnasium verplaatst naar het parochiehuis en enige leegstaande schoolgebouwen te Erp bij Veghel. Kort na onze aankomst hoorden wij in het dorp geruchten, dat in de omgeving van Erp romeinse munten zouden gevonden zijn. Na enige weken was de naam van de vinder ons bekend geworden: het was een boer uit Zijtaart, gemeente Veghel, die in april 1942 bij het trekken van een sloot op zijn braakliggend terrein in Jekschot, gemeente Sint-Oedenrode, een aardewerk potje met romeinse munten had gevonden. Het potje lag ongeveer 15 cm diep onder een veenachtige laag.

Bij ons bezoek bleek echter, dat de boer alle munten, op n na, reeds had verkocht. Maar hij had geen bezwaar tegen ons bezoek aan de vindplaats. Daar vonden we op 9 juni nog vijf romeinse munten en enige scherven van het potje, waarin de munten bewaard waren. Ook zes andere personen, aan wie de vinder enige munten had verkocht, heb ik daarna kunnen achterhalen en hun munten beschreven. Er was echter een onbekende persoon X, die 117 van de 168 munten had gekocht, maar van deze X mocht de naam niet genoemd worden. Wel had ik tijdens dat gesprek enige malen Eindhoven horen vallen en daarmee ben ik toen mijn verdere speurtocht begonnen.

Uitgaande van de veronderstelling, dat de heer X geen verstand van munten had, maar wel wilde weten wat ze bij eventuele verkoop waard waren, was hij misschien in Eindhoven op bezoek geweest bij een leraar klassieke talen of bij een antiquair. Op mijn fiets heb ik enige maanden vanuit Erp verscheidene collega's en antiquairs bezocht. Na een jaar vond ik op het zevende adres zijn naam en woonplaats. Het bezoek aan zijn adres was aanvankelijk wat grimmig, maar nadat ik beloofd had nergens zijn naam te vermelden, maar hem wel een volledige beschrijving van zijn munten te bezorgen, kreeg ik alle munten een maand in bruikleen. Kort daarna zijn de munten aan mij onbekende personen verkocht, zodat mijn lijst het enige is, wat van deze muntvondst is bewaard. (..) De muntschat uit Jekschot bevatte een fraai overzicht van de soldatenkeizers uit de eerste helft van de derde eeuw. Maar waarom de oud-soldaat of handelaar zijn geldpotje op zulk een onherbergzame plek tijdelijk heeft willen verbergen, blijft voorlopig een raadsel. Was het angst voor een dreigende invasie van germaanse Franken?'

Gesprek met Christ van Lankvelt op 23 juni 2007.   Navraag op Zijtaart leerde al snel dat de munten gevonden waren door Driekske van Lankvelt. Driekske leeft niet meer, maar zijn zoon Christ heeft het verhaal vaak horen vertellen. "Ons vader had grond gekocht van Van Hooft. Het was een nat en laag perceel vol met biezen en wilgetakken. Ons vader had knechtjes van de broeders. Dat waren van die jongens die door de broeders op het rechte pad gebracht moesten worden. Die plak grond lag achter Bert Schoenmakers. Als je vanaf de Weienvenseweg linksaf de Jekschotseweg inrijdt, dan moet je op een gegeven moment linksaf, en dan kom je bij die plak. Ons vader liet sloten graven om het water beter af te voeren, en met het zand van de sloten werd de grond ook meteen wat verhoogd. Op een gegeven moment stak hij op een pot. Het was een aaneengekoekte klomp metaal. Hij dacht dat het revetten of zoiets waren en gooide het opzij. Later nam het het als oud ijzer mee naar huis. Soms kwamen er handelaren in oud ijzer langs, van die Joden, en ons vader gooide de klomp metaal thuis buiten op een tafel. Daar lag het een tijdje.

Op een gegeven moment kwam Van Hout uit Veghel, van de juwelier, op bezoek, en die zij: "Dat zijn romeinse munten." Een tijdje later zijn er nog een stel paters uit Beekvliet gekomen met een metaaldetector en die zijn daar wezen kijken. Die hebben er nog enkele gevonden. Ons vader heeft de munten verkocht aan iemand uit Eindhoven. Ze deden sam-sam. Ons vader heeft er tussen de drie- en vierduizend gulden aan overgehouden. Hij had de kosten van die plak grond meer dan terugverdiend."

Tot zover Christ. Wie de man uit Eindhoven was, weet hij niet. Hij belde zijn zus Riek op, maar ook die weet dat niet. Drie-vierduizend gulden was in 1942 een enorm kapitaal. Als een boerenknecht in die tijd een gulden per dag kreeg dan was hij vet betaald, of het ging dan om zwaar werk, zoals ontginnen. Muntschatten zijn eigendom van de staat, die een vindersloon uitbetaald. Maar in 1942 was Nederland bezet door de Duitsers en ik denk niet dat Driekske er vertrouwen in had dat hij iets zou beuren, als hij zijn munten bij de bezetter inleverde. Vandaar die grote geheimzinnigheid om 'heer X in Eindhoven'. Die man nam een groot risico. Zowel hij als Driek van Lankvelt hadden op transport naar Duitsland gezet kunnen worden als het uitgekomen was. Driek heeft zijn vondst niet geheim kunnen houden. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje. Ook de pers kreeg er lucht van. De Nieuwe Rotterdamsche Courant, publiceerde op 28 mei 1942 een bericht over de vondst. Knippenberg was wel zo voorzichtig om in bovenstaand artikel uit 1944 Van Lankvelts naam niet te noemen. Vermoedelijk bleef zijn naam ook uit de krant. Hij heeft in elk geval - voor zover bekend - vanwege de muntvondst geen last van de Duitsers gehad.

De munten werden in de derde eeuw verborgen, mogelijk vanwege een dreigende invasie van germaanse stammen. Ze werden gevonden tijdens een andere invasie van een 'germaanse stam'. 

 
Document van Ties Habraken, toegelicht door mva, 20 juni 2007.   1942 Melken.jpg (196803 bytes)Op 11 juni 1942 slaagde Ties Habraken voor de melkerscursus. Behalve een punt voor het behandelen van de uier en spenen, de juiste vingerstand en de krachtige straal, werd er ook een punt gegeven voor 'het verlaten der koe'.


Mijn vader heeft me in de jaren zeventig eens voorgedaan hoe ik moest namelken, maar daar zat geen uitleg bij over 'het verlaten der koe'. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Dat de boerenzoon niet zomaar wegliep van de koe, maar nog een schouderklopje gaf en zoiets zei als: "Goed gedaan Bertha."  Zodat de koe, na al dat getrek aan haar spenen, met een gelukkig gevoel achterbleef bij het 'verlaten der koe'? Je mocht de koe niet laten schrikken, je moest rustig en bedaard weggaan. Ties Habraken kreeg er een goed punt voor.

 
Verteld door Marinus van de Biggelaar op 20 november 2007.   In 1942, enkele maanden voordat hij 16 werd, kwam Marinus Ketelaars van de MULO af. Hij had geen zin om thuis in de caf mee te gaan werken en hij werd als jongste bediende in dienst genomen bij Jansen – De Wit in Schijndel. Hij moest enkele vragen invullen, zoals: “Wat denk je te kunnen verdienen?” Marinus had “25 gulden per maand” ingevuld. Hij kreeg er 40. Daarvoor werkte hij, zoals gebruikelijk in die tijd, zes dagen per week.

 
BA, parochie Zijtaart, PA Zijtaart, parochiememoriaal; foto, 'Zijtaart', 29.   In augustus 1942 ondertekenden veel mensen uit Zijtaart een verzoekschrift aan de bisschop om pastoor Smolenaars (zie foto) terug te laten keren naar Zijtaart: 'In opdracht van vele ingezetenen van Zijtaart willen wij U beleefd verzoeken onzen beminden herder wederom terug te geven. Het is voor onzen pastoor toch zoo erg zoo uit zijn parochie verbannen te zijn. Wij weten zeker dat hij zoo iets nooit meer zal aanvangen. Hij kon beter niets hebben geschreven, dat was verstandiger geweest. Ook wanneer hij weer terug is, moet hij de H. Familie en de Congregatie weer oprichten, dat zijn toch zo'n mooie vereenigingen op een dorp. Ook gaat hij dikwijls jagen en hoort zaterdags dikwijls geen biecht, wat voor vele menschen zeer stootelijk is, mij dunkt dat jagen voor een priester ook niet past, en dan nog moest hij op tijd de Mis beginnen, en geen half uur over tijd beginnen, dan blijft hij te lang biecht horen, wat in plaats zaterdags kan gebeuren, er zijn vele menschen die elkaar niet kunnen vervangen met huis blijven wat een grote last is.'

Het is een beetje een vreemde brief. Men wil graag dat de pastoor terugkomt, en vervolgens volgen een aantal tekortkomingen van Smolenaars. De achtergrond is dat Smolenaars nogal ruime opvattingen had over het pastoorschap en dat Van Delft weerstand wekte bij een deel van de Zijtaartse bevolking toen hij veranderingen invoerde. Nico van Delft schrijft: ‘De parochie bevond zich in een toestand waarin ik ze niet kon laten zonder tegen mijn plicht te misdoen. Het voornaamste middel om ze weer op peil te brengen, is de verzorging van de liturgie geweest. Enige personen, die in het geheim ook pastoor Kamp en Smolenaars hebben tegengewerkt, hebben van de situatie gebruik gemaakt om het volk tegen mij op te zetten. Zij vonden behalve gelegenheid in het preken in beide H.H. Missen, wat zij natuurlijk niet graag hebben; in het beginnen op klokslag, in het verbod buiten en in het portaal Mis te hooren, en dat er een einde aan de wanorde tijdens de diensten is gemaakt.' Het zangkoor moest weer oefenen en het volk meezingen.

Maar pastoor Smolenaars keerde eind augustus niet terug naar Zijtaart. Zijn verlof werd met drie maanden verlengd. Eind october werd het verlof nogmaals verlengd. Omdat het er naar uitzag dat het een langdurige kwestie zou worden verzocht de bisschop Smolenaars toen om de administratie van de parochie en de sleutel van de brandkast aan vervanger Nico van Delft te overhandigen. In december 1942 volgde de derde verlenging van drie maanden.

Gesprek met Piet van de Tillaart (Hoeve Corsica) op 28 juni 2007.  

Piet: “Met rector Van Delft, daar konde niet mee huizen. Wij gingen in de kanaal zwemmen. Dat mocht niet van hem. Hij las in de kerk op de preekstoel af, dat de ouders hun kinderen thuis moesten houden. En zwemmen in het zwembad mocht ook al niet. Nee, da waar ginne pastoor voor Seitert. Meer dan 90 % van de mensen waren tegen hem.

Harry der Kinderen en Cor Spruijt, dat waren twee kameraden. Dat waren van die zatlappen. Die stonden altijd helemaal achteraan in de kerk te buurten en lieten dan de deur open staan. Van Delft is een keer van voor naar achteren gelopen om de kerkdeur dicht te doen. Hij preekte er giftig over, dat je niet mocht praten in de kerk.

Een keer stond Has Broek achter in de kerk en Harry der Kinderen stond net achter hem. Tijdens de consecratie was het heel stil. Toen kneep Harry Has Broek onverwachts aan weerskanten flink in zijn zei. “Hoooo!!!” riep Has Broek keihard van schrik door de kerk. De hele kerk stond op stelten. Ja, daar heeft Van Delft toen over gepreekt. Maar hij kon niks doen, want hij wist niet wie het gedaan had.”

verteld door nel Rietbergen op 17 december 2007.   Nel: “Neeje, rector van Delft was helemaal niet streng. Dat was een hele goeie pastoor, dat zeg ik gerust. Beter dan Smolenaar, die was eigenlijk niet geschikt voor pastoor, die was veel te hendig. Smolenaars wilde eigenlijk ook liever geen pastoor worden, dat bekende hij zelf ook. Zijn moeder had beloofd dat als ze een kind zou krijgen, dat die dan pastoor of zo zou worden, of zoiets, zodoende moest hij pastoor worden. Als je nou van pastoor Kamp zou zeggen, dat die streng geweest is, ja, dan zou ik het geloven, pastoor Kamp was echt een pastoor van toendertijd. Van Delft was echt een hele goeie pastoor.”

Dr. Frans Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (Hapert 1983) 144-146, 152-157.

 

 

In 1942 en vooral in 1943 kwam de grote stroom onderduikers als gevolg van de maatregelen van de bezetter, zoals de vervolging van de Joden en de arbeidsinzet van mannen van 18-35 jaar. In het hele land, ook in Noord-Brabant ontstonden onderduikorganisaties en hielpen mensen op eigen houtje. Harry Otten uit Erp en Gerrit Heerkens uit Mariaheide hebben veel onderduikers aan een adres geholpen en ook Arnold van den Hoogenhoff, die een boekwinkel had in Veghel. De laatste kreeg vanaf 1942 onderduikers via een joodse koerierster, Dora Matthijssen. Het eerste contact is waarschijnlijk tot stand gekomen via een boekhandel in Amsterdam. Dora was een Jodin van in de twintig, die niet onderdook, maar haar leven in de waagschaal stelde voor haar medeburgers. Van den Hoogenhoff kreeg hulp van pater Theo Verhoeven, die onderduikadressen probeerde te vinden voor Joden. Dat was moeilijk. Als er een onderduiker opgepakt werd, bleven de mensen die onderdak boden in de regel vrijuit, maar werd er een Jood gevonden, dan werd iedereen opgepakt. De eerste persoon waar Verhoeven een plaats moest zoeken was een joodse dame van in de vijftig. Lukraak klopte Verhoeven aan bij ‘Schop en Riek’. Zij namen de Jodin op, die voorzien was van een vals persoonsbewijs.

Spoedig volgden andere Joden, voorlopig alleen uit Amsterdam. Men arriveerde per trein in Veghel en ging in de boekenwinkel van Arnold van de Hoogenhoff in de Molenstraat staan neuzen. Als de winkel vrij was van klanten, kon Dora met haar onderdukker de trap op naar de zolder, waar een schuilplaats was gebouwd. Dit adres was uiterst veilig. Mevrouw van de Hoogenhoff, zelf Duitse van origine, ontving beneden in de huiskamer vaak Duitse militairen die daar koffie dronken, konden schaken en kaarten. Wie komt maar op het idee, dat boven in huis Joden huizen. De boekwinkel van Van Hoogenhoff staat uiterst links op de foto, boven de zwarte auto.

Op Zijtaart woonde het gezin Martinus van de Tillaart: vader, moeder en elf kinderen bewoonden 'Hoeve Corsica'. Ze zijn altijd bereid om mensen, die in moeilijkheden verkeerden, te helpen. Bertha van de Tillaart, later mevrouw Nieuwkamp te Zijtaart, kwam regelmatig in de winkel van Paula en Arnold van de Hoogenhoff en raakte zodoende bij het verzet betrokken. Als eerste kwam een joodse dame op Corsica met een vals persoonsbewijs op naam van Fientje Huis, oud 38 jaar en afkomstig uit Scheveningen. Bertha van de Tillaart beschrijft de lotgevallen: “Zij moest daar verhuizen, daar de Duitsers de huizen opruimden om er tankvallen te graven langs de kust. Ze was herstellende van een nieroperatie en moest naar het platteland om op krachten te komen. Wij hadden nog een voorkamer vrij, zodat zij voor een geringe vergoeding bij ons kwam wonen. Door ons kwam ze in contact met rector Van Delft hier in de parochie. Ze ging daar vaak op bezoek, naar later bleek voor godsdienstles, waarna ze door hem gedoopt werd. Van dit alles wisten wij niets, maar vermoedden wel het een en ander.”

Fientje werd op 25 januari 1943 in Zijtaart gedoopt. Arnoldus Vervoort (later missionaris) was doopgetuige. In het doopboek staat dat ze op 1 juni 1909 geboren was als Gertruda, dochter van Louis Staal en Anna Vroman, en dat ze Fientje genoemd werd. Volgens de Gestapo was haar echte achternaam Goldstein.

Interview van Johan van Sleeuwen door Jan Vervoort in april 2007.  

"In de oorlogsjaren gingen wij met de veewagen elke maandag naar Eindhoven op woensdag naar den Bosch en ‘s zaterdags naar Helmond. Vijf koeien laaien, weer of geen weer, om 5 uur ’s morgens weg. Jan van Boxmeer ging altijd mee.

In de oorlog werd kaas gemaakt, dan moet je stremsel hebben, en dat was niet zo hendig aan te komen. In Den Bosch komt Hannes van de Rijt bij mij aan, de vrijgezel, en die vroeg of ik voor hem een paar flessen stremsel mee kon brengen. We namen elke week een schaap van Hannes van de Rijt mee om te merten, daar kregen we dan een gulden voor. Hannes moest naar huis, en het stremsel was er nog niet. Dat moest ik in caf De Landbouw achter in de WC gaan halen. Dat was illegaal. Toon van de Rijt leverde de stremsel. Hij zei: "Ik zal het met jouw meegeven en dan moet je het met Johan verder afrekenen." Goed. Wij, Jan van Boxmeer was erbij, gingen drie flessen stremsel halen, achter in de WC. Ik douwde twee flessen in mijn leren jas. Jan van Boxmeer douwde de derde fles onder zijn jas onder zijn arm. In de veewagen verborgen we de flessen stremsel in een zuivere hoek onder het stro. Komen we in Veghel aan. Hannes: “Hedde stremsel meegebracht.” “Ja.” “Drie flessen?” “Ja. Toon van de Rijt zei: 'Dat witte gij wel, wa ge er aan verdient, en wa ge ons moet geven.'" Nou moete gij eens raden wa hij mij gaf. Hij verdiende een tientje per fles. Je kan het Jan van Boxmeer nog vragen. ... En kwartje. Eerlijk waar.

’s Woendags erop stonden we in Den Bosch bij Toon van de Rijt en daar was Jan ook weer bij. “Had hij met jouw afgerekend?” “Ja, wat denk je dat hij gaf?” “Ja, verrekt, hij verdient een tientje per fles. Hij heeft misschien wel een tientje gegeven, dan had hij nog twee tientjes over.” “H?” Jan van Boxmeer zei: “Johan kreeg en kwartje.” “Wa?” zei Toon, “Hij krijgt het niet meer. Afgelopen uit, hij krijgt er geen meer. Als gij het ger hebt, dan kande gij het hebben.” “Verrekt, dat piest me wel.”  Ik had dat nooit nie gedaan, maar ik vertel het hier aan mijn klanten door en een week had ik vijf flessen nodig, de ander week vier flessen, dus ik bracht mee navenant ik nodig had. En dat ging goed. Ik kreeg het van Toon voor een gulden minder en ik verkocht het voor dezelfde prijs. Dus ik verdiende elf gulden per fles, en ik gaf aan Janne ook wat.

Dat had een tijdje goed geduurd, maar op een keer waren er in Den Bosch controleurs over de markt aan het lopen. Maar ik had al zes flessen stremsel verkocht, die moest ik mee brengen. En dat kon niet. Daar kwam ik toevallig Burgt tegen en die verkocht het ook, als je het graag had. Maar dat kostte 19 guldens per fles. Dus hij kon me wel voort helpen met zes flessen. Zes of zeven weken later komt Burgt bij ons aangereden dat ze hem gevat hadden. Via Schreuws, op Zijtaart, Adriaan van den Nieuwenhuizen, daar kreeg hij het weer van. Hij had de zes flessen van Schreuws gehad. Burgt zei: “Als ge iets hebt op te ruimen, of mensen te waarschuwen.” Een week of vier daarna kwamen de controleurs bij ons. Ik was niet thuis, ze zochten alles af, maar konden niks vinden. Daar kwam ons Jaan door de Hei aangefietst, dat ik niet naar huis moest komen, voordat de controleurs weg waren. Later naar huis. Daar vertelden ze, dat ik om 1 uur op het politiebureau moest zijn.

Ik er heen. Nog een sigaar in mijn ts gedouwd, om aan te stoken. En ik kom binnen. “Je zult wel weten waar ge voor komt,” zei de politie. “Ik snap nie wat ik moet komen doen,” zeg ik. “Ook nog praatjes maken!?”  “Ik weet nergens niks af.” “Niet? Maar je hebt toch stremsel gekocht van Van de Burgt.”  “Ik van Burgt stremsel gekocht? Ik heb van Burgt niks gekocht. … Maar nou ge over Burgt praat, nou gaat er een lichtpuntje op. We rijden de romkaar en bij ons tegenover is dat winkeltje, van Van Stiphout, en ik moest alle weken bij Burgt een pakje oplaaien voor Van Stiphouten.”  Nou moete weten, Van Stiphout, die was dood en Lamberdien van Stiphout was dement, die zat in Veghel ergens op Dorshout. Daar geloofden ze niks van. “Van de Burgt heeft gezegd dat hij bij jouw geleverd heeft.” “Ik kreeg elke week een pakje voor Van Stiphout dat ik moest afleveren.” “En wat kreeg je daarvoor?” “Een pakje sigaretten, voor de moeite.” “En wat was dat voor merk?” “Burley.” “Een rotsigaret ook,” zei ie. Ik zeg: “Ja, hij geeft wel wat weg.” Maar ik moest de cel in.

Ik ging in de cel op de verhoging zitten, mijn benen waren te kort om aan de grond te komen. Ik ging achterover zitten, de zon scheen mooi. Na een uur ging de deur open. “Nou, nou, moet dat zo,” zegt ie. “En hoe ist?” “Goewd!” “Is het nog niks veranderd?”  Ik zeg, “Bende gek, dat veranderd nooit, want dat kan niet anders. Ik heb niet ene keer een pakske, ik heb alle weken een pakske meegenomen voor Van Stiphout, voor dat vrouwke. Dat waar een ouw vrouwke, dat had een winkeltje met snoep en suiker en brood en wat er in dat pakske zat, da waar van Burgte, dat weet ik niet.” Deur dicht, hard gooide hij die dicht. Dat is drie keer zo gegaan.

Toen was het onderhand half zes. “Ik kom je eruit halen. Hoe ist?” Ik zeg: “Hetzelfde.”  Bij binnenkomst zat Baardmans er, die verrekkeling. Hij zei al meteen: "Van Stiphout is dood." Ik had ook gezien dat Burgt daar ook was geweest. Ik zeg “Burgt kan zegge wat hij wil, hij kan alleen zeggen dat ik alle week een pakske voor da vrouwke van Van Stiphout oplaaide. Hij kan niet zeggen dat ik zes flessen stremsel oplaaide. Want dat is niet waar.” Ja, ik loog. En alle klanten had ik drie weken van tevoren al gewaarschuwd. Ik zeg, “Als ze me een keer vatten, je weet nooit niet wat er gebeurt, maar ruimt alles op.” Toen moest ik uiteindelijk tekenen.“Teken hier voor, dan ben je overal af.” Ik moest tekenen dat ik zes flessen stremsel meegenomen had, dat het voor Van Stiphout was, en dat ik voor de moeite een pakje sigaretten heb gekregen. “Daar teken ik nooit voor.” “Wanneer teken je dan wel?" "Als je er in zet dat ik dat pakje voor Van Stiphout meenam.”  En dat deed hij en ik tekende.

Dat was mooie handel. Daar heb ik aardig mee verdiend. We verdienden drie gulden voor een koe. Die stremsel bracht meer op. Daar heb ik toen we trouwden nog spullen mee gekocht, een dressoir en zo.”

Doc. GAvB.   29 december 1942: 'Bert Raaijmakers de stier aangenomen van de stierhouderij, per jaar fl 419,--.' De Zijtaartse boeren hadden een gezamenlijke stier. Deze werd tegen vergoeding door een van de boeren onderhouden.

PA Zijtaart, parochiememoriaal.   Onder de lijst van geschenken aan de kerk tussen juni 1942 en maart 1943 wordt vermeld: verduisteringsmateriaal voor f 25,-- geschonken door Jan van Asseldonk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten gebouwen verduisterd worden.

PA Zijtaart, parochiemeoriaal.   'Op 15 december 1942 werden de grote en kleine kerkklok op last van de bezetters door hun werklieden uit de toren gehaald en buiten neergezet. Op 30 december kwamen ze terug en namen beide klokken met klepel mee op een vrachtauto. De klok op het klooster mocht blijven, omdat ze die te licht vonden. De groote klok woog 470 kilo, was 90 cm in diameter en was een B-klok. De kleine klok woog 25 kilo, was 23 cm in diameter en was een C-klok. De groote klok had tot opschrift:

's morgens precies om agt‘s
middags om twaalf uuren,
sa koster sta op wacht
voor kinderen en nabuuren.
het eerste om verstand
het tweede om den dis,
sa trek mij met uw hand
het is uw plicht gewis.

Henricus Petit me fecit anno 1786'

Mededeling Marietje van de Wijgert - Kanters d.d. 14-01-2007.   Harrie Vervoort, geboren op 23 februari 1931, was misdienaar in de kerk. Zijn hobby was om gekke gezichten te trekken naar de mensen in de kerk. Toen pastoor Van Delft weer eens op Harrie mopperde, dat hij op moest houden met dat 'gebliek' zei Harry tegen de pastoor, "Ge bent n kittig hirreke."  De pastoor was behoorlijk kwaad en ging naar Jan Vervoort, Harries vader, om te vertellen dat Harry niet meer op het priesterkoor mocht komen."Dan zul je er niet veel last meer van hebben,"  zei Jan.

Verteld door Annie van Asseldonk - van den Hurk op 25 september 2007.   Op 30 december 1942 overleed Mia, dochter van Jan van de Hurk, aan een longontsteking. Het kindje was negen maanden oud. De dokter zei: "Ik kan er niets aan doen. Ik moet ze laten gaan." 

Bouwstijlen - Thema's - Groei - Organisaties - Veldnamen
Afkortingen - Toelichting verenigingen - Toelichting Huizen - Toelichting Kroniek - Downloads