Foto's Huizen Kroniek

Kroniek van het jaar 1845


BHIC, toegang 7698 inv. nr. 126, burgemeestersregister Veghel d.d. 10-3-1845  

Johannes Laurens van de Rijdt (nu adres Pastoor Clercxstraat 12) ontdekte dat er in de nacht van 9 op 10 maart 1845 zeven zijden of vierendelen gerookt varkensvlees uit zijn huis was ontvreemd. Het vlees had een waarde van f 36,- .  Het gat in de wand van zijn huis was met een scherp voorwerp erin gesneden.

BHIC, toegang 262, inv. nr. 66.  





Enkele afbeeldingen die bij de behandeling van het verzoekschrift gemaakt werden.

Nadat rond 1825 de Zuid-Willemsvaart was gegraven vloeide het water vanaf Zijtaart niet meer af via de Aa maar via de bermsloot langs de kanaaldijk en dan verder via een duiker onder het kanaal door en dan door een loop naar de Aa. In 1845 stuurden de inwoners van Zijtaart, Zondveld en Biezen een verzoekschrift aan de directie van de Zuid-Willemsvaart om de waterafvoer te verbeteren, door de aanleg van een tweede duiker onder de kanaal door, in de buurt van Zijtaart (Sluis IV), want bij zware stortregens stonden veel akkers blank.

De waterstaat adviseerde tegen het verzoek. Het was te duur en te lastig. De waterstaat wees er op 14 maart 1845 op dat ook vr de aanlag van het kanaal akkers bij stortregens vaak blank stonden, omdat toen de Aa het water niet snel genoeg af kon voeren. Door de aanleg van het kanaal en de bermsloot zou de waterafvoer juist verbeterd zijn. Wat wel veranderd was dat het Reibroek ontgonnen was, Eertijds was dat een moerassig gebied dat als waterbuffer functioneerde. Door de ontginningen, nivellering en ophoging van het Reibroek stroomde het water nu sneller af, waardoor de bermsloot het niet altijd verwerken kon. Bij gewone regens vloeide het water nog wel voldoende snel af, wat nog zou verbeteren als het gemeentebestuur van Schijndel de loop tussen de duiker onder het kanaal door en de Aa in behoorlijke staat gebracht zal hebben.

BHIC, toegang 7698 inv. nr. 126, burgemeestersregister Veghel d.d. 24-5-1845   Bij Piet Vogels, landbouwer, 52 jaar, wonende op het Zondveld (nu: Krijtenburg 22) werden uit diens schuur twee mud aardappelen, twee slaaplakens van grof linnen, een wit katoenen deken, een linnen deken en een kaffe […?] van linnen gestolen.

BHIC, toegang 7698 inv. nr. 126, burgemeestersregister Veghel d.d. 14-6-1845    

Adriana van Hommel, weduwe van Johannes Keijzers, kroeghoudster in de Kempkes verklaarde: Op 10 juni 1845, ’s middags rond 6 uur kwam haar 7-jarige zoon Peter bont en blauw en schreeuwend van de pijn binnen.  Hij had die dag als koewachter zijn werk gedaan in het zogenaamd Kempkes broek. Hij zag een eend zwemmen in de sloot, maar ook het hondje van Peter zag de eend en ging er blaffend achteraan. Ons koehoedertje liep met zijn hondje mee. Hendricus Vermeulen, die boerde en woonde op de Kempkes, zag het en pakte een stuk hout en sloeg onze Peter op armen en buik. Twee meisjes, Petronella en Arnoldina Vervoort (12 en 14 jaar) zagen wat er gebeurde.

Het zoontje huilde naar huis. De moeder toog op hoge poten naar de Kempkes om Vermeulen aan de tand te voelen. Ze ging voor Henricus staan en vroeg: “Is uw eend weer thuis? Ik ben hier gekomen, om wanneer hij vermist is u dezelfde te betalen”.
Henricus Vermeulen zei daarop: “Ze is weer terecht.
De weduwe: “Gij hebt mijn jongen grondig geslagen.
Vermeulen: “Ja dat heb ik, maar ik was zeer boos en dan doet men soms iets waarover men naderhand berouw heeft”.

Bij het tweetal stonden Willem Verhoeven en Theodorus van der Heijden, meerderjarige manspersonen, tegen wie de weduwe zei dat ze hun als getuigen zou nemen en ging vervolgens weer naar huis. Ze rapporteerde het voorval aan de burgemeester.

Rechtbank Den Bosch BHIC toegang 22 inv. 74 rol 101  

Op 25 september 1845 stonden voor de rechtbank in Den Bosch terecht 1. Martinus Pepers, 28 jaar. 2. Gerard Pepers, 22 jaar en 3. Lamberdina van Hirtum, geboren te Schijndel, huisvrouw van Martinus Pepers. Allen arbeiders wonende te Veghel. Ze hadden de volgende inbraken gepleegd, ook te Zijtaart:

-          Een grote koperen ketel met ijzeren hengsel bij Johannes van der Sanden, koopman te Veghel. Daar ook een paar zoutzakken, 2 boterdoekjes en een stuk van een slaaplaken. Het een en ander stond in de tuin welke rondom met een haag was afgezet. Op 31 december 1844 waren deze goederen, via een gemaakt gat in de doornheg, aldaar gestolen. Koperslager Johannes Beltonville verklaard dat bij zijn huis in Den Bosch van Gerard Pepers, een grote koperen ketel zonder ijzeren hengsel voor 3 gulden van hem had gekocht, samen met 4 tinnen lepels. Gerard zei tegen de koperslager dat hij in Vught woont.

-          Johannes Merks en zijn vrouw, wonende te Schijndel, werden in de nacht van 12 op 13 januari 1845 door het geblaf van hun hond gewekt. Omdat ze onraad vermoeden zijn ze meteen opgestaan en vonden de schuurdeur open. Een haan en 5 kippen waren verdwenen. De boeven hadden een gat gemaakt in de strooien wand van de stal.

-          In de vroege morgen van 28 januari 1845 vond Theodorus van Melsvoort dat zijn staldeur open en hij miste 5 kippen. De gebroeders Pepers, die bij elkander wonen, ontkennen dat ze deze kippen gestolen hebben, maar diverse getuigen bewijzen dat ze wel degelijk dit gedaan hebben.

-          Op 1 maart 1845 in de morgen werden uit de stal van Antonie Aart Verbeek een haan en 6 hennen gestolen. Dit gebeurde dat ze in een stenen muur een gat sloegen. Verder stalen ze een zeis, gaffel en een karseel. Uit de stal nog een mestriek, schop, hiep, aks, zweep, kapmes en een paar vriesche wanten.

-          Jacobus Johannes Ketelaars te Veghel verklaard dat hij op 1 maart 1845 de diefstal bij zijn buurman Verbeek heeft vernomen en ontdekte nadien dat van zijn kar, die op het erf stond, was gestolen een riek, rosdoek en zak, verder een voor en achter karzeel met hout en haak met touw die van zijn buurman Lambert van Doorn is.

-          Dirk Schippers, bakker te Veghel en zijn dienstmeid Johanna van de Laar ontdekte op 6 maart 1845 omtrent 6 uur in de morgen, toen ze het licht aan maakte dat er een karaf bittere jenever uit de winkel was verdwenen.

-          Willem van Eerd en zijn huisvrouw wonende te Veghel aan de Heikant hebben in de morgen van 5 maart ontdekt dat uit hun kelder vermist werd een houten emmer met ca. 8 pond boter, 2 stenen potten met ca, 35 pont vet, een koperen pijppot, of ketel, een roomzeef, een linnen karhuif, ruim 3 liter olie uit een kruik een stenen kan van 10 pond, ongerookt spek. Uit de schuur miste ze een snijmes en een wetsteen. Uit de stal een ijzeren schop gemerkt met D.V.D. en een vijl. Alles was verdwenen via een houten raam waar 5 houten spijlen waren afgezaagd. In de gevlochten stalwand zat een groot gat. Nabij hun woning vond het echtpaar een pet zonder klep. Johannes Knicknie, koperslager, wonende te Schijndel verklaard enige van de gestolen goederen gekocht te hebben en de tweede gedaagde Martinus Pepers verklaarde deze aan de Veghelsche hei te hebben gestolen.

-          Johannes Laurens van de Rijt (huidig adres: Pastoor Clercxstraat 12) en diens huisvrouw verklaren dat ze tussen 6 en 7 uur in de morgen van 9 maart 1845 ontdekte dat in de van stro en leem gemaakte schoorsteen van hun huis een gat was gemaakt uitkomende op de zolder waar een hooivork lag en spek die waren verdwenen. In de schuurwand ontdekte ze ook een gat en een open schuurdeur.

-          Cornelis Klomp en Peter Sevens, molenaarsknechten bij de Koeveringsche molen, bij molenaar Norbertus Klessens. In de avond van 11 maart heeft Klomp de molen goed vast gemaakt met de molenreep en op 12 maart gevonden dat deze naar beneden hing, dat de molendeur open stond, de slotpaal was gebroken en slechts aan een spijkertje hing. Ze ontdekten dat er in de molen 10 oude vaten roggenmeel waren verdwenen en drie zakken, gemerkt met IVK, HVAD en IHV, toebehorende aan Jan van Kemenade, Hendrik van Asseldonk en Johannes Vogels. Verder werd vermist een timmermansdistel, een snijmes, een steekbeitel, een schaar, een ligtriem en een zware ijzeren pen. Deze ijzeren pen kwam van oud molenaar Gerardus van Hoorn.

-          Gerardus en Hendrikus van Blakenbroek, timmerlieden, vader en zoon, verklaren dat ze in de morgen van 14 maart ontdekt hebben dat uit de loods van Gerardus vier kanadasche planken weg waren, als ook een dissel. De loods staat bij nabij zijn woning.

-          Willem Hendrikus van de Ven verklaard dat hij in de afgelopen winter op een maandag op zijn erf bij zijn woning in Sint Oederode een bijenkorf met nog levende bijen en honing mistte. Op het aangewezen spaantje gemerkt met 3, herkend hij zijn bijenkorf als gestolen goed.

Gerard Pepers was op 11 oktober 1844 al door de arrondissementsrechtbank tot een maand gevangenisstraf veroordeeld voor een diefstal en Martinus Pepers was op 7 januari 1841 veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf.

Uitspraak van de rechtbank: Dat er een schavot wordt opgericht alwaar ze een half uur te pronk worden gesteld met een papier op de borst waarop hun misdaad staat gedrukt. Verder plaatsing in een rasp of tuchthuis, Martinus Pepers  wordt veroordeeld tot plaatsing in een rasp of tuchthuis voor de tijd van 8 jaar, Gerardus Pepers voor een tijd van 10 jaar en Lamberdina van Hirtum 3 jaar, om aldaar door hun handenarbeid hun onderhoud te gewinnen. Kosten van het geding 197 gulden. Hun misdaden worden aangeplakt te 's-Hertogenbosch, Veghel, Schijndel en Sint Oedenrode. Het was niet de eerste keer dat de gebroeders Pepers met justitie in aanraking kwamen en het zou ook niet de laatste keer zijn.

BHIC, toegang 7698 inv. nr. 126, burgemeestersregister Veghel d.d. 27-11-1845   Johannes van den Hurk, 30 jaar, en Peter Bartel van de Rijt eveneens 30 jaar komen meldden aan de burgemeester dat Johanna Oppers, 20 jaar, die bij haar broer Wouter inwoont (huidig adres: Zondveldstraat 13), is verdronken in een sloot. Johanna was ‘s avonds met haar spinnenwiel onder de arm naar haar buurvrouw, de weduwe van Bartel van de Rijt, gegaan om daar te gaan spinnen (huidig adres: Krijtenburg 26). Het huis van de weduwe staat een 50 passen van haar huis. Na een uur gaan de huisgenoten van Johanna naar de weduwe en ontdekken dat Johanna daar niet is. Ongerust gaan ze zoeken en vinden haar tegenover het huis in een diepe sloot vlak bij het toegangshek. Ze hing levenloos gedeeltelijk boven het water met het spinnenwiel naast haar op de oever

Heelmeester van der Loo deed de dag daarop een lijkschouwing en de burgemeester schreef in zijn requisitoir dat omstreeks zeven uur in de avond Johanna verdronken is in een sloot op het gehucht Zondveld.

Bouwstijlen - Thema's - Groei - Organisaties - Veldnamen
Afkortingen - Toelichting verenigingen - Toelichting Huizen - Toelichting Kroniek - Downloads