Foto's Huizen Kroniek

Kroniek van het jaar 1930

 
Mededeling Antoon Vissers d.d. 20-06-2015  

Jan de Visser, (Jan den Booi) was postbode in Zijtaart en gehuwd met Catharina (Kaatje) van Heeswijk. Kaatje van Heeswijk verzorgde de telefoon en telegrafie voor het dorp Zijtaart. In 1933 trouwde hun dochter Tonia met Piet van den Hurk en rond deze tijd verhuisde het telefoonstation naar de caf tegenover de parochiekerk.  

Gesprek met Janus en Dina van Nunen op 15 april 2007; PA Zijtaart.  

Janus van Nunen (geboren 29 november 1919) vertelde dat in de tijd dat hij in Zijtaart naar de lagere school ging, Jan Raaimakers, alias 'Jan Mik' of 'Jan van de Zusters' een gierton op wielen had. Hij maakte de WC’s leeg van het klooster en de school en Jan Mik schepte dan de stront op het land. Jan was op 4 december 1863 geboren. Hij was een knechtje van de pastoor en de zusters en woonde de laatste jaren van zijn leven in het klooster. Ook wandelde hij met zijn kar naar Veghel. Hij bracht wasgoed naar Veghel en bracht brood, groente en eieren mee terug. 'Als je een dubbeltje in de stront gooide haalde hij het er uit', zo werd verteld. Jan overleed op 3 april 1939.

Verteld door Harrie van Asseldonk op 25 september 2007.   Vroeger waren er veel landlopers en bedelaars. Die 'schooiers' schooiden bij de boeren om een boterham, wat aardappelen, of een bord soep. Bij Aard van Asseldonk (huidig adres: Weievenseweg 42) in de wei stond een hok, waar tegen de avond wel eens ooit een stel zwervers introk om er te overnachten. Op een keer ging Aard van Asseldonk hooi halen en toen viet hij een landloper bij zijn been.

Gesprek van Antroon Vissers met Graard van Eert op 5-3-2011   Op de achtergrond van deze foto uit 1959 het bewuste mededelingenbord.





Tegenover de kerk stond een houten mededelingenbord. Vaak werd er een stoel uit de caf Van Dam (Pastoor Clercxstraat 60) gehaald voor Willemke Kremers. Willem Kremers, den kolenboer, las dan, staande op de stoel, de berichten hardop voor. Niet alle boeren konden goed lezen.

Gesprek met Piet van de Tillaart op 28 juni 2007.  

Piet van de Tillaart (Hoeve Corsica) vertelt: “In de oude school (later verenigingsgebouw) vingen we mussen. Die waren schadelijk voor de landbouwers. We zetten mussenklemmen op de speelplaats. Twee van die rechtopstaande klemmetjes, met een veer. We kregen er twee centen per mus voor.”

Piet vertelt dat er, toen hij naar school ging, heel veel kinderen van de Biezen kwamen. Driek Jonkers had 14 kinderen, zijn vader 11, Jan van de Wetering 14, Nard van de Wetering had er 17, die woonde op de Hoef, maar de kinderen gingen wel in Zijtaart naar school. En je had nog een aantal van die grote gezinnen. Het was een goeie uithoek voor de school.

Interview met Johan van Sleeuwen op 1 maart 2007.   Piet van Asseldonk (geboren in 1914) volgde de avondcursus bij meester Van de Donk. Het klikte niet goed tussen die twee “’t gong nie krk samen”. Op een gegeven moment was er iets voorgevallen en Piets vader en broer Willem (7 jaar ouder) kwam toen mee naar school om het uit te praten, "t Gong r op". Piet (of Willem) werkte bij Van de Donk in de hof.

Uit de levensloop van Piet van Asseldonk, toen die in 1979 65 werd, verteld door zijn broer Willem van Asseldonk.   Willem: 'Onze Piet kwam uit school thuis gejankt, da waar de landbouwschool. [Vermoedelijk ging het om het vervolgonderwijs dat door Van de Donk werd gegeven.] De meesteer beschuldigde hem van iets dat op het bord stond geschreven. ’t Waar nie veel moois, nee. Hij had ‘t dan ook nie gedaan, dat zei hij tenminste. O, mar zoiets konde van onze Piet ook nie verwachten. ’t Moet een smerig woord geweest zijn. Toen moest ik het zaakje voor hem opknappen. Ik bedoel, goedpraten bij meester Van de Donk. Dat heb ik toen ook maar voor hem gedaan.'

Gesprek met Janus en Dina van Nunen op 16 april 2007.  

Meester van de Donk was getrouwd met Mientje van de Ven, een dochter van meester van de Ven. Meester van de Ven was gepensioneerd maar liep toen nog dikwijls over de speelplaats. (Hij overleed in 1934). Janus: “Ons vader (overleden in 1932) was kerkmeester. Als we een varken slachtten moest van ons moeder de karbonaai altijd naar de meester. We kregen altijd een kwatta met soldaatjes als we de karbonaai gaven. De ham was voor pastoor Kamp. Die moest piekfijn gerookt worden. Ja, van de Donk was zo’n koew een. Dat was eigenlijk n' kwaoie, maar wij konden ‘t er goed mee treffen, want wij brachten hem kerbonaai en wij waren niet zo strant. Wij waren geen strante jong, wij durfden eigenlijk niks."

Verteld door Johan van Sleeuwen op 13 april 2007.   Johan van Sleeuwen (geboren 29-04-1917) mocht na de zevende klas niet van school af, omdat hij na 1 april geboren was en nog een jaar leerplichtig. Zijn neef Dorus van Sleeuwen ging naar de broeders in Veghel. Janus van Sleeuwen, vader van Johan, ging naar dokter Verbeek en die schreef een briefje dat Janus ‘op het ogenblik ziekelijk’ was, en dat hij adviseerde Johan thuis te laten helpen. Meester van de Donk zei dat Johan dan maar ‘voor het oog van het kerkvolk’ een dag per week of zo naar school moest komen, zodat hij toch min of meer aan de leerplicht voldeed. Zo gebeurde.

GA Veghel, inv. nr. 34, fol. 86v.  

De burgemeester deelde op 28 januari 1930 in de gemeenteraad mee dat de bijzondere jongensschool in Zijtaart was aanbesteed. De laagste inschrijver was A.J. van Alphen uit Berlicum voor f 15.080. Dit is ongeveer f 800 minder dan de voorlaagste inschrijving en blijft ca. f 1.000 beneden de begroting. Daags daarna kwam Van Alphen bij de burgemeester en hij zei dat hij had vergeten om de post tegels bij het totaal te tellen, wat een verschil gaf van f 536. Hij zou er nu niets aan kunnen verdienen, ja er zelfs op toegeven. Van Alphen vroeg of de gemeente de helft bij zou willen betalen. De burgemeester geloofde wel dat Van Alphen zich vergist had. Bij de aanbesteding ging er een roep van verwondering op, toen het laagste bod werd afgelezen. Daarom wil hij wel bijbetalen.

J. Ketelaars meende dat er opzet in het spel was. Zoiets was al vaker gebeurd. De aannemer had maar beter moeten opletten. Ook wethouder de Folter dacht dat een post als tegelwerk niet zomaar vergeten wordt. Hem is nog een frappanter staaltje bekend uit Veghel en stelt voor om geen geld bij te geven. Wethouder Donkers gelooft wel dat het een vergissing was. Van Meltvoort is het eens met De Folter. Bij zo'n belangrijke inschrijving zal de aannemer toch wel zijn inschrijving enkele malen natellen.

Bongaerts vroeg zich af waarom de raad hierover moest beslissen.
"Wij hebben toch niets te zeggen, laat dat het kerkbestuur maar uitmaken." De burgemeester zei dat Van Alphen eerst al bij de pastoor van Zijtaart was geweest. Deze stuurde hem naar B&W, omdat het om een dubbeltjeskwestie ging. B&W mogen echter niet meer uitbetalen aan het kerkbestuur dan de aannamesom, en daarom is het aan de raad voorgelegd. Het voorstel om bij te betalen werd verworpen met 10 tegen en 3 stemmen voor. Voor stemden Van Asseldonk, Donkers en Van Zutphen.

Brabants Dagblad, 27 januari 1962; 18 mei 2006.   Rond 1930 verkeerden de instrumenten van de fanfare in een erbarmelijke toestand. Er kon geen repetitie voorbijgaan of een van de instrumenten vertoonde lekkages. Daar moest wat op gevonden worden. Toevallig was een van de leden, Wim Rooijakkers, bijgenaamd 'Wim Braai', smid. Hij kreeg opdracht elke repetitieavond behalve zijn instrument ook de soldeerbout mee te nemen, om de gebreken van het instrumentarium ter plaatse te herstellen.

Herinneringen van Graard van Eert verteld op 23 februari 2007.  

De crisisjaren, zo rond 1930, waren een heel slechte tijd. Graard van Eert was een jaar of 15 en zijn vader had een ‘zog met baggen’ (zeug met biggen). Hij kon ze bijna niet verkopen, want ze waren niks waard. Graard en zijn vader Toon van Eert gingen proberen de baggen op Helmond markt kwijt te raken. Van den Bosch bracht de baggen in twee manden met een oud vrachtwagentje naar de Keldonkse brug en vanaf daar reden ze met de fiets naar Helmond. Ze konden er in het begin f 2,50 per bag voor beuren, maar dat hadden ze niet gedaan. Later konden ze dat er niet meer voor krijgen en ze gingen weer met de baggen naar huis. Graard: "We moesten ook nog voer voor de baggen kopen en het was wel de bedoeling dat wij nog iets overhielden". Zijn vader was daar niet zo blij mee, want in die tijd leden ze grote armoe. Diezelfde avond ‘begon ‘n aauw zog te baggen’. Normaal sliep Graard of zijn vader bij de zog, maar die dag waren ze moe en uit hun doen van het gedoe op de markt en sliepen ze in zijn eigen bed. De volgende morgen lagen bijna alle baggen, een stuk of twintig, kapot in de kooi. De zog had er op gelegen. Graard laadde ze op een kruiwagen om ergens te gaan begraven. Zijn vader was ten einde raad. “Hij kos ‘t nie mer af. As ge toch z moet boeren..”

Graard van Eert verdiende die tijd n gulden voor een hele dag werken. Als hij het paard meebracht, dan kreeg hij f 2,50. Hij werkte veel bij Jas Opheij in De Haag (waar in 1968 de jeneverstokerij opgerold werd). Jas was getrouwd met Drika van Doruske van Eert, een nicht van Graard. Zijn vrouw Jans Zomers vertelt dat ze 100 gulden kregen (met kost en inwoning) voor een heel jaar als meid of knecht werken. Ze werden bij Sint-Mathijs uitbetaald.


Foto's: colelctie Hendirk Rietbergen.   De straat voor de pastorie wordt versierd. Vermoedelijk was dat ter gelegheid van het zilveren pastoorsjubileum van pastoor Kamp.  
PA Zijtaart, parochiememoriaal; foto: collectie Hendrik Rietbergen.   Op 17 februari 1930 vierde pastoor Kamp zijn 25-jarig Pastoors-jubileum. 'In plechtigen optocht begaf zich de jubilaris van de pastorie naar de kerk. Daar aangekomen werd door het zangkoor gezongen de 'Priesterhulde' van Hamers. Om 9 uur begon de plechtige H. Mis, die gecelebreerd werd door pastoor Kamp, met assistentie van zijn broer A.H.F. Kamp, Pastoor van St. Joachimmoer en A. van Rijswijk, rector in het klooster te Zijtaart. Na het evangelie hield Deken Franssen een mooie feestrede, die veel bijval vond bij de luisterende meningte. Na de H. Mis werd door de zangeressen van de Congregatie zeer correct en prachtig uitgevoerd: “Tu es Laserdos” van Janssens. Van half 12 – 1 uur was het receptie, waarbij ook het Gemeentebestuur van Veghel en vele geestelijken uit de omtrek aanwezig waren. Tijdens de receptie bracht de Fanfare “St. Cecilia” van Zijtaart een aubade en werd door den heer Antoon van de Donk, hoofd van de feestcommissie, het geschenk van de parochie aangeboden, dat was een bedrag van f 2.500 voor een studiebeurs voor een jongen van Zijtaart, die voor priester leerde. Om 3 uur begon het plechtig lof, waaronder de jubilaris zijn dank betuigde aan de parochianen voor hun gulle bijdragen voor de studiebeurs en aan allen, die hadden bijgedragen tot opluistering van het feest. Om 5 uur werd een serenade gebracht door de Kerkelijke Harmonie en het Mannenkoor van Veghel.'

 
Veghelse Courant d.d. 22 februari 1930.   'Maandag laatstleden vierde onze Zeer Eerwaarde Heer Pastoor J.C. Kamp zijn zilveren pastoors-jubileum. Te circa kwart over negen werd den Jubilaris aan de pastorie afgehaald door de schoolkinderen en de Kerkelijke Harmonie, waarna men zich naar de kerk begaf, alwaar door een der schoolkinderen onder een mooie toespraak een tweetal bloemenmanden werd aangeboden. Hierna werd een plechtige H. Mis van dankzegging opgedragen door den Jubilaris met assistentie van den Hoog Eerwaarde Heer Deken uit Veghel als Diaken, den Zeer Eerwaarde Heer Kamp, broeder van den Jubilaris, als Subdiaken en de Weleerwaarde Heer rector uit Zijtaart als Serimoniarius.

Na de H. Mis werd door den Hoog Eerwaarde Heer Deken Franssen de feestpredicatie gehouden, terwijl daarna door de Zangeressen, onder leiding van den heer Rietbergen, een priestercantate op verdienstelijke wijze werd opgevoerd. Da parochiekerk was prachtig versierd. Ook buiten, voor pastorie en kerk, was een passende versiering aangebracht.

Te circa twaalf uur werd door onze fanfare een serenade gebracht waarbij genoemd corps een gesloten enveloppe mocht ontvangen. Te half vier had het plechtig lof plaats, waarna door het zangkoor "Priesterhulde" werd uitgevoerd onder leiding van den heer J.H. van Eerdt. Ook deze cantate werd goed verzorgd. Te circa half vijf werd de jubilaris een serenade gebracht door Veghels Mannenkoor en de Kerkelijke Harmonie 'Eendracht' uit Veghel. Den geheelen dag was er een groote toeloop van belanghebbenden.'

'Zijtaart', 26-27.   Door Brugmans en Grarda van de Ven mochten die dag een samenspraak opzeggen. Door kende er 67 jaar later, in 1997, nog twee coupletten van:

Grarda:
Wat zou het toch beduiden,
waarom de klokken luiden?
en alles staat in tooi,
de kerk, de straat, de pastorie,
ja, alles even mooi.


Door:
Of ik het niet zou weten,
mijnheer pastoor viert feest,
en daarom zijn de mensen
nog nooit zo blij geweest.
Laat ons in naam van allen
een wens hem bieden nu,
gij Grarda moogt beginnen,
de beurt is thans aan U...

Brabants Dagblad, 3 november 1994.   Door van Nunen-Brugmans vertelde in 1994 over sterven en uitvaart anno 1930: Verdriet beleefde je samen. Iedereen in de buurt leefde mee als er iemand dood ging. En ze kregen ook allemaal een taak. Dat hielp om het verdriet te verwerken. De vensters van het sterfhuis werden gesloten. Sommigen zetten de klok stil op het stervensuur van een dierbare. De naaste buurman regelde alles. Die had de ‘voorrouw', zoals dat heette. Als een ernstig zieke bediend was, kwamen in het huis van die buurman de buurtgenoten bijeen om de rozenkrans te bidden. Was de zieke overleden, dan ging de buurman dat melden bij mijnheer pastoor en bij de gemeente. Hij bestelde ook een lijkkist bij timmerman Hein van Boxmeer en hij zond mensen met het doodsbericht naar familieleden. Dat deed meestal het jongvolk. Twee aan twee werden ze er op uit gestuurd om de familieleden op de begrafenis te verzoeken. Als dank werden de aanzeggers onthaald op koffie, wat geld of een sigaar. Soms ook kregen ze spekstruif voorgeschoteld. Twee zusters uit het klooster kwamen in het sterfhuis de dode afleggen en kleden in een speciaal doodshemd. De lijkkist werd op twee stoelen in de sterfkamer opgesteld. 's Avonds kwamen de buren de rozenkrans bidden. Als er een kindje was overleden kwamen de buurvrouwen en legden het in watten in een kistje. Ze maakten papieren bloemen die rondom gestoken werden. Het kindje lag erbij als een engeltje, zo mooi, vertelt Door.

Op de dag van de uitvaart reed de hoogkar voor het sterfhuis. De kist, afgedekt met een zwart kleed, werd op de wagen geschoven. Dan ging het richting kerk. Achter de lijkkar liepen de mannen; helemaal vooraan de buurman die de voorrouw had. Ze liepen in een lange rij één voor één achter elkaar. Pas op het tweede plan kwamen de vrouwen. Ook achter elkaar. Zelfs de weduwe van de gestorvene diende achter alle mannen te lopen. De vrouwen droegen als teken van rouw een zwarte doek over het hoofd die tot de enkels reikte, een zogenaamde falie. De laatste honderd meter naar het godshuis werd de kist gedragen door naaste buren. Als het een getrouwde man of vrouw betrof, dan waren de dragers ook getrouwde mannen; een jong gestorvene werd gedragen door ongetrouwde mannen. Alles in de kerk was zwart, diepzwart, herinnerde Door zich. De lijkkist werd voor het altaar gezet, de mannen zaten rechts, de vrouwen links. De kandelaars waren met zwart omfloerst. En hoe voornamer de overledene, hoe meer kaarsen en kleden in de kerk.

Voorafgegaan door een vaandeldrager van de H. Familie of de Congregatie, de pastoor en de misdienaars werd de overledene na de mis de kerk uitgedragen. Daar stond het koor te wachten dat de kist naar het kerkhof begeleidde onder het zingen van in Paradisum. De kist werd op het graf gezet dat door doodgraver Frans Joosten gedolven was. Na gebeden van de pastoor en enkele Latijnse liederen zonk de kist in de kuil. Bij de calvarieberg knielde de doodgraver en zegde luidkeels het Onze Vader en het Wees Gegroet. De rouwenden liepen rond de calvarieberg om daarna in de kerk nog de kruisweg te bidden. Daarna wachtte de koffietafel, soms in een café, maar meestal thuis. Dat was voor de buurt nog een hele organisatie. Daar werd echt zorgvuldig aandacht aan besteed, goed over ve
rgaderd, want alles moest gestroomlijnd verlopen. Degene die de voorrouw had, deelde na de koffietafel de bidprentjes uit. Pas als de genodigden weer huiswaarts keerden, schoven de buurtgenoten aan voor het eten.

Willem van Stiphout, Uit ’n dagboek van een verhuizer (Oirschot, oktober 1984) 42.      Op dinsdag 18 februari 1930 trouwde tante Marie der Kinderen met ome Janus Rooijakkers in de Zijtaartse kerk. Wij, jongens van Harrieke van Stiphout, waren ook in de kerk. Ik had een versje geleerd bij meester van de Donk. Toen ik het opzei na het eten, keek iedereen blij, maar bij zowat de helft begon iedereen te huilen bij de woorden: “mijn vader die zo vroeg naar de hemel is gegaan.” Er was geen feest en een uur voor de avond fietste het bruispaar naar hun boerderij in Beek en Donk. De jonge mannen in de buurt hadden een paar poppen gemaakt en dicht bij de Zijtaartse kerk in de bomen gehangen met de namen eronder, omdat de bruid niet getracteerd had, om samen een hele avond vrij te drinken. Dat had veel tijd gekost. Er werd ook nog bij gewaakt dat de poppen daar zeker bleven hangen, want iedereen moest dat weten. Voor meer voorbeelden van dit volksgebruik zie de kronieken van 1851, 1932 en van 1948.



BV 1930-6.

 

Op 22 februari 1930 kreeg het R.K. kerkbestuur van de gemeente Veghel een bouwvergunning om een R.K. jongensschool in Zijtaart naast de pastorie te bouwen. De school werd Sint-Jacobus genoemd. Architect was P. van de Ven uit Schijndel. De aannemer was Van Alphen uit Berlicum.

De Tijd, d.d. 11 juni 1930  








GA Veghel, inv. nr. 34, fol. 97v en 108.   De R.K. meisjesschool in Veghel vroeg geld aan de gemeenteraad voor nieuwe schoolgordijnen. Dit werd op 16 april 1930 door de gemeenteraad goedgekeurd, steun van de gemeente is verplicht volgens de lagere onderwijswet van 1920. Om diezelfde reden werd op 27 juni 1930 geld gegeven voor de aanschaf van een trap-naaimachine door de meisjesschool.

Willem van Stiphout, Uit ’n dagboek van een verhuizer (Oirschot, oktober 1984) 42-43.   

Net voor de trouwdag van tante Marie der Kinderen was Sjef Huijbers gekomen, omdat hij de kalfvaars van tante Marie naar Beek en Donk zou brengen, en impassant dronk hij met moeder Hanna der Kinderen de eerste koffie. Ze hadden een lang en gezellig gesprek. Toen kwam Sjef Huibers bij ons werken. Het was voorjaar en er was veel werk op het land. Hij kwam elke dag. Omdat het op en neer fietsen veel tijd kostte maakte Sjef een bed dat bij onze buurman op stal kwam te staan. Wij waren blij hem bij ons te hebben. Soms deed hij spelletjes met ons. We konden ons plezier niet op, maar merkten ook dat ons moeder van hem ging houden. Beiden waren nog maar 33 jaar. Hij was een deugdzame man met een boerenhart, een goede werker, opgeruimd en eerlijk. Op donderdag 13 mei 1930 trouwden zij en we hadden weer een vader en een gezellige. Hij had een grote antieke kist meegebracht en een goeie waakhond, ‘Muijer’.

Toen hij wat bijgewerkt was op de boerderij, kon hij de knecht missen en hij had toen ook elke dag de melkrit. Er kwam een fiets voor moeder die toch maar moest leren fietsen, want het was al erg genoeg dat ze te voet naar Veghel moesten om daar voor de wet te trouwen. Met vallen en opstaan leerde ze fietsen. Ze hield vol. Zelfs nadat ze uit een sloot moest kruipen.

BV 1930-24.   Op 10 juni 1930 kreeg het R.K. kerkbestuur toestemming om het oude schoolgebouw te verbouwen tot een 'vereenigingslokaal'.

GA Veghel, inv. nr. 34, fol. 111v; PA Zijtaart, parochiememoriaal.  

Op 27 juni 1930 keurde de gemeenteraad de verkoop goed van de voormalige openbare lagere school te Zijtaart en een afgemeten gedeelte van de daarbij gelegen speelplaats. Het kerkbestuur kocht dit voor f 3.500. Het gebouw moest in de toekomst gratis voor de gemeente Veghel ter beschikking worden gesteld als stembureau. De school werd verbouwd tot een Verenigingsgebouw. De aannemer was Van Alphen uit Berlicum voor de som van f 7.400 en de architect P. van de Ven uit Schijndel. Met de bouw van de nieuwe jongensschool en de verbouwing van de oude school tot verenigingsgebouw nam in 1930 de schuldenlast van de kerk met f 11.000 toe.

Willem van Stiphout, Uit ’n dagboek van een verhuizer (Oirschot, oktober 1984) 43-44.    Onze nieuwe (stief-)vader Jef Huijbers vond dat wij gezond en sterk genoeg waren om de melk met de kruiwagen bij Van de Elzen op te halen. Was nooit meer dan 25 liter. Dat wilden we graag doen. Met de kruiwagen konden we overal binnendoor. Lopen was maar 40 minuten en wij mochten er een uurtje over doen. Dan konden we af en toe rusten. Ik was 11 en Johan 9 jaar. Ondertussen konden vader en moeder de koeien melken en zich klaar maken voor de melkrit. Om kwart over vijf ’s morgens floot vader ons wakker. Dat kon hij goed. Het was zomer 1930 toen we begonnen, maar de meeste tijd van het jaar zou het donker zijn, dan hadden we een carbietlamp. Die was vooral nodig bij het erg smalle bruggetje over de waterloop. Eens lieten we de driekwart volle kan met melk in de loop vallen. Die kregen we er onmogelijk uit. Terug om hulp durfden we ook niet. Ik had een idee: de kan half leeg laten lopen in het water, dan eruit, en met de deksel schepten we zolang water dat er weer evenveel liters waren. Daarvr zei Johan: “Maar laat mij nu eerst eens goed wat melk drinken, dat maakt dan ook niets meer uit.” Ik lustte helemaal geen melk.

Willem van Stiphout, Uit ’n dagboek van een verhuizer (Oirschot, oktober 1984) 44-45.    In de hooitijd kreeg ik erge buikpijn. De tweede dag reed ik naar dokter Verbeek, die onderzocht mij. Hij vroeg of er elke dag melk was, eieren, hoeveel varkens we hadden. Ik voelde hem en loog de kooien en de melkkan vol en zei dat de kippen twee eieren per dag legden. Uitslag: vanmiddag in het ziekenhuis en morgen operatie, de blindedarm moest eruit. Vader vroeg aan onze oudbuurman of hij mij weg wilde brengen, omdat hij een luxe rijpaard en een tilbury had. Vader reed mee en kwam later ook enkele keren kijken. Moeder is er maar een keer geweest, ze moest nog tevoet. Ik werd daar wel verwend en geplaagd door de verpleegsters. Was blij om na 10 dagen uit het ziekenhuis te mogen. Naar school hoefde ik niet, maar ik hielp wel in het hooiveld, waardoor de wond in het midden opensprong, wel drie centimeter lang. De wond bleef open. Ik fietste er elke dag mee naar de dokter. Na de 21-ste keer zei moeder: “Dat doen we zelf voort. Elke keer een gulden, dat kan de bruine niet trekken.” Wie weet had ik toen al suikerziekte, veel drinken en veel moe. Er was ook geen groei in mij. Moeder zei: “Ge moest uw eigen schamen.” Dat deed ik ook wel, maar dat leverde niets op.

Alkmaarsche Courant, 10 september 1930; ander krantenbericht van 10 september 1930 opgestuurd door Antoon Vissers; .   Alkmaarsche Courant: 'Bij het redden van het vee gewond. Te Zijtaart (Veghel) is de boerderij van den landbouwer H. Vogels geheel afgebrand. Inboedel en vee warden een prooi der vlammen. Vogels bekwam bij een poging om het vee te redden ernstige brandwonden.'

Ander bericht:
'De eigenaar sprong in een put. Gisterennacht is de boerderij van den landbouwer H. Vogels te Zijtaart bij Veghel totaal afgebrand. Bij een poging tot redding van het vee geraakte Vogels in brand en sprong in den welput nabij het huis. Hij bekwam daarbij ernstige verwondingen. Bij zijn buurman Maas werd hij verpleegd. De brandspuit uit Zijtaart wist uitbreiding van den brand te voorkomen door de omliggende perceelen nat te houden. De oorzaak van de brand is onbekend. Verzekering dekt gedeeltelijk de schade.'

Willem van Stiphout, Uit ’n dagboek van een verhuizer (Oirschot, oktober 1984) 45.    In de najaarsvakantie gingen Johan en ik met moeder naar Erp, te voet binnendoor over de Vonders tussen Keldonk en Erp. De eerste vonder was een heel grote, smal, men kon beide leuningen vasthouden en alle plankjes lagen los, uitgeleuterde schroeven en de rivier de Aa stond vol water. We moesten achter elkaar lopen. Alles waggelde. Moeder was er het eerst overheen. Toen ik. Maar Johan, die anders nergens bang van was, durfde hier niet over. Dat was erg, want er kwam net een grote bui aanzetten. Wat wij ook beloofden, hij kwam niet. Het begon te regenen en wij bleven vanonder de paraplu maar roepen: “Houd je pet onder je arm, want als de klep nat wordt, breekt ie.” Hij riep: “Dan worden mijn varkensharen nat.” Daar leken ze wel op. Toen hij eindelijk helemaal nat over de vonder kwam, zou hij wel eens laten zien, dat de klep van zijn pet niet zou breken, en hij brak die toen in het midden. De klep was van karton en mocht niet nat worden. Toen we die petten kregen in de winkel van Dora Kwaks, waren de petten met een kartonnen klep 20 cent goedkoper als die met een gummieklep, maar moeder zei toen: “Voor die 20 cent heb je bij Vos een paar tweede keus klompen.” Moeder mopperde: “Johan, je had die klep niet moeten proberen, die had wel weer opgedroogd.”

BHIC, toegang 7698, archief van de gemeente Veghel, inv. nr. 2705 e.v.   Antonius van Zutphen is geboren in 1904 en dienstplichtige van de lichting 1924, 2e regiment infanterie. Hij is na uitstel op 5 september 1929 te Venlo in dienst gegaan. Hij woont te Zijtaart G 40. Zijn bedrijf bestaat uit 6 ha land, 8 stuks melkvee, een jong vee, 6 varkens, 1 paard en 50 kippen. Het gezin bestaat uit vader Hendrikus van Zutphen, 58 jaar niet in staat alleen te werken, verder diens vrouw Petronella Raaijmakers, 25 jaar, dochter Maria Johanna 2 jaar en Johanna Maria 5 maanden oud. Om het bedrijf draaiend te houden wordt een werkkracht gehuurd. Er wordt een vergoeding toegekend van f. 1,50 per dag.

Leewarder Nieuwsblad, d.d 20 december 1930   Een ondankbare gast.

Een landlooper klopte op de deur bij den landbouwer J. B. te Zijtaart. Hij vroeg en kreeg een aalmoes. Of hij zich ook even warmen mocht. Dit mocht en de man kreeg een stoel bij de kachel in de kamer. Toen werd er weer aan de voordeur geklopt. De boerin ging kijken. ‘t Was weer een landlooper, die naaigaren etc. verkocht. De juffrouw kocht wat en kwam weer binnen bij landlooper no. 1. Men praatte over koetjes en kalfjes. Ten slotte stond de man op, betuigde zijn dank en trok af. Spoedig daarna bleek dat hij uit een kast f 25 had gestolen.

BHIC, toegang 7698, archief van de gemeente Veghel.   De lijst van militairen uit Zijtaart van de lichting van 1930 die om vrijstelling verzochten:

Naam

Geboren

 

Ouders

Adres

Beroep

Vrijgesteld wegens:

Petrus van Bakel

4-2-1910 te Veghel

Cornelis van Bakel (overleden op 30-4-1923) en Hendrika van Grinsven

Moeder: Zondveld G 110

landbouwer

broederdienst

Martinus Lambertus van der Heijden

3-7-1910 te Veghel

Adrianus van der Heijden en Maria Catharina Kanters

Ouders: Biezen G 139

landbouwer

geen reden om vrij te stellen

Petrus Leonardus van der Linden

16-7-1910 te Veghel

Hendrikus van der Kinden en Elisabeth Bouw

Ouders: Zondveld G 122

landbouwer

lid van de vrijwillige landstorm 

Petrus van Rijsingen

22-11-1910 te Veghel

Martinus van Rijsingen (overleden op 18-10-1911) en Maria van den Bogaard

Moeder: Zondveld G 111

landbouwer

geen reden om vrij te stellen


Bouwstijlen - Thema's - Groei - Organisaties - Veldnamen
Afkortingen - Toelichting verenigingen - Toelichting Huizen - Toelichting Kroniek - Downloads